Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:2496

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:2496, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.244.137/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.244.137/01(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 6140508 en 6200896)
arrest van 24 maart 2020

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2020:2496:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.244.137/01(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 6140508 en 6200896)
arrest van 24 maart 2020

in de zaak van

1

wonende te [A] ,hierna: ,
2. [appellante]

wonende te [A] ,hierna: ,appellanten,in eerste aanleg: eisers,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. P.A. van Enckevort, kantoorhoudend te Venlo,
tegen

Stichting Pensioenfonds PostNL

gevestigd te Groningen,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. S.H. Kuiper, kantoorhoudend te Amsterdam.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 10 april 2018 en 8 mei 2018 die de kantonrechter van rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 augustus 2018,- de memorie van grieven,- de memorie van antwoord,- de pleidooien ter zitting van 7 februari 2020 en het van die zitting opgemaakte proces-verbaal.
2.2
Na afloop van de pleidooien is de zaak verwezen naar de rol van 10 maart 2020 voor royement of vragen van arrest. Ter rolle van 10 maart 2020 is arrest gevraagd op basis van het voorafgaand aan de pleidooien door [appellanten] c.s. overgelegde procesdossier.
3

3.1.
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.2.
[appellant] is geboren [in] 1948 en [in] 1964 in dienst getreden bij het toenmalige Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie (hierna "PTT"), een rechtsvoorganger van de naamloze vennootschap POST NL N.V. (hierna: "PostNL").
3.3.
[appellante] is geboren [in] 1948 en is op 5 december 1977 eveneens in dienst getreden bij PTT.
3.4.
[in] 1984 is [appellant] getrouwd met [appellante] .
3.5.
Het echtpaar [appellanten] heeft na indiensttreding bij PTT en vanwege dat dienstverband met PTT, pensioenaanspraken opgebouwd bij het ABP op basis van de Algemeen burgerlijke pensioenwet (verder: ABP-wet) .
3.6.
Op 1 januari 1989 is PTT geprivatiseerd en kwam PTT-personeel in dienst van (een rechtsvoorganger van) Post NL. Die privatisering is vastgelegd in de Personeelswet PTT Nederland N.V. (verder: Personeelswet).
3.7
In artikel 5 van de Personeelswet is bepaald:
"1. Met ingang van de overgangsdatum verkrijgt een personeelslid met wie een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid is gesloten, aanspraken jegens een door de NV PTT aan te wijzen instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid sub b dan wel c, van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (Stb. 1952, 275), die in totaliteit in elk geval gelijkwaardig zijn aan die welke dit personeelslid op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum heeft jegens het Algemeen burgerlijk pensioenfonds krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) en neemt de aangewezen instelling de daarmee verband houdende verplichtingen op zich.

2. De aanspraken die een personeelslid op wie het eerste lid van toepassing is, toekomen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, met uitzondering van de aanspraken die voor de overgangsdatum geldend zijn gemaakt of geldend gemaakt hadden kunnen worden, vervallen op de overgangsdatum, evenals de daaruit voortvloeiende verplichtingen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds jegens dit personeelslid."

3.8
Het Fonds is de pensioenuitvoerder van PostNL.
3.9
Het Fonds heeft de aanspraken jegens het Fonds van de van het ABP overgekomen deelnemers vastgelegd in het Reglement overgangsregelingen Stichting Pensioenfonds PTT Nederland (verder: het Overgangsreglement). In dat reglement is bepaald, voor zover van belang:"Artikel VI.
1. Voor een gehuwde deelnemer zal het jaarlijks ouderdomspensioen bedoeld in artikel 6 de leden 2 en 4 van het reglement met inachtneming van artikel V tenminste worden vastgesteld op het in onderstaande leden omschreven minimum. (…)

2. Het minimum ouderdomspensioen bedraagt de som van:

a. het ingevolge de ABP-wet opgebouwde ouderdomspensioen over de periode tot en met 31 december 1985 verminderd met de inbouw zoals deze in voornoemde wet wordt gedefinieerd en,

b. het ingevolge de ABP-wet opgebouwde ouderdomspensioen over de periode van 1 januari 1986 tot de overgangsdatum en,

c. het ouderdomspensioen dat vanaf de overgangsdatum ingevolge de ABP-wet opgebouwd zou worden.

(…)

6. Bij de vaststelling van de in lid 2 van dit artikel genoemde pensioenen wordt met het gestelde in artikel F 7c van de ABP-wet rekening gehouden indien een personeelslid, als bedoeld in artikel II, op de dag voorafgaande aan de overgangsdatum voldeed aan het gestelde in lid 1 van artikel F 7c onverminderd het gestelde in lid 4 van artikel F 7c."

3.10
De ABP-wet kende een regeling krachtens welke aan gehuwden die aan de voorwaarden voldeden ter compensatie van bij die gehuwden toegepaste te hoge AOW-korting een samenlooptoeslag werd toegekend.
3.11
Op 1 januari 2005 is [appellant] gestopt met werken bij PostNL, met gebruikmaking vande voor hem geldende VUT-regeling. Op 1 maart 2011 is [appellante] gestopt met werken bij PostNL, met gebruikmaking van de voor haar geldende prepensioenregeling.
3.12
Op 28 oktober 2013 bereikte [appellante] de pensioengerechtigde leeftijd. Op1 december 2013 bereikte [appellant] de pensioengerechtigde leeftijd. [appellant] en [appellante] waren bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd - en zijn ook thans nog - onafgebroken gehuwd.
beslissing

4

4.1.
[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg, samengevat, ieder voor zich gevorderd dat voor recht verklaard wordt dat het Fonds gehouden is aan ieder van hen per pensioendatum uit te betalen de zogenaamde "samenlooptoeslag" en dat het Fonds veroordeeld wordt tot betaling daarvan.
4.2.
De kantonrechter heeft deze vorderingen bij vonnis van 8 mei 2018 afgewezen. Uitgangspunt voor de kantonrechter was dat artikel 5 lid 1 Personeelswet aan [appellanten] c.s. een aanspraak geeft jegens het Fonds die in totaliteit in ieder geval gelijkwaardig is aan de aanspraak die ieder van hen had jegens het ABP. De aanspraken jegens het Fonds zijn neergelegd in de eigen reglementen van het Fonds. Deze reglementen kennen geen samenlooptoeslag toe aan een deelnemer. Daarop stuit de vordering af tenzij de reglementen van het Fonds de bij het ABP opgebouwde rechten van [appellanten] c.s. zodanig verkorten dat hun pensioenaanspraken niet gelijkwaardig zijn aan die welke [appellanten] c.s. hadden jegens het ABP. Die situatie doet zich echter niet voor omdat bij de bepaling van de pensioenrechten van de deelnemers in het Overgangsreglement rekening is gehouden met het bestaan van de (in de ABP-wet neergelegde) samenlooptoeslag. Die toeslag is namelijk verdisconteerd in de berekening van het zogenaamde minimumpensioen. Onweersproken is dat [appellanten] c.s. recht hebben op een hoger pensioen dan dat minimumpensioen. De opgebouwde pensioenvoorziening is daardoor gelijkwaardig aan die welke [appellanten] c.s. jegens het ABP hadden opgebouwd.
4.3
[appellanten] c.s. zijn het met deze beslissing van de kantonrechter niet eens. Zij vorderen in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van de kantonrechter van 8 mei 2018 te vernietigen en alsnog hun in eerste aanleg ingestelde vorderingen toe te wijzen, een en ander met veroordeling van het Fonds in de proceskosten van beide instanties.
overwegingen

5

Inleiding

5.1
[appellanten] c.s. hebben zes grieven aangevoerd tegen het vonnis van 8 mei 2018. Met die grieven leggen zij het geschil in volle omvang ter (her)beoordeling voor aan het hof. Die grieven worden om die reden gezamenlijk behandeld. De bezwaren van [appellanten] c.s. laten zich als volgt samenvatten:- de ABP-wet kende hun een samenlooptoeslag toe. Daarvan is bij het Fonds geen sprake meer. Reeds dat maakt dat van een "gelijkwaardige" voorziening (artikel 5 lid 1 Personeelswet) geen sprake is.- de ABP-wet kende geen minimumpensioen en bepaalde dus ook niet dat de samenlooptoeslag verviel indien een hoger pensioen werd genoten dan dat minimumpensioen. Het Overgangsreglement kent wel een minimumpensioen, maar het bestaan daarvan mocht het (onafhankelijk van een minimumpensioen bestaande) recht op samenlooptoeslag niet laten vervallen omdat de zonder samenlooptoeslag bestaande aanspraak jegens het Fonds daardoor niet meer gelijkwaardig was aan die jegens het ABP.- Indien bij de berekening van het minimumpensioen, zoals artikel VI lid 6 Overgangsreglement bepaalt, rekening is gehouden met de samenlooptoeslag, is dat niet van belang omdat de ABP-wet nu eenmaal geen minimumpensioen kende. - Uitgaande van de situatie per 31 december 1988 (dag voor de privatisering) is van een gelijkwaardige voorziening geen sprake. - De samenlooptoeslag is bovendien begrepen geweest in de waardeoverdracht van het ABP aan het Fonds. Door die niet uit te keren, steekt het Fonds dat deel van de waardeoverdracht dus feitelijk in eigen zak in plaats van het ten goede te laten komen aan de (daarvoor in aanmerking komende) deelnemers.- Echtparen die recht hadden op de samenlooptoeslag zijn benadeeld doordat zij geconfronteerd zijn met een dubbele AOW-korting waar anderen, die een partner hebben die niet ook bij ABP pensioen heeft opgebouwd, dat nadeel niet hebben. Als geen samenlooptoeslag wordt uitgekeerd ontstaat volgens [appellanten] c.s. opnieuw ongelijkheid.
5.2
Het Fonds heeft de grieven weersproken. Op de argumentatie van het Fonds wordt hierna ingegaan.
Beslissing

5.3
Met de kantonrechter komt het hof tot het oordeel en de beslissing dat de vorderingen van [appellanten] c.s. moeten worden afgewezen. Die beslissing wordt hierna gemotiveerd. Die motivering is als volgt opgebouwd;- de samenlooptoeslag onder de ABP-wet,- de pensioenaanspraken van Fonds-deelnemers,- de gelijkwaardigheid van de pensioenvoorziening: grondslag,- de gelijkwaardigheid van de pensioenvoorziening: feitelijke uitwerking.
De samenlooptoeslag onder de ABP-wet

5.4
[appellanten] c.s. zijn beiden werkzaam geweest bij de PTT. Hun pensioenvoorziening was ondergebracht bij het ABP. Bij de pensioenopbouw werd ermee rekening gehouden dat deelnemers ook recht kregen op AOW. Dat resulteerde in verminderde pensioenopbouw en wel aldus:a. periode 1966 tot 1 januari 1986De AOW werd ingebouwd in het pensioen. Per dienstjaar werd daardoor 2% van de AOW in mindering gebracht op het op te bouwen pensioen. Voor gehuwde vrouwen werd daarbij uitgegaan van een AOW voor niet gehuwden.b. periode 1 januari 1986 tot 1 januari 1995Het inbouwsysteem werd vervangen door een gedifferentieerd franchisesysteem. Over een deel van het loon (de franchise) werd geen pensioen opgebouwd. Onderscheid werd gemaakt tussen AOW voor gehuwden en AOW voor niet gehuwden.c. periode vanaf 1 januari 1995Het gedifferentieerde franchisesysteem werd vervangen door een uniform franchisesysteem. De koppeling met de AOW werd losgelaten. Dat betekent dat nu voor alle werknemers een gelijke franchise gold, namelijk de AOW-franchise voor ongehuwden.
5.5
Gehuwde deelnemers die beiden pensioen opbouwden bij het ABP (zoals [appellanten] c.s.) konden van het tot 1 januari 1995 geldende systeem nadeel ondervinden. Dat nadeel bestond hierin dat zij gezamenlijk met een grotere AOW-korting op hun pensioen werden geconfronteerd (via inbouw of franchise) dan gerechtvaardigd was op grond van de later aan hen als echtpaar uit te keren AOW.
5.6
De ABP-wet compenseerde gehuwden met samenvallende diensttijd voor dit nadeel. Voor periode a. werd het inbouwbedrag verminderd (artikel J14 ABP-wet). Voor periode b. werd een toeslag toegekend, de zogenaamde samenlooptoeslag (artikel F 7c ABP-wet). Vanaf 1 januari 1995 (periode c.) bestond het nadeel niet meer. Aan de samenlooptoeslag waren voorwaarden verbonden, te weten:- beide partners hebben gelijktijdig diensttijd in de pensioenregeling van het ABPopgebouwd;- de partners zijn nog steeds partners in de zin van de AOW-wet;- uitkering vanaf het moment dat de jongste partner de AOW-gerechtigde leeftijd heeftbereikt.
De pensioenaanspraken van Fondsdeelnemers

5.7
De PTT werd op 1 januari 1989 geprivatiseerd. De regeling van de gevolgen van die privatisering voor de werknemers is neergelegd in de Personeelswet. De pensioenrechten van de werknemers werden per die datum overgeheveld van het ABP naar (de rechtsvoorganger van) het Fonds. Hun aanspraken jegens het ABP vervielen (artikel 5 lid 2 Personeelswet). De inhoud van de (vervangende) aanspraken jegens het Fonds werd, behalve in de eigen reglementen van het Fonds die geen samenlooptoeslag kennen, vastgelegd in het Overgangsreglement. Dat Overgangsreglement voorziet niet in de toekenning van een samenlooptoeslag. Ook de Personeelswet voorziet daarin niet. Aan (de tekst van) Personeelswet noch Overgangsreglement kunnen [appellanten] c.s. dus aanspraak op een dergelijke toeslag ontlenen.
Gelijkwaardigheid: grondslag

5.8
Ruimte voor toekenning van een samenlooptoeslag (althans een schadevergoeding overeenkomend met het bedrag van de samenlooptoeslag) zou om die reden slechts gevonden kunnen worden indien het Overgangsreglement voor [appellanten] c.s. aanspraken in het leven roept die niet gelijkwaardig zijn aan de aanspraken die zij hadden jegens het ABP. Die gelijkwaardigheid is immers de kern van artikel 5 lid 1 Personeelswet.

5.9
Voorop staat dat de Personeelswet aan "" aanspraken toekent die "" had op 31 december 1988 (de dag voorafgaand aan de privatisering). Deze formulering kan niet anders betekenen - het Fonds en [appellanten] c.s. hebben het tegendeel ook niet betoogd - dan dat de gelijkwaardigheid op individueel niveau van de deelnemer moet worden beoordeeld. Als moment van beoordeling heeft te gelden de pensioendatum van [appellanten] c.s. De samenlooptoeslag die het ABP kende zou immers pas op dat moment tot uitkering zijn gekomen als de ABP-regeling van toepassing was gebleven omdat niet eerder dan op dat moment vaststond dat [appellanten] c.s. voldeden aan de voorwaarden voor toekenning.
5.10
Om de gelijkwaardigheid te kunnen beoordelen zal dus de situatie zoals die zou zijn geweest op pensioendatum bij het ABP vergeleken moeten worden met de situatie zoals die feitelijk is geworden bij het Fonds. Van gelijkwaardigheid is dan geen sprake indien de pensioenvoorziening van het Fonds (wezenlijk) slechter is dan de pensioenvoorziening zoals die bij het ABP geweest zou zijn indien [appellanten] c.s. deelnemer bij het ABP gebleven waren.
5.11
Voor deze beoordeling is niet van belang nader te onderzoeken of de samenlooptoeslag nu als pensioen of (slechts) als toeslag moet worden beschouwd. De aanspraken van [appellanten] c.s. jegens ABP zouden op pensioendatum zijn geweest een bedrag dat werd uitgekeerd als "pensioen" en een bedrag dat werd uitgekeerd als "samenlooptoeslag". De som van die twee bedragen was hun aanspraak. Het Fonds kent slechts één aanspraak, namelijk "pensioen". Het (totaal)bedrag waarop [appellanten] c.s. aanspraak hadden jegens het ABP zal dus moeten worden vergeleken met het totaalbedrag waarop zij recht hebben jegens het Fonds. Als daarin een (wezenlijk) verschil optreedt, is van gelijkwaardigheid geen sprake.
5.12
Het enkele feit dat de reglementen van het Fonds en het Overgangsreglement niet voorzien in de toekenning van een samenlooptoeslag door het Fonds (waar het ABP wel voorzag in een dergelijke toeslag) is derhalve onvoldoende voor de conclusie dat van gelijkwaardigheid geen sprake is. Ten gronde is dit het punt dat [appellanten] c.s. anders zien. Hun visie negeert echter dat de Personeelswet geen aanspraken jegens het Fonds in het leven heeft geroepen die zijn aan de aanspraken die zij hadden jegens het ABP, maar aanspraken die daaraan zijn. Met andere woorden: het stond het Fonds vrij ervan af te zien een pensioenvoorziening in het leven te roepen die recht gaf zowel op "pensioen" als op "samenlooptoeslag" zolang het Fonds maar ervoor zorgde dat individuele deelnemers er niet (wezenlijk) op achteruit gingen ten opzichte van de hypothetische eindsituatie bij het ABP op pensioendatum. In de memorie van toelichting op de Personeelswet is dit uitgangspunt ook treffend verwoord:
"Op onderdelen van de rechtspositie zullen dus wel verschillen kunnen optreden. In dit verband kan bijv. worden gedacht aan andere salarisschalen en aan een andere bruto-nettosalarisberekening. Het uitgangspunt van gelijkwaardigheid zal wat betreft de pensioenvoorziening bovendien dusdanig moeten worden uitgewerkt dat deze voorziening voor elk personeelslid - ondanks verschillen op onderdelen - in totaliteit tenminste op hetzelfde niveau uitkomt als op de laatste dag van de kalendermaand voorafgaand aan de overgangsdatum in de ambtelijke situatie."

(Tweede Kamer, vergaderjaar 1987-1988, 20368, nr.3, p. 2)
Gelijkwaardigheid: feitelijke uitwerking

5.13
In het Overgangsreglement (artikel VI) is de figuur gecreëerd van het "minimumouderdomspensioen". Daarmee is bedoeld vast te leggen op welk pensioen een individuele deelnemer op pensioendatum recht zou hebben gehad indien hij tot die datum had opgebouwd bij het ABP en aan die deelnemer te garanderen dat hij van het Fonds op pensioendatum in ieder geval een pensioenbedrag zou ontvangen dat gelijk was aan dat specifiek voor zijn of haar situatie berekende minimumouderdomspensioen. Afgezien van overige componenten - die op deze plaats niet van belang zijn - is dat minimumouderdomspensioen voor [appellanten] c.s. mede berekend op basis van de samenlooptoeslag die zij zouden hebben gehad bij ABP (artikel VI lid 6 Overgangsreglement). Die samenlooptoeslag was dus een het minimumouderdomspensioen verhogende factor.
5.14
Het Fonds heeft berekend op welk bedrag [appellanten] c.s. (aan pensioen en samenlooptoeslag gezamenlijk) recht gehad zouden hebben bij ABP. Als uitgangspunt is telkens genomen wat tot 1 januari 1989 aan pensioen was opgebouwd bij het ABP vermeerderd met fictieve opbouw daarna tot pensioendatum én vermeerderd met de samenlooptoeslag. De berekening kent drie varianten ten aanzien van de periode waarover de samenlooptoeslag in de berekening is betrokken. Die periodes en het op basis daarvan berekende minimumouderdomspensioen (aangegeven in euro's bruto per jaar) zijn hierna vermeld.
[appellant]

a. aanspraak met samenlooptoeslag berekend over de periode van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995 5.361,80b. aanspraak met samenlooptoeslag berekend over de periode van5 december 1977 tot 1 januari 1995 6.527,58c. aanspraak ook berekend over gedeeltelijke opbouw na 1 januari 1995 8.093,71
[appellante]

a. aanspraak met samenlooptoeslag berekend over de periode van 1 januari 1986 tot 1 januari 1995 3.773,33b. aanspraak met samenlooptoeslag berekend over de periode van 5 december 1977 tot 1 januari 1995 4.939,11c. aanspraak ook berekend over gedeeltelijke opbouw na 1 januari 1995 6.180,83
5.15
[appellanten] c.s. hebben het hoger beroep ingestoken vanuit de gedachte dat pensioen en toeslag gescheiden grootheden zijn en dat het minimumouderdomspensioen niet van belang is omdat de ABP-wet een dergelijk pensioen niet kende. De feitelijke vaststelling dat zij op pensioendatum jegens het ABP recht gehad zouden hebben op de zojuist genoemde bedragen is door hen in hoger beroep echter niet betwist. Ook in eerste aanleg is van een onderbouwde betwisting geen sprake geweest. Bij herhaling is betoogd dat het minimumouderdomspensioen niet van belang is voor deze zaak, maar dat zij bij het ABP recht gehad zouden hebben op een hoger bedrag aan pensioen vermeerderd met samenlooptoeslag dan hiervoor genoemd is niet onderbouwd, laat staan concreet berekend. Gevolg is dat ervan uitgegaan moet worden dat [appellanten] c.s. op pensioendatum jegens het ABP recht gehad zouden hebben op tenminste het laagste en maximaal het hoogste van de genoemde bedragen. Een keuze maken tussen bedrag a, b of c is niet nodig, zoals hierna zal blijken.
5.16
Het Fonds heeft ook berekend op welk bedrag [appellanten] c.s. per pensioendatum aanspraak hebben gekregen jegens het Fonds. Voor [appellanten] is dat € 9.205,40 bruto per jaar. Voor [appellanten] -van Pol is dat € 6.282,40 bruto per jaar. Beiden hebben dus jegens het Fonds een hogere aanspraak verkregen dan zij jegens het ABP maximaal zouden hebben verkregen. Dat betekent dat voor hen een (betere dan) gelijkwaardige aanspraak jegens het Fonds is ontstaan in de zin van artikel 5 lid 1 Personeelswet. Bij hun vorderingen hebben zij dan ook geen belang. Bij deze stand van zaken is het niet nodig nog in te gaan op de vraag of in de waardeoverdracht van ABP naar het Fonds de samenlooptoeslag was begrepen of niet. In beide gevallen blijft immers staan het oordeel dat [appellanten] c.s. een aanspraak jegens het Fonds hebben gerealiseerd die (beter dan) gelijkwaardig is aan hun (hypothetische) aanspraak jegens het ABP.
5.17
[appellanten] c.s. stellen nog dat zij benadeeld zijn doordat zij geconfronteerd zijn met een dubbele AOW-korting waar anderen, die een partner hebben die niet ook bij ABP pensioen heeft opgebouwd, dat nadeel niet hebben. Als geen samenlooptoeslag wordt uitgekeerd ontstaat volgens [appellanten] c.s. opnieuw ongelijkheid.Dat niet-PTT-echtparen, die bij ABP zijn gebleven en aan de voorwaarden voldoen, wél een samenlooptoeslag ontvangen maakt niet dat sprake is van ongelijke behandeling omdat hun situatie nu eenmaal niet gelijk is aan de situatie van PTT-echtparen die zijn overgegaan naar het Fonds. Bij het Fonds worden alle PTT-echtparen gelijk behandeld door de samenlooptoeslag te betrekken in de berekening van het voor iedere deelnemer individueel geldende minimumouderdomspensioen en vervolgens op basis van de bij het Fonds gerealiseerde pensioenopbouw hetzij dat minimumouderdomspensioen hetzij het hoger opgebouwde pensioen uit te keren.
beslissing

6

6.1.
De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
6.2.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten aan de zijde van het Fonds zullen worden vastgesteld op € 726,- voor verschotten en € 2.148,- voor salaris advocaat.
beslissing

7

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 8 mei 2018;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van het Fonds vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, M.E.L. Fikkers en W.F. Boele en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.