Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:249

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:249, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-001424-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2020:249:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001424-17 Uitspraak d.d.: 10 januari 2020TEGENSPRAAK
Verkort arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 maart 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-880065-15 en 05-780045-15, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep

De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld, maar het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep is op 28 maart 2017 bij akte ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 14 november 2018, 13 november 2019, 20 november 2019, 27 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het hem in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 2 tenlastegelegde en van het hem in de zaak met parketnummer 05-780045-15 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraken staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte in de zaak met parketnummer 05-880065-15 – kort gezegd en zakelijk weergegeven – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, wegens afpersing in vereniging van [benadeelde 1] (feit 1), het medeplegen van oplichting van de houtzagerij [bedrijf 1] (feit 3), afpersing in vereniging van [benadeelde 2] (feit 4), mensenhandel in vereniging, meermalen gepleegd ten opzichte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 5), het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 6) en het deelnemen aan een criminele organisatie (feit 7).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

- een kop koffie bij die [benadeelde 1] in het gezicht gooide en/of (vervolgens) - een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 1] heeft gezet en/of gehouden en daarbij de woorden heeft geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” en/of (vervolgens) - ( terwijl die [benadeelde 1] werd vastgehouden) één of meerdere klap(pen) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [benadeelde 1] heeft gegeven;
- een kop koffie bij die [benadeelde 1] in het gezicht gooide en/of (vervolgens) - een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 1] heeft gezet en/of gehouden en daarbij de woorden heeft geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” en/of (vervolgens) - ( terwijl die [benadeelde 1] werd vastgehouden) één of meerdere klappen) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, die [benadeelde 1] heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- een kop koffie bij die [benadeelde 1] in het gezicht heeft/hebben gegooid en/of (vervolgens) - een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 1] heeft/hebben gezet en/of gehouden en daarbij de woorden heeft/hebben geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” en/of (vervolgens) - ( terwijl die [benadeelde 1] werd vastgehouden) één of meerdere klap(pen) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, die [benadeelde 1] heeft/hebben gegeven;
- dat hij, verdachte of één van zijn mededader(s), [benadeelde 1] en/of de eigenaar van [bedrijf 2] was en/of bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] , en/of (tevens) - een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 2] heeft/hebben getoond en/of - dat hij/zij een partij hout nodig had(den) voor een nieuw te bouwen schuur en/of - het aankoopbedrag ten bedrage van 34.743,99 euro, althans enig geldbedrag, op zondag 2 februari 2014 gestort zou worden op het bankrekeningnummer behorende bij deze houtzagerij en/of - het benodigde hout op een aanhangwagen heeft/hebben geladen en daarmee weg is/zijn gereden en/of - ( vervolgens) diverse materialen heeft/hebben opgehaald en/of deze op de aanhangwagen heeft/hebben geladen en/of daarmee is/zijn weggereden, waardoor de houtzagerij [bedrijf 1] , althans [eigenaar zagerij] , (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
4.hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 maart 2014 te Voorthuizen, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 2] te dwingen tot de afgifte van (een) personenauto('s) van het merk Audi A3 en/of Suzuki Swift, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) – zakelijk weergegeven – dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) hem een mes toonde(n);
5.hij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 3 februari 20l5 te Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
- ( seks)advertenties op internet geplaatst en/of - de klanten naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gebracht en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bij klanten gebracht en/of - gecontroleerd hoeveel klanten die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] had(den) en/of hoeveel geld ze daarmee had(den) verdiend en/of betaalafspraken gemaakt met de klanten en/of - het door [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] verdiende geld (deels) ingenomen en/of beheerd en/of (deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik en/of - de werktijden van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] als prostituee(s) bepaald en/of - meerdere condooms verstrekt aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of - één of meerdere auto-kentekens op naam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezet en/of - de mobiele telefoon en/of privé-contacten van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gecontroleerd en/of de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] afgepakt en/of in beslaggenomen (teneinde haar/hun privéleven te kunnen beheersen);
6.hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 3 februari 2015, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door) (telkens) een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en), (in totaal zijnde een geldbedrag van ongeveer 48.300,-), te verwerven en/of voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van die/dat geldbedrag(en) gebruik te maken, terwijl hij en/of verdachtes mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dat geldbedrag(en), (telkens) – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
7.hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 3 februari 2015 te Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, heeft/hebben deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerking van natuurlijke en/of rechtsperso(o)n (en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen plegen van- oplichting (artikel 326 Sr) en/of - afpersing (artikel 317 Sr) en/of - bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Sr) en/of - mensenhandel (artikel 273f Sr) en/of - ( een gewoonte maken van) witwassen (artikel 420bis jo 420ter Sr).Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde – in de zaak met parketnummer 05-880065-15 ten laste gelegd dat:

althans voor zover voor het vorenstaande onder het primair ten laste gelegde geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 10 januari 2014 te Apeldoorn, althans te Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] te dwingen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) van 25.000,- euro en/of 15.000,- euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), dan wel [benadeelde 1] te dwingen tot het aangaan van een schuld, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) – zakelijk weergegeven – dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

althans voorzover voor het vorenstaande onder het subsidiair ten laste gelegde veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meer subsidiair, dat

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2013 tot en met 10 januari 2014, althans op of omstreeks 24 december 2013. te Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde 1] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

althans, voor zover voor het vorengaande onder het primair ten laste gelegde geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 januari 2014 tot en met 15 februari 2014 te Harskamp en/of Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen, een hoeveelheid hout (voor een totaal bedrag van ongeveer 34.743,99 euro, althans enig geldbedrag), terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dit, deze door oplichting, althans enig misdrijf, was/waren verkregen;

door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten , en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , en/of

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met en/of voor een derde ,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

Vrijspraak van het onder 4 en 6 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 4 en 6 tenlastegelegde. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat [benadeelde 2] onder bedreiging met een mes gedwongen is om twee auto’s af te staan ter compensatie van de in beslag genomen BMW (feit 4). De eerste verklaring van [benadeelde 2] is betrouwbaar, geloofwaardig en wordt op essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De advocaat-generaal acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van gewoontewitwassen (feit 6). Hoewel er geen direct bewijs is ten aanzien van over de herkomst van het geld, is er wel een vermoeden van witwassen en dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft geen verklaring afgelegd en het onder 6 ten laste gelegde witwassen kan derhalve bewezen worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 4 en 6 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het (mede)plegen van afpersing van [benadeelde 2] (feit 4) en voor het (mede)plegen van witwassen (feit 6).
Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 4 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende

Ten aanzien van feit 4

Naar aanleiding van de inbeslagname van een BMW 328 heeft verbalisant [verbalisant 1] op 2 april 2014 telefonisch contact gehad met [benadeelde 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van dit telefoongesprek volgt dat [benadeelde 2] , de eigenaar van autobedrijf [bedrijf 3] te Voorthuizen, sinds de inbeslagname van een BMW 328 wordt bedreigd en geïntimideerd door [mededader 1] . Op enig moment is [mededader 1] met onder andere [verdachte] , [mededader 2] , [mededader 3] , [mededader 4] en ene [mededader 5] naar het autobedrijf van [benadeelde 2] gegaan. [benadeelde 2] heeft toen onder bedreiging van een mes twee auto’s afgestaan aan [mededader 1] ter compensatie van de inbeslaggenomen BMW. [mededader 3] zou daarbij [benadeelde 2] hebben bedreigd met een mes.

Op 25 november 2016 heeft [benadeelde 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat er wel woordenwisselingen zijn geweest over het hoe en wat rond de auto. [benadeelde 2] verklaart dat hij destijds tegen de verbalisant zou hebben gezegd dat tegen hem, [benadeelde 2] , is gezegd dat hij de auto moest vergoeden en als hij dat niet zou doen dat hij daar dan wel achter zou komen, maar hij stelt niet tegen de verbalisant te hebben gezegd dat hij bedreigd en/of geïntimideerd is. Bij de rechter-commissaris verklaart [benadeelde 2] bovendien dat het niet is gegaan zoals in het proces-verbaal is opgenomen. Hij is niet bedreigd met een mes als het gaat over een BMW 328.

Het hof overweegt dat [benadeelde 2] bij de rechter-commissaris het verhaal zoals dit is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen niet alleen nader toelicht maar op van belang zijnde punten ook in belangrijke mate nuanceert en zelfs op geheel andere wijze daarover verklaart. De verklaring van [benadeelde 2] bij de rechter-commissaris levert naar het oordeel van het hof in elk geval geen bevestiging op van genoemd proces-verbaal van bevindingen en kan derhalve niet dienen als steunbewijs voor de stelling dat verdachte [benadeelde 2] bedreigd heeft met een mes waardoor [benadeelde 2] gedwongen werd tot afgifte van een Audi A3 en/of Suzuki Swift. In dit verband is van belang vast te stellen dat de tenlastelegging op zodanige wijze is geformuleerd dat een bewezenverklaring van de tenlastegelegde afpersing slechts mogelijk is indien kan worden bewezen dat er voorafgaand aan het moment van de afgifte een mes is gehanteerd door verdachte en of een van zijn mededader(s). Daarvoor ontbreekt wettig en overtuigend bewijs. Meergenoemd proces-verbaal van bevindingen laat naar het oordeel van het hof de mogelijkheid open dat de door [benadeelde 2] in het telefoongesprek met verbalisant [verbalisant 1] gedane uitspraken niet nauwkeurig op papier terecht zijn gekomen en dat sprake is geweest van miscommunicatie of misinterpretatie.
Het hof is derhalve van oordeel dat, bij gebreke van andere bewijsmiddelen, niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van afpersing van [benadeelde 2] en zal verdachte vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 6

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis en 420ter Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid specifiek misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] , [getuige 1] en [getuige 2]



De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 1] , [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn en dat een bewezenverklaring niet kan worden gestoeld op deze getuigenverklaringen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [getuige 1] op belangrijke punten te veel van elkaar verschillen zodat de verklaring van [getuige 1] niet als steunbewijs voor de aangifte van [benadeelde 1] kan worden gebruikt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde 1] , [getuige 1] en [getuige 2] wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Die verklaringen zijn (voor zover deze worden gebezigd voor het bewijs) consistent en komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen. Het hof acht die verklaringen in zoverre geloofwaardig.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 1, 3, 5 en 7 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 3, 5 en 7 tenlastegelegde. Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de afpersing van [benadeelde 1] (feit 1). Hij was aanwezig en vervulde een gewelddadige rol door te slaan en getalsmatig te versterken en te dreigen. Voor wat betreft de oplichting van houtzagerij [bedrijf 1] (feit 3) is de advocaat-generaal het eens met de uitvoerige overwegingen inzake het bewijs van de rechtbank. Ter zake van de mensenhandel (feit 5) stelt de advocaat-generaal dat de verklaringen van [slachtoffer 1] zoals deze bij de politie zijn afgelegd consistent zijn en op grote lijnen overeenkomen. Dat er op detailniveau verschillen zijn, doet hieraan niets af. Bovendien wordt de verklaring van [slachtoffer 1] door verschillende bewijsmiddelen ondersteund zodat mensenhandel kan worden bewezen. Voor wat betreft de mensenhandel jegens [slachtoffer 2] stelt de advocaat-generaal dat zij niet vrijwillig werkte als prostituee en haar verdiensten moest afstaan. Tot slot stelt de advocaat-generaal met betrekking tot feit 7 dat gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen een bewezenverklaring en veroordeling op grond artikel 140 Wetboek van Strafrecht dient te volgen.
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1, 3, 5 en 7 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat niet is gebleken van enige betrokkenheid of wetenschap van/bij verdachte ten aanzien van de afpersing van [benadeelde 1] (feit 1) en dat verdachte ook niet betrokken is geweest bij de oplichting van houtzagerij [bedrijf 1] (feit 3). Met betrekking tot de tenlastegelegde mensenhandel (feit 5) heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedwongen in de prostitutie hebben gewerkt en dat verdachte hen heeft uitgebuit. Ter zake van de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie (feit 7) heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband is geweest en aldus geen sprake van een samenwerking ten behoeve van een criminele organisatie.
Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Voorafgaande opmerking

Het hof gaat er – evenals de rechtbank – van uit dat, waar verklaard wordt over ‘ [mededader 1] ’ of ‘ [mededader 1] ’, [mededader 1] wordt bedoeld en dat wanneer verklaard wordt over ‘ [mededader 3] ’, ‘ [mededader 3] ’ of ‘ [mededader 3] ’, daarmee [mededader 3] wordt bedoeld.

Ten aanzien van feit 1

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 6 januari 2014 heeft [benadeelde 1] aangifte gedaan van afpersing. Hij heeft verklaard dat hij op 24 december 2013 in de middag naar zijn zaak op [adres] te Apeldoorn ging. [getuige 2] had hem namelijk gebeld dat [betrokkene 1] op de zaak was en een onderpand wilde voor de schuld die [getuige 2] aan [betrokkene 1] had. Toen [benadeelde 1] op de zaak kwam zag hij dat [mededader 1] en de jongen met het zwarte haar met piercing in de lip bij het bedrijf rond liepen. Kort nadat [betrokkene 1] was vertrokken werd [benadeelde 1] aangevallen door [mededader 1] . Er was een man van Molukse afkomst bij die “ [mededader 3] ” of “ [mededader 3] ” werd genoemd en die op een gegeven moment van [mededader 1] een pistool op het hoofd van [benadeelde 1] moest zetten. [mededader 3] haalde een pistool uit de binnenkant van zijn jas en zette die op het hoofd van [benadeelde 1] . [mededader 3] riep: “Zeg dat je betaalt” en “Anders haal ik de trekker over”. Ondertussen kwam [verdachte] erbij. [mededader 1] hield [benadeelde 1] vast en [verdachte] gaf [benadeelde 1] klappen op zijn hoofd. [benadeelde 1] voelde direct pijn en bloedde uit zijn oor. Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde 1] verklaard dat hij, toen [mededader 3] het pistool op zijn hoofd zette, heeft gezegd: “Als jij mij een pistool tegen mijn hoofd zet dan zeg ik je dat ik je € 25.000,- schuldig ben. Een kogel is mij minder waard dan € 25.000,-.”. Nadat [benadeelde 1] zei dat hij ging betalen heeft [mededader 3] het pistool weer bij zich gestoken. Vervolgens riep [mededader 1] dat hij [benadeelde 1] onder vier ogen wilde spreken en zijn ze naar het kantoor gegaan. [benadeelde 1] kreeg toen een document te zien waarin stond dat hij een schuld had van € 15.000,-. [getuige 1] had als getuige meegetekend. Omdat [benadeelde 1] de baas was van [getuige 2] zou hij de schade van [getuige 2] moeten regelen.

Deze verklaring van [benadeelde 1] wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] en [betrokkene 1] . [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat [benadeelde 1] – na een telefoontje van [getuige 2] – naar [adres] kwam omdat [getuige 2] een schuld aan [betrokkene 1] had en [betrokkene 1] betaald moest worden. Toen [benadeelde 1] op [adres] kwam, waren [mededader 3] , [verdachte] , [mededader 5] (), [mededader 1] , [getuige 2] en [getuige 1] daar. Het liep compleet uit de hand, aldus [getuige 1] . [benadeelde 1] heeft een pak slaag gehad en [mededader 3] heeft een pistool op het hoofd van [benadeelde 1] gezet. Er zijn daarbij ook bedreigingen geuit. [getuige 1] heeft voorts verklaard over een schuldbekentenis van € 15.000,- van [getuige 2] die hij als getuige heeft getekend. Gezegd werd dat die schuldverklaring alle problemen tussen [benadeelde 1] en [getuige 2] zouden oplossen. [betrokkene 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die middag op het bedrijf was van [getuige 2] . Hij zag allemaal mensen en die mensen gingen met [benadeelde 1] in discussie. Hij hoorde van [getuige 2] dat er trammelant was.

Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan afpersing van [benadeelde 1] waarbij een pistool tegen het hoofd van [benadeelde 1] is gezet en die [benadeelde 1] is bedreigd en waarbij [benadeelde 1] ook op zijn hoofd is geslagen waardoor hij bloedde uit zijn oor. [benadeelde 1] is zodoende door geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot het aangaan van een schuld. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan deze afpersing. Het hof acht aldus het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

[eigenaar zagerij] heeft namens houtzagerij [bedrijf 1] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat een persoon die zich voordeed als ‘ [benadeelde 1] ’ in de periode van 31 januari 2014 tot en met 3 februari 2014 diverse malen bij hem hout heeft gekocht en opgehaald voor een bedrag van in totaal € 36.472,66 (€ 8.061,18 + € 12.255,81 + € 16.155,68). De man had een uittreksel van de Kamer van Koophandel bij zich van het bedrijf [bedrijf 2] , [adres] te Apeldoorn. Aangever heeft ondanks de gemaakte afspraken geen geld van ‘ [benadeelde 1] ’ ontvangen.

Uit de verklaringen van [getuige 2] blijkt dat [getuige 2] zich onder druk van [mededader 1] en [verdachte] bedrijven heeft opgelicht. Hij moest van [mededader 1] en [verdachte] de zaak ‘beflikkeren’ Onder druk moest hij bij bedrijven op rekening kopen op naam van [bedrijf 2] ; ‘Ze gingen gewoon bedrijven af. Ze zochten naar eenmansbedrijven die er wel in zouden stinken’. Onder anderen [verdachte] en [mededader 1] hebben gezegd ‘Die [benadeelde 1] heeft ons bij de politie genoemd, nu gaat hij ervoor bloeden’.Onder meer de houtzagerij [bedrijf 1] is opgelicht, aldus [getuige 2] . [mededader 1] en [verdachte] regelden de aanhanger. [getuige 2] heeft meerdere malen met verschillende personen hout opgehaald bij [bedrijf 1] . [mededader 1] en [verdachte] namen het hout in ontvangst. De laatste keer ging [getuige 2] samen met [getuige 1] hout ophalen. Een deel van het hout ging naar de [adres] te Apeldoorn, en de rest van het hout ging naar Dronten. Op de [adres] is het hout gebruikt voor een schutting, de schuur en om de caravan af te schermen.
De verklaring van [getuige 2] vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft verklaard dat hij bij de [adres] te Apeldoorn kwam en dat hij drie aanhangwagens zag met nieuwe houten planken. [mededader 1] en [verdachte] hielpen mee met het lossen. Het hout uit een van de aanhangers werd aan de achterzijde van de woning naast de schuur geplaatst. De andere twee aanhangers moesten naar Dronten toe, waar deze aanhangers gelost werden op een industrieterrein. Nadat deze aanhangers gelost waren zijn [getuige 2] en [getuige 1] nog een keer een lading hout gaan halen. Zij zijn toen met de Volkswagen Caddy en de aanhanger naar Harskamp gereden. [getuige 1] hoorde later van [getuige 2] dat al het hout was besteld op naam van [bedrijf 2] .

Van de camerabeelden van de betreffende periode uit de Houtzagerij zijn screenshotsgemaakt. De persoon die [eigenaar zagerij] aanwees als de persoon die zich voorstelde als ‘ [benadeelde 1] ’ werd door verbalisanten herkend als [getuige 2] . De persoon die op 3 februari 2014 met ‘ [benadeelde 1] ’ mee kwam werd door een verbalisant herkend als [getuige 1] .
Bij het binnentreden van de woning aan de [adres] te Apeldoorn werd gezien dat bij deze woning een grote partij hout, een houten tuinset en andere materialen stonden. Deze goederen werden in beslag genomen. Bij de inbeslagname zag verbalisant [verbalisant 2] dat bij het huis aan de [adres] te Apeldoorn een nieuwe schutting was gemaakt en een groot tuinhuis. Ook was er een verbinding gemaakt tussen het woonhuis en de schuur. Voor de schutting, het tuinhuis en de verbinding was gebruik gemaakt van blank hout. De in beslag genomen grote partij hout, een houten tuinset en diverse andere materialen werden door aangever [eigenaar zagerij] bekeken en hij herkende deze als afkomstig uit zijn zagerij.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat aangever [eigenaar zagerij] op 14 februari 2014 een telefoontje kreeg van een klant die hem een grote partij hout aanbood. Dit materiaal zou staan in een loods aan de [adres] te Dronten. Toen deze klant vervolgens in Dronten in de betreffende loods ging kijken, zag hij dat er een grote partij hout en andere materialen stond, waarbij hij direct zag dat het van [bedrijf 1] [eigenaar zagerij] afkomstig was. Hij zag dat aan de manier waarop het hout verpakt was.

Gelet op vorenstaande in onderling(e) verband en in samenhang met de eventueel nog uit te werken bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt om houtzagerij [bedrijf 1] te bewegen tot afgifte van hout en bijbehorende goederen door gebruik te maken van een valse naam, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Het hof is aldus van oordeel dat sprake is van het medeplegen van oplichting van houtzagerij [bedrijf 1] en acht het onder 3 primair tenlastegelegde bewezen. Omdat het totaalbedrag van de weggenomen goederen uitkomt op € 36.472,67, en in de tenlastelegging een lager bedrag is genoemd, zal het hof – evenals de rechtbank – ‘enig geldbedrag’ bewezen verklaren.

Ten aanzien van feit 5: mensenhandel jegens [slachtoffer 1]

Met betrekking tot de vaststelling van de feiten sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank zoals deze zijn opgenomen in het vonnis. Het hof stelt aldus op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast:

[slachtoffer 1] is gedurende de periode van 1 februari 2013 tot medio december 2014 werkzaam geweest als prostituee. Ze heeft dat werk de eerste twee maanden gecombineerd met haar werk bij [thuiszorgorganisatie] in de thuiszorg. Daarna heeft ze haar baan in de thuiszorg opgezegd. Zij heeft prostitutiewerkzaamheden verricht in een chalet op camping [naam camping] te [plaats] , in een flat aan de [adres] te [plaats] , in hotel [naam hotel] te [plaats] , in een pand aan [adres] te [plaats] , in een pand aan [adres] te [plaats] , in een pand aan [adres] te [plaats] en in een pand aan de [adres] te [plaats] .
Het hof stelt voorop dat de vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van “uitbuiting” in de zin van artikel 273f, eerste lid Sr, niet in algemene termen is te beantwoorden, maar sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij vrijwillig in de prostitutie is gaan werken om de schulden van haar inmiddels ex-vriend af te kunnen betalen. Ze heeft gereageerd op een advertentie op [internet site] van iemand die wist hoe het in de prostitutie werkte; er werd een veilige werkomgeving, vervoer, een adres, eten en drinken en een grote klantenkring geboden. [slachtoffer 1] heeft afgesproken op het station in Apeldoorn en de jongens kwamen haar in een zwarte auto ophalen. Ook daarna haalden ze haar op als ze moest werken. De jongens waren [verdachte] en [mededader 5] . Met hen is ze de eerste keer naar een chalethuisje op camping [naam camping] in [plaats] gereden. Ze heeft meteen die eerste dag een klant ontvangen in het chalet van een van de jongens. De klant betaalde € 100,- . [slachtoffer 1] heeft daar zelf € 50,- aan overgehouden. Het was in eerste instantie de bedoeling dat de verdiensten 50/50 verdeeld zouden worden. Later zei [verdachte] tegen [slachtoffer 1] dat ze het geld aan hem moest geven, dat hij het zou verdelen en als [slachtoffer 1] geld nodig heeft dat ze het aan hem kon vragen. Als [slachtoffer 1] dan vervolgens om geld vroeg kreeg ze te horen: “Denk je nou echt dat je zoveel geld verdiend hebt. Het is allemaal op, de huur moet hier betaald worden.” Op de [adres] wilde [verdachte] dat [slachtoffer 1] twee/derde van haar verdiensten zou afstaan. De verklaring van [slachtoffer 1] dat zij het geld aan [verdachte] moest afstaan vindt bevestiging in de verklaring van [slachtoffer 2] die ook als prostituee werkzaam was. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 1] het geld aan [verdachte] gaf. Voorts wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] . [getuige 2] heeft verklaard dat één prostituee [naam] heette. Ze was klein, net een Chinees, mager en een grote bril op de kop. Ze kwam uit Apeldoorn en was rond de 22/24 jaar oud. [verdachte] zou tegen [getuige 1] hebben gezegd dat zij het geld verdiende om hem aan het vreten te houden. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat dat [verdachte] hem zelf had verteld dat zijn geld bij [slachtoffer 1] vandaan kwam en dat hij geld verdiende van de vrouwtjes.

[slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat ze in eerste instantie geen moeite had met het werk, maar op een gegeven moment ging het naar een ‘moeten’. Er waren dagen dat ze niet wilde werken, maar dat [verdachte] dan heel boos werd. Hij begon te schelden, zei tegen [slachtoffer 1] dat ze haar thuis zouden komen halen, haar vriend dood zouden schieten, haar vriend over het balkon zouden gooien en haar alles af zouden pakken wat haar lief was. Ze werd eerst meerdere keren gebeld en als ze niet op nam of niet snel genoeg was dan stonden [verdachte] en [mededader 5] daadwerkelijk aan de deur. Door deze bedreigingen ging [slachtoffer 1] uiteindelijk wel werken. Als de bedreigingen er niet waren geweest, was ze niet gaan werken op de dagen dat ze niet wilde. [slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat zij bang was voor [verdachte] . [verdachte] kon verbaal nogal agressief uit de hoek komen. Die agressie was dan ook tegen [slachtoffer 1] gericht. Om alles rustig te houden heeft [slachtoffer 1] gewoon gedaan wat ze wilden. Ook op dit punt wordt de verklaring van [slachtoffer 1] ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft namelijk verklaard dat [verdachte] erg agressief was als hij boos werd. [slachtoffer 2] heeft voorts verklaard dat zij nog weet dat [slachtoffer 1] een keer niet kon werken en dat [verdachte] toen helemaal tekeer ging aan de telefoon. Uiteindelijk is [slachtoffer 1] toen toch gekomen, hebben ze heel erge ruzie gehad en moest zij toch werken.

Het hof overweegt dat hoewel [slachtoffer 1] dus niet alle dagen wilde werken als prostituee (en zij dit ook tegen de verdachte heeft gezegd) zij toch ging werken omdat verdachte erg boos en verbaal agressief kon worden in de richting van [slachtoffer 1] als zij zei dat ze niet wilde werken. Ook werden zij of haar vriend door verdachte bedreigd. Het feit dat verdachte – onder bovengenoemde omstandigheden – [slachtoffer 1] heeft aangezet tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden maakt dat sprake is van seksuele uitbuiting. Verdachte heeft door middel van dwang, dreiging met geweld, dreiging met andere feitelijkheden, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer 1] gedwongen en/of bewogen zich te blijven prostitueren. Een dergelijke situatie valt onder het bereik van artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr. Onder dezelfde omstandigheden heeft verdachte haar naar haar werkplek of klanten vervoerd (artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr).

Het hof overweegt voorts met betrekking tot de verdeling van de inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] dat deze in eerste instantie volgens de verdeelsleutel 50/50 zouden worden verdeeld. Later moest ze echter al het geld wat ze verdiende aan [verdachte] geven en zou [verdachte] het geld naar zijn zeggen verdelen. Als [slachtoffer 1] geld nodig had zou ze het volgens [verdachte] aan hem kunnen vragen, maar wanneer [slachtoffer 1] vervolgens om geld vroeg kreeg ze te horen: “Denk je nou echt dat je zoveel geld verdiend hebt. Het is allemaal op, de huur moet hier betaald worden.” Op de [adres] wilde [verdachte] dat [slachtoffer 1] twee/derde van haar verdiensten zou afstaan. Een situatie waarin een prostituee (als gevolg van misbruik van een kwetsbare positie en/of overwicht van de verdachte) slechts een beperkt deel van haar verdiensten mag behouden, levert in de regel financiële uitbuiting op, zoals strafbaar is gesteld in artikel 273f, eerste lid, sub 9 Sr. Verdachte heeft tevens voordeel getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] (artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr).
Door de verdediging is aangevoerd dat [slachtoffer 1] niet de waarheid spreekt en dat haar verklaringen diverse tegenstrijdigheden bevatten. Het hof is echter van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] op belangrijke onderdelen consistent zijn en bovendien – zoals hier boven uiteengezet – ondersteund worden door de verklaringen van anderen – waaronder collega-prostituee [slachtoffer 2] – zodat het hof geen redenen ziet om aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen te twijfelen.

Ten aanzien van feit 5: vrijspraak mensenhandel jegens [slachtoffer 2]

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] die zij bij de politie heeft afgelegd, volgt dat zij door toedoen van verdachte niet steeds vrijwillig prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Zij kon niet stoppen met het werk, omdat de verdachte dan boos zou worden en ook heeft zij zonder condoom gewerkt, omdat dat van verdachte moest. Bij de rechter-commissaris heeft zij echter verklaard dat verdachte vaak boos was, maar niet op haar en ook heeft zij toen verklaard dat zij alleen tegen de politie (en dus niet tegen anderen waaronder verdachte) heeft gezegd dat ze het werk met tegenzin deed. Uit de verklaring die [slachtoffer 2] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris volgt niet dat [slachtoffer 2] door verdachte is gedwongen dan wel met gebruikmaking van een dwangmiddel is bewogen zich te prostitueren of werkzaamheden te verrichten die zij niet wilde. Ook volgt daaruit niet dat [slachtoffer 2] als gevolg van een dwangmiddel haar verdiensten afstond aan verdachte. Er zijn voorts geen andere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] werd uitgebuit. Het hof acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (met een ander of anderen) [slachtoffer 2] seksueel of financieel heeft uitgebuit en spreekt de verdachte vrij van de ten laste gelegde mensenhandel voor zover deze betrekking heeft op [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van feit 7

Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 3 februari 2015 samengewerkt met anderen bij het plegen van verschillende strafbare feiten, waaronder de bewezenverklaarde feiten, namelijk: afpersing in vereniging van [benadeelde 1] (feit 1), het medeplegen van oplichting van de houtzagerij [bedrijf 1] (feit 3) en mensenhandel in vereniging van [slachtoffer 1] (feit 5). Bij het plegen van deze strafbare feiten is sprake geweest van een zekere taakverdeling. Voor wat betreft die taakverdeling overweegt het hof dat verdachte met betrekking tot de mensenhandel een leidinggevende rol had en dat hij ten aanzien van de andere strafbare feiten een belangrijke rol speelde binnen de organisatie. Zo heeft [getuige 1] over de samenstelling van de organisatie verklaard dat [mededader 1] de generaal is, net daaronder zit [verdachte] . Als [mededader 5] bij [verdachte] is, kan hij worden gezien als een soort officier, maar zonder [verdachte] is [mededader 5] ook alleen maar een uitvoerder. [mededader 3] en [mededader 5] zijn de loopjongens.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het – in wisselende samenstelling – plegen van oplichting, afpersing en mensenhandel en aldus een aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot de verwezenlijking van het criminele oogmerk van die organisatie. Daarom acht het hof bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

Bewezenverklaring

1.hij op 24 december 2013 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot het aangaan van een schuld, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden – zakelijk weergegeven – dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)
- een kop koffie bij die [benadeelde 1] in het gezicht gooide en/of (vervolgens)

- een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 1] heeft gezet en gehouden en daarbij de woorden heeft geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” envervolgens- terwijl die [benadeelde 1] werd vastgehouden één of meerdere klappen tegen het hoofd, van die [benadeelde 1] heeft gegeven;
een of meerof omstreeksen/of te Apeldoornalthans te Nederland,een ander ofalthans alleen, ()/of een valse hoedanigheid en/of/ofalthans [eigenaar zagerij] ,/hebben(een totaal bedrag van ongeveer 34.743,99 euro, althans)()en/of listiglijk/of/ofalthans [eigenaar zagerij] ,
- dat hij, verdachte of één van zijn mededaders, [benadeelde 1] en de eigenaar van [bedrijf 2] was en bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] , entevens- een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 2] heeft/hebben getoond en- dat hij/zij een partij hout nodig had(den) voor een nieuw te bouwen schuur en- het aankoopbedrag op zondag 2 februari 2014 gestort zou worden op het bankrekeningnummer behorende bij deze houtzagerij
- het benodigde hout op een aanhangwagen heeft/hebben geladen en daarmee weg is/zijn gereden en/of

- (vervolgens) diverse materialen heeft/hebben opgehaald en/of deze op de aanhangwagen heeft/hebben geladen en/of daarmee is/zijn weggereden ,
5.hij, in de periode van 1 juni 2013 tot en met 19 december 2014 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander , een ander, te weten [slachtoffer 1]
- ( seks)advertenties op internet geplaatst en- de klanten naar die [slachtoffer 1] gebracht en die [slachtoffer 1] bij klanten gebracht en- gecontroleerd hoeveel klanten die [slachtoffer 1] had en/of hoeveel geld ze daarmee had verdiend en/of betaalafspraken gemaakt met de klanten en- het door [slachtoffer 1] verdiende geld ingenomen en beheerd en (deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik en- de werktijden van die [slachtoffer 1] bepaald en- meerdere condooms verstrekt aan die [slachtoffer 1] en
- één of meerdere auto-kentekens op naam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gezet en/of

- de mobiele telefoon en/of privé-contacten van die [slachtoffer 1] gecontroleerd en/of de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] afgepakt en/of in beslaggenomen teneinde haar privéleven te kunnen beheersen;
7.hij, in de periode van 1 februari 2013 tot en met 3 februari 2015 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerking van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen plegen van- oplichting (artikel 326 Sr) en- afpersing (artikel 317 Sr) en
- bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Sr) en/of

- mensenhandel (artikel 273f Sr) en
- (een gewoonte maken van) witwassen (artikel 420bisjo 420ter Sr)

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 1, 3, 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

door dwang en door dreiging met geweld en andere feitelijkheden, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie, heeft vervoerd, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] , en

(telkens)/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of/ofdoor fraude, afpersing, misleiding dan wel/ofen/of [slachtoffer 2]/hebbenarbeid en/ofen/of de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (sub 4)/of
(telkens)/hebben()en/of [slachtoffer 2] (sub 6) /of
(telkens)/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of/ofdoor fraude, afpersing, misleiding dan wel/ofen/of [slachtoffer 2]/hebben(s)/hun(sub 9)
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaderéén of meermalen

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 3 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van oplichting.

Het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 5 bewezen verklaarde levert op:
mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 7 bewezen verklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Door de rechtbank is aan verdachte een gevangenisstraf van zeven jaren opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van zeven jaren wordt opgelegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – dat verdachte gedurende een langere periode deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie en daarin samen met zijn vader en medeverdachte [mededader 1] een leidinggevende en bepalende rol heeft gehad. Binnen dit criminele samenwerkingsverband heeft verdachte zich ook daadwerkelijk, samen met een aantal anderen, schuldig gemaakt aan diverse strafbare feiten. Zo heeft verdachte samen met zijn medeverdachten [benadeelde 1] een schuldbekentenis afgeperst waarbij bij [benadeelde 1] een wapen op zijn hoofd is gezet en [benadeelde 1] ook is bedreigd en mishandeld. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte een zeer benauwende situatie doen ontstaan die door [benadeelde 1] niet alleen als zeer bedreigend en traumatisch is ervaren, maar ook letsel aan zijn oor tot gevolg heeft gehad. Verdachte heeft aldus een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van [benadeelde 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat bij dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid veelal gedurende lange tijd blijven bestaan. Feiten als de onderhavige dragen daarnaast bij aan algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Voorts heeft verdachte samen met anderen houtzagerij [bedrijf 1] op een slinkse en geraffineerde wijze voor een groot geldbedrag opgelicht en heeft hij zich schuldig gemaakt aan mensenhandel in vereniging jegens [slachtoffer 1] . Ondanks dat [slachtoffer 1] in eerste instantie vrijwillig in de prostitutie werkte heeft verdachte haar op de dagen dat zij niet wilde werken gedwongen om te werken. Door aldus te handelen heeft verdachte op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen hiervan voor de psychische en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] .
Mensenhandel is een ernstig feit, maar ter nuancering van de ernst in deze zaak merkt het hof nog het volgende op: Hoewel [slachtoffer 1] gedurende een langere periode prostitutiewerkzaamheden heeft verricht, betekent dat niet dat [slachtoffer 1] gedurende die gehele periode seksueel is uitgebuit. Het hof acht de seksuele uitbuiting alleen bewezen in het geval [slachtoffer 1] niet wilde werken, maar toch moest werken. Het hof gaat er vanuit dat [slachtoffer 1] in de meeste gevallen wel vrijwillig haar werkzaamheden verrichtte. Het hof heeft voorts naast de seksuele uitbuiting, de financiële uitbuiting bewezen verklaard omdat verdachte over de verdiensten ging en [slachtoffer 1] te weinig van het door haar verdiende geld weer terug kreeg van verdachte. Het hof gaat er echter ook van uit dat [slachtoffer 1] een niet onaanzienlijk deel van haar inkomsten wel terug kreeg van verdachte en naar eigen inzicht kon besteden.
Behalve uit oogpunt van vergelding, is ook uit oogpunt van generale en speciale preventie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Verdachte is blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 14 oktober 2019 eerder veroordeeld en heeft geen blijk gegeven het kwalijke van het bewezenverklaarde gedrag in te zien. Verdachte heeft bovendien andere personen betrokken bij zijn criminele activiteiten. Verdachte lijkt te verkeren in een omgeving waarin het zich verrijken ten koste van anderen als normaal wordt gezien.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en noodzakelijk is. Wel is die straf lager dan door de rechtbank is opgelegd en is geëist door de advocaat-generaal als gevolg van het feit dat het hof minder bewezen heeft verklaard.

De hof overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Het hof is van oordeel dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, nu het vonnis in eerste aanleg op 3 maart 2017 is gewezen. Weliswaar is een deel van dit tijdsverloop te verklaren door de grote omvang van de zaak en de samenhang met de zaken tegen meerdere medeverdachten, maar niet alle verstreken tijd tot aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep is daardoor gerechtvaardigd. Het hof is van oordeel dat hiermee sprake is van een schending van de redelijke termijn die matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben en zal daarom de overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf met twee maanden verkorten.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 52 maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft deze vordering ter terechtzitting in eerste aanleg aangepast tot een bedrag van € 1.500,- (uitsluitend immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, de slachtofferverklaring en het voegingsformulier met bijlagen is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg vanhet in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe dat voldoende aannemelijk is geworden dat benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte lichamelijk letsel en psychisch leed heeft ondervonden. In verband met de aard en de ernst van het letsel van de benadeelde partij en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof een bedrag van € 1.500,- aan smartengeld – zoals gevorderd door de benadeelde partij – alleszins redelijk en billijk. Verdachte is – samen met zijn mededaders – tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 291.115,96 (bestaande uit € 278.615,95 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 39.310,12 (bestaande uit € 33.310,12 materiële schade en € 6.000,- immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof overweegt ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van het toe te kennen bedrag dat uit het onderzoek is gebleken dat [slachtoffer 1] niet altijd onvrijwillig heeft gewerkt. Slechts wanneer zij niet wilde werken heeft verdachte haar door middel van bedreigingen gedwongen om te werken. Het hof acht evenwel aannemelijk geworden dat benadeelde partij als gevolg van dit handelen van de verdachte psychisch leed heeft ondervonden, maar acht – gelet op de aard en de ernst van het handelen van verdachte, het letsel van de benadeelde partij en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen – een bedrag van € 1.000,- aan smartengeld billijk. Verdachte is – samen met zijn mededader – tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Voor het overige kan het hof op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, niet vaststellen hoeveel dagen de benadeelde partij in een uitbuitingssituatie heeft gewerkt en wat zij daarbij aan verdachte heeft afgestaan. Zelfs een redelijke schatting van door haar als gevolg van de uitbuiting gederfde inkomsten – van welke schattingsbevoegdheid het hof in voorkomende gevallen gebruik kan maken indien een exacte berekening van de materiele schade niet mogelijk blijkt – is daardoor niet mogelijk. Het hof is aldus van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 140, 273f, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 2 en in de zaak met parketnummer 05-780045-15 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-880065-15 onder 1, 3, 5 en 7 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij