Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:2497

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:2497, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.245.896/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.245.896/01(zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen 118947)
arrest van 24 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , hierna aan te duiden als: appellant,in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,advocaat: mr. R.R.G.M. van Beurden te ’s-Gravenhage,
tegen

Hendrix UTD Noord B.V.,

ook handelend onder de naam Forfarmers Hendrix Noord,gevestigd te Rogat,hierna aan te duiden als: geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,advocaat: mr. M.D. Kalmijn te Leeuwarden.

ECLI:NL:GHARL:2020:2497:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.245.896/01(zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen 118947)
arrest van 24 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , hierna aan te duiden als: appellant,in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,advocaat: mr. R.R.G.M. van Beurden te ’s-Gravenhage,
tegen

Hendrix UTD Noord B.V.,

ook handelend onder de naam Forfarmers Hendrix Noord,gevestigd te Rogat,hierna aan te duiden als: geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,advocaat: mr. M.D. Kalmijn te Leeuwarden.
1

Bij tussenarrest van 26 maart 2019 is een comparitie van partijen gelast, die is gehouden op 14 februari 2020. Van de comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt dat aan de processtukken is toegevoegd. Aan het slot van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd. De zaak is verwezen naar de rol voor arrest.
2

2.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
2.2
[appellant] is melkveehouder.
2.3
Forfarmers heeft meerdere jaren veevoer aan [appellant] geleverd. De leveringen vonden gemiddeld iedere maand plaats. Na iedere levering stuurde Forfarmers een factuur aan [appellant] met daarin opgenomen een betalingstermijn van 21 dagen. Op de achterkant van de facturen staan de algemene voorwaarden van ForFarmers Nederland B.V., die Forfarmers hanteert (hierna: de algemene voorwaarden). In de algemene voorwaarden staat onder andere het volgende:
"6. Betaling (...) 2. Indien niet binnen overeengekomen vervaldag is betaald, is Afnemer zonder nadere ingebrekestelling van rechtswege in verzuim en zijn alle betalingsverplichtingen van Afnemer jegens ForFarmers Nederland direct opeisbaar geworden. Vanaf dat moment is over de verschuldigde hoofdsom een wettelijke rente vermeerderd met 2% per (gedeelte van een) maand verschuldigd, alsmede alle op de inning van zijn vordering vallende, waaronder gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. Voor de buitengerechtelijke incassokosten wordt 15% van de verschuldigde hoofdsom gerekend met daarbij een minimum van € 10.000.
(...)"

2.4
Vanaf medio juni 2015 zijn er in toenemende mate achterstanden ontstaan met de voldoening van de facturen door [appellant] . Forfarmers is, terwijl die achterstanden groter werden, veevoer aan [appellant] blijven leveren. Tijdens deze periode heeft de heer [B] (hierna: [B] ) van Forfarmers regelmatig bezoeken afgelegd bij [appellant] , waarbij de hoogte van de openstaande factuurbedragen werd besproken.
2.5
In het najaar van 2016 is Forfarmers op betaling van de achterstallige facturen door [appellant] gaan aandringen.
2.6
Bij e-mail van 8 februari 2017 en brief van 15 februari 2017 heeft Forfarmers [appellant] gesommeerd om tot betaling van alle openstaande en opeisbare facturen over te gaan.
2.7
Op 23 februari 2017 heeft Forfarmers bij de rechtbank Noord-Nederland een rekest ingediend tot faillietverklaring van [appellant] . In dit rekest wordt de vordering op [appellant] begroot op € 256.140,64, bestaande uit een hoofdsom van € 221.513,60, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten ad € 33.227,04, contractuele rente en de kosten van de faillissementsaanvraag. In het rekest is aangegeven dat [appellant] meerdere schuldeisers onbetaald laat.
2.8
Op 28 maart 2017 heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een kort geding gediend tussen [appellant] en de Rabobank, waarbij [appellant] en de Rabobank een regeling zijn overeengekomen. [appellant] heeft hiervan mededeling gedaan aan Forfarmers.
2.9
Op 31 maart 2017 heeft Forfarmers, na daartoe verkregen verlof, conservatoir beslag laten leggen op de boerderij van [appellant] . Het verlof was verleend onder de voorwaarde dat Forfarmers de eis in de hoofdzaak binnen vier weken na beslaglegging diende in te stellen.
2.10
Op 3 april 2017 heeft [appellant] verzocht om (nader) uitstel van de mondelinge behandeling van het faillissementsrekest. Forfarmers heeft aangegeven hiermee akkoord te gaan, mits de eerder door [appellant] ter discussie gestelde algemene voorwaarden onvoorwaardelijk zouden worden erkend. [appellant] is hiermee akkoord gegaan. Daarna is aan [appellant] bericht dat onder hem conservatoir beslag is gelegd. Vervolgens heeft [appellant] aan Forfarmers bericht dat zij misbruik maakt van omstandigheden.
2.11
[appellant] en Forfarmers zijn verder overeengekomen dat [appellant] aan Forfarmers tegen finale kwijting in totaal een bedrag van € 253.000,- zal betalen.
2.12
Op 12 april 2017 heeft [appellant] aan Forfarmers € 100.000,- betaald.
2.13
Op 28 april 2017 heeft [appellant] aan Forfarmers € 121.513,60 betaald.
2.14
Bij brief van 28 april 2017 heeft [appellant] de vernietiging van de algemene voorwaarden ingeroepen.

beslissing

3

3.1
Forfarmers heeft in eerste aanleg primair gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 31.486,40 en subsidiair betaling gevorderd van de contractuele rente van 2%, dan wel de wettelijke handelsrente, over de facturen en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 33.227,04, dan wel een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 13.000,-, dan wel een in goede justitie nader te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Daarnaast heeft Forfarmers gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, waaronder ook de kosten van beslaglegging.
3.2
In reconventie heeft [appellant] afgifte door Forfarmers, op straffe van een dwangsom, gevorderd van stukken waaruit blijkt van de door Forfarmers beweerde steunvordering(en) ten tijde van het indienen van het faillissementsrekest tegen [appellant] . Daarnaast heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat het op 31 maart 2017 door Forfarmers gelegde beslag van rechtswege is komen te vervallen en heeft hij gevorderd, eveneens op straffe van een dwangsom, dat Forfarmers wordt veroordeeld dit beslag te doen uitschrijven. Tot slot heeft [appellant] gevorderd dat Forfarmers wordt veroordeeld in de kosten van het geding, zowel in conventie als in reconventie.
3.3
De rechtbank heeft de primaire vordering van Forfarmers toegewezen en de vorderingen van [appellant] , met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht, afgewezen.
overwegingen

4

De vorderingen

4.1
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van de rechtbank en alsnog afwijzing van de vorderingen van Forfarmers. Ook vordert [appellant] dat hij wat betreft de wettelijke rente tot niet meer wordt veroordeeld dan tot betaling aan Forfarmers van de wettelijke rente over een bedrag van € 221.513,60 vanaf 8 februari 2017 tot 12 april 2017 en over een bedrag van € 121.513,60 vanaf 12 april 2017 tot 28 april 2017. Verder vordert [appellant] wat betreft buitengerechtelijke incassokosten tot niet meer te worden veroordeeld dan tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten conform de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarbij behorende besluit danwel tot een in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Ook vordert hij dat Forfarmers zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen door [appellant] op grond van het vonnis is betaald, te vermeerderen met wettelijke rente. Tot slot vordert [appellant] veroordeling van Forfarmers in de kosten van beide instanties, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente over de proces- en nakosten.
De grieven

4.2
[appellant] heeft het vonnis van de rechtbank in hoger beroep bestreden in een drietal grieven. Deze grieven zijn enkel gericht tegen het in conventie gewezen deel van het vonnis.
4.3
Het hof zal de grieven hierna bespreken.
Grief 1: misbruik van omstandigheden

4.4
Met zijn eerste grief komt [appellant] op tegen de afwijzing door de rechtbank van het door hem gedane beroep op het wilsgebrek misbruik van omstandigheden en de door hem gestelde vernietigbaarheid van zijn begin april 2017 gegeven akkoord met toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Forfarmers en, zo begrijpt het hof, met betaling van het op grond van die algemene voorwaarden bovenop de hoofdsom van € 221.513,60 komende bedrag van € 31.486,40 aan contractuele rente en buitengerechtelijke kosten.
Juridisch kader

4.5
Tot uitgangspunt voor de beoordeling van deze grief dient dat misbruik van omstandigheden volgens art. 3:44 lid 4 BW aanwezig is als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Bij de beoordeling daarvan komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die rechtshandeling (zie HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:95).
4.6
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 2 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7450, NJ 1980/429) volgt dat het enkele feit dat iemand in een economische dwangpositie verkeert en om die reden een overeenkomst aangaat of een beding aanvaardt, die hij niet zou zijn aangegaan respectievelijk dat hij niet zou hebben aanvaard zonder die dwangpositie, op zichzelf nog geen misbruik van omstandigheden oplevert aan de zijde van degene (de andere partij) die het aangaan of aanvaarden van die overeenkomst respectievelijk van dat beding heeft bevorderd. Voor het in zo’n geval kunnen aannemen van misbruik van omstandigheden zijn bijkomende omstandigheden vereist. Zo’n bijkomende omstandigheid kan zijn dat de andere partij voor zichzelf of voor een derde een klaarblijkelijk onevenredig groot voordeel heeft bedongen.
4.7
Het hof zal grief 1 met inachtneming van het voorgaande behandelen.
Algemene voorwaarden

4.8
De eerste pijler van grief 1 wordt gevormd door de stelling van [appellant] dat de algemene voorwaarden - althans de bedingen die betrekking hebben op contractuele rente en buitengerechtelijke kosten - niet eerder tussen partijen van toepassing waren en dat [appellant] begin april 2017 “tegen zijn zin (heeft) ingestemd met toepasselijkheid alsnog” van die algemene voorwaarden. Deze akkoordverklaring is het gevolg van misbruik van omstandigheden aan de zijde van Forfarmers, aldus [appellant] .
4.9
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het door Forfarmers begin april 2017 bewegen van [appellant] tot expliciete akkoordverklaring met genoemde algemene voorwaarden niet een omstandigheid vormt die misbruik van omstandigheden aan de zijde van Forfarmers oplevert. Die algemene voorwaarden waren - anders dan [appellant] meent - namelijk al van toepassing tussen partijen op het moment dat [appellant] daarmee - ditmaal ook expliciet - instemde. Door [appellant] is ook in hoger beroep niet voldoende betwist dat die voorwaarden al jaren bij elke levering van toepassing werden verklaard en dat deze voorwaarden ook steeds op de achterkant van elke aan [appellant] verzonden factuur waren afgedrukt. Niet betwist is verder dat [appellant] gedurende al die jaren tegen toepasselijkheid van deze voorwaarden nooit heeft geprotesteerd. Tijdens de comparitiezitting in hoger beroep is door [appellant] in reactie op vragen van het hof ook niet weersproken dat er binnen de handelsrelatie van partijen wel degelijk conform de algemene voorwaarden werd gehandeld. Het hof verwerpt daarom de stelling van [appellant] dat de algemene voorwaarden eerder nog niet van toepassing waren.
4.10
In het licht van die reeds bestaande toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Forfarmers (met inbegrip van de bedingen daarvan die betrekking hebben op contractuele rente en buitengerechtelijke kosten) valt naar het oordeel van het hof niet in te zien dat Forfarmers, door (ditmaal) expliciete akkoordverklaring van [appellant] met die (reeds toepasselijke) voorwaarden en ook betaling van het op grond van die algemene voorwaarden bovenop de hoofdsom komende bedrag van € 31.486,40 te bedingen, een klaarblijkelijk onevenredig groot voordeel voor zichzelf heeft bedongen dan wel anderszins misbruik heeft gemaakt van de positie waarin [appellant] op dat moment verkeerde. Hierbij kent het hof mede betekenis toe aan de wijze waarop genoemd bedrag is opgebouwd. In eerste aanleg heeft Forfarmers gesteld dat zij, door met [appellant] betaling van genoemd bedrag overeen te komen, genoegen heeft genomen met € 23.000,- minder dan haar op grond van de algemene voorwaarden toekwam. Ter comparitiezitting in hoger beroep is door Forfarmers met verwijzing naar een e-mailwisseling van 12 april 2017 tussen de advocaat van Forfarmers en de advocaat van [appellant] (productie 7 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie) toegelicht dat het bedrag van € 31.486,40 enerzijds bestaat uit een met instemming van [appellant] gefixeerd, aanzienlijk naar beneden bijgesteld bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 10.000,-, terwijl het bedrag voor het overige ziet op verschenen contractuele rente, beperkt tot een percentage van 8%, gelijk aan de wettelijke handelsrente. Deze toelichting op de opbouw van dit bedrag en op het aldus fors naar beneden bijgesteld zijn van het op basis van de algemene voorwaarden verschuldigde bedrag aan buitengerechtelijke kosten en contractuele rente is door [appellant] ter comparitiezitting niet betwist. Evenmin heeft [appellant] gemotiveerd betwist dat de daadwerkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten tenminste een bedrag van ca. € 10.000,- hebben belopen. In het licht hiervan en van het - blijkens het voorgaande - voorafgaand aan het maken van de betalingsafspraken al toepasselijk zijn van de algemene voorwaarden tussen partijen (met inbegrip van de bedingen die betrekking hebben op contractuele rente en buitengerechtelijke kosten) kan het door Forfarmers (andermaal) bedingen van toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en betaling van het genoemde, op grond van die voorwaarden verschuldigde bedrag bovenop de hoofdsom van € 221.513,60 niet worden beschouwd als het, met misbruikmaking van de (tijds-)druk waarin [appellant] verkeerde, voor zich bedingen van een klaarblijkelijk onevenredig groot voordeel.
4.11
Het voorgaande wordt niet anders indien met [appellant] zou worden aangenomen dat de algemene voorwaarden - en het op grond van die voorwaarden verschuldigd kunnen worden van rente en buitengerechtelijke kosten - vóór de expliciete akkoordverklaring van [appellant] niet eerder onderwerp van gesprek tussen partijen waren geweest. Als deze (door Forfarmers betwiste) stelling al juist zou zijn, betekent dit - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - nog niet dat die voorwaarden respectievelijk de daarin opgenomen bepalingen over rente en buitengerechtelijke kosten (dus) niet langer zouden gelden tussen partijen of dat Forfarmers haar recht om op (bepalingen in) die voorwaarden een beroep te doen zou hebben prijsgegeven of verwerkt. Voor een dergelijk prijsgeven of verwerken van rechten is meer nodig dan het enkele, door [appellant] gestelde stilzwijgen van partijen tot dan toe. Ook het door [appellant] aangevoerde feit dat in de e-mail van Forfarmers van 8 februari 2017 de algemene voorwaarden niet ter sprake worden gebracht is daartoe niet voldoende.
4.12
Ter comparitiezitting in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] nog betoogd dat zijn stellingen ten aanzien van de niet-toepasselijkheid van de algemene voorwaarden zo moeten worden begrepen dat tussen partijen gedurende hun handelsrelatie een nadere overeenkomst is gesloten, inhoudende stilzwijgende terzijdestelling van de algemene voorwaarden door partijen. Deze stelling - die overigens geen steun in de processtukken vindt - wordt, vanwege strijd met de zogeheten tweeconclusie-regel, door het hof buiten behandeling gelaten. Die regel van procesrecht houdt in dat een partij die (zoals [appellant] ) in hoger beroep komt van een vonnis alle grieven (bezwaren) tegen dat vonnis niet later dan in zijn memorie van grieven mag aanvoeren. Met het pas tijdens de comparitiezitting aanvoeren van deze nieuwe grief is [appellant] dus te laat. [appellant] heeft niets aangevoerd dat een uitzondering op deze regel rechtvaardigt.
Faillissementsaanvraag

4.13
Uit de toelichting op grief 1 begrijpt het hof dat het door [appellant] gedane beroep op misbruik van omstandigheden ook steunt op de stelling dat de faillissementsaanvraag van Forfarmers onterecht is gedaan, omdat niet aan het voor een dergelijke aanvraag geldende vereiste van pluraliteit van schuldeisers zou zijn voldaan. Omdat het Forfarmers bij die aanvraag aan de benodigde steunvorderingen zou hebben ontbroken en zij dit ten onrechte aan [appellant] zou hebben verzwegen, zou deze in de waan zijn gebracht dat de aanvraag kans van slagen zou hebben en zou hij, zo begrijpt het hof, onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken zijn akkoord hebben gegeven. Nog daargelaten de vraag of deze stelling kan dienen ter onderbouwing van een beroep op misbruik van omstandigheden, geldt dat het gestelde ontbreken van pluraliteit en het in dat verband bij [appellant] bestaan van een verkeerde voorstelling van zaken - ook in hoger beroep - gemotiveerd is betwist door Forfarmers. Zo heeft Forfarmers aangevoerd dat er een vordering van de Rabobank was. Het had, gelet op die betwisting, op de weg van [appellant] gelegen zijn stellingen op dit punt in hoger beroep (alsnog) deugdelijk te onderbouwen. Omdat deze onderbouwing ook in hoger beroep is uitgebleven, wordt het gestelde door het hof gepasseerd.
Betalingsregeling

4.14
In het kader van zijn beroep op misbruik van omstandigheden verwijst [appellant] ten slotte nog naar een tussen partijen gesloten betalingsregeling, die haaks zou staan op de onder druk van de faillissementsaanvraag gemaakte afspraken. Ook het bestaan van een dergelijke betalingsregeling is gemotiveerd betwist door Forfarmers. Temeer omdat ook ter comparitiezitting [appellant] in reactie op vragen van het hof niet duidelijk heeft kunnen maken wanneer de gestelde betalingsregeling dan wel tot stand zou zijn gekomen en wat deze concreet inhield, acht het hof ook deze stelling van [appellant] onvoldoende feitelijk onderbouwd en gaat het daaraan voorbij.
Conclusie ten aanzien van grief 1

4.15
Uit het voorgaande blijkt dat [appellant] geen feiten heeft gesteld die een deugdelijke grondslag vormen voor het door hem gestelde misbruik van omstandigheden. Omdat van misbruik van omstandigheden aan de zijde van Forfarmers geen sprake is geweest, is vernietigbaarheid van het door [appellant] gegeven expliciet akkoord met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden respectievelijk de betaling van het bedrag van € 31.486,40 niet aan de orde.
Grief 2: rechtsverwerking

4.16
Met zijn tweede grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] geen beroep op rechtsverwerking toekomt. Rechtsverwerking houdt in dat het een schuldeiser onder omstandigheden niet of niet langer vrijstaat jegens zijn schuldenaar bepaalde contractuele bevoegdheden uit te oefenen, bijvoorbeeld omdat bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken of de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. In aanmerking genomen dat een beroep op rechtsverwerking neerkomt op een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, kan een beroep daarop slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond worden geoordeeld (HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406).
4.17
Ook deze grief faalt. De contractuele bevoegdheid van Forfarmers waarop zij zich in deze procedure beroept, is het recht om nakoming te vorderen van de begin april 2017 gemaakte expliciete afspraak tot toepasselijkverklaring van haar algemene voorwaarden en betaling van een bedrag van € 31.486,40 aan contractuele rente en buitengerechtelijke kosten. [appellant] baseert zijn beroep op rechtsverwerking echter op het handelen van partijen in de daarvóór liggende periode, toen zij nog zaken deden en deze betalingsafspraak nog niet bestond. Reeds om die reden moet het beroep op rechtsverwerking stranden, omdat die voorliggende periode voor rechtsverwerking ten aanzien van genoemde, later ontstane contractuele bevoegdheid zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet ter zake doet. Ten aanzien van die voorliggende periode heeft het hof overigens hiervoor bij de behandeling van grief 1 al overwogen dat voor het verwerken van rechten uit de algemene voorwaarden meer nodig is dan hetgeen daartoe door [appellant] in dit geding is aangevoerd.
Grief 3: betalingsregeling

4.18
Met zijn derde grief bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat het bestaan van een eerder tussen partijen gesloten afwijkende betalingsregeling niet is komen vast te staan. Nog daargelaten dat [appellant] niet duidelijk maakt in hoeverre deze grief naast de eerste grief zelfstandige betekenis heeft of wat het bestaan (hebben) van een dergelijke eerdere regeling voor invloed op de geldigheid van later gemaakte afspraken zou hebben, geldt dat het bestaan (hebben) van een eerdere betalingsregeling gemotiveerd is betwist door Forfarmers. In reactie op vragen van het hof heeft [appellant] ter comparitiezitting ook niet duidelijk kunnen maken wanneer de gestelde betalingsregeling dan wel tot stand zou zijn gekomen en wat deze concreet inhield. Gelet hierop faalt de derde grief al bij gebrek aan feitelijke onderbouwing.

beslissing

5

5.1
Conclusie is dat de grieven falen bij gebrek aan deugdelijke feitelijke grondslag. Bij een verdere behandeling van zijn grieven, voor zover deze ten behoeve van de hiervoor weergegeven stellingen zijn voorgedragen, heeft [appellant] geen belang. Aan bewijslevering wordt vanwege het voorgaande niet toegekomen.
5.2
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van Forfarmers in hoger beroep worden veroordeeld (2 punten, tarief III).

beslissing

6

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 2 mei 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Forfarmers tot op heden begroot op € 1.978,- aan verschotten en op € 2.782,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, H. de Hek en D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 maart 2020.