Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:248

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:248, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-001423-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2020:248:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001423-17 Uitspraak d.d.: 10 januari 2020TEGENSPRAAK
Verkort arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 3 maart 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-880062-15 en 05-109464-14, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 november 2019, 20 november 2019, 27 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Vlug, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van de impliciet cumulatieve ten laste gelegde oplichtingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (feit 5). Verdachte is voorts vrijgesproken van de impliciet cumulatief ten laste gelegde mensenhandel jegens [naam 1] (feit 7). Het hof is van oordeel dat daarmee sprake is van onherroepelijke deelvrijspraken waartegen het (onbeperkt ingestelde) hoger beroep zich niet kan richten. Het hof zal verdachte daarom in zoverre – partieel – niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
Voor wat betreft de in de bewezenverklaring doorgehaalde oplichting van [benadeelde 3] (feit 5) is het hof van oordeel dat er sprake is van een kennelijke vergissing, nu uit de bewijsoverweging van de rechtbank volgt dat de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [benadeelde 3] . Het hof is daarom van oordeel dat de onder feit 5 ten laste gelegde oplichting van [benadeelde 3] in hoger beroep aan de orde is.

Het vonnis waarvan beroep

In eerste aanleg is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In de zaak met parketnummer 05-880062-15 – kort gezegd en zakelijk weergegeven – wegens afpersing in vereniging van [benadeelde 4] (feit 1), het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 2), het medeplegen van bloemenwinkel [bedrijf 1] (feit 3), het medeplegen van oplichting van de houtzagerij [bedrijf 2] (feit 4), het medeplegen van oplichting van [bedrijf 3] en [benadeelde 3] (feit 5), afpersing in vereniging van [benadeelde 5] (feit 6), mensenhandel in vereniging jegens [slachtoffer 2] (feit 7), het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 7) en het deelnemen aan een criminele organisatie (feit 9). In de zaak met parketnummer 05-109464-14 is verdachte veroordeeld wegens belediging van verbalisanten (feit 1) en wederspannigheid (feit 2).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een deels andere bewijsbeslissing en een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

- een kop koffie bij die [benadeelde 4] in het gezicht gooide en/of (vervolgens) - een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 4] heeft gezet en/of gehouden en daarbij de woorden heeft geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” en/of (vervolgens) - ( terwijl die [benadeelde 4] werd vastgehouden) één of meerdere klap(pen) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, die [benadeelde 4] heeft gegeven; - een kop koffie bij die [benadeelde 4] in het gezicht gooide en/of (vervolgens) - een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 4] heeft gezet en/of gehouden en daarbij de woorden heeft geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” en/of (vervolgens) - ( terwijl die [benadeelde 4] werd vastgehouden) één of meerdere klap(pen) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, die [benadeelde 4] heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- een kop koffie bij die [benadeelde 4] in het gezicht heeft/hebben gegooid en/of vervolgens) - een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 4] heeft/hebben gezet en/of gehouden en daarbij de woorden heeft/hebben geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” en/of (vervolgens) - ( terwijl die [benadeelde 4] werd vastgehouden) één of meerdere klap(pen) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, die [benadeelde 4] heeft/hebben gegeven;
2.hij op of omstreeks 8 januari 2014 te Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben mishandeld door een persoon (te weten [slachtoffer 1] ), te duwen en/of (met gebalde vuist) meermalen, althans eenmaal te slaan op/of tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] , waardoor deze [slachtoffer 1] letsel en/of pijn heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
- hij, verdachte of één van zijn mededader(s), een autobedrijf ging(en) openen en dat zij daarvoor goederen uit de bloemenwinkel nodig hadden en/of - de rekening verzonden kon worden naar het bedrijf [bedrijf 4] , gevestigd aan [adres] te Apeldoorn waardoor de bloemenwinkel [bedrijf 1] , althans [winkel eigenaresse] , werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
4. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 januari 2014 tot en met 15 februari 2014 te Harskamp en/of te Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de houtzagerij [bedrijf 2] , althans [zagerij eigenaar] , heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid hout (voor een totaal bedrag van ongeveer 34.743,99 euro, althans enig geldbedrag) hierin bestaande dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid heeft/hebben verteld aan de houtzagerij [bedrijf 2] , althans [zagerij eigenaar] , - dat hij, verdachte of één van zijn mededader(s), [benadeelde 4] en/of de eigenaar van [bedrijf 4] was en/of bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] , en/of (tevens) - een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 4] heeft/hebben getoond en/of - dat hij/zij een partij hout nodig had(den) voor een nieuw te bouwen schuur en/of - het aankoopbedrag ten bedrage van 34.743,99 euro, althans enig geldbedrag, op zondag 2 februari 2014 gestort zou worden op het bankrekeningnummer behorende bij deze houtzagerij en/of - het benodigde hout op een aanhangwagen heeft/hebben geladen en daarmee weg is/zijn gereden en/of - ( vervolgens) diverse materialen heeft/hebben opgehaald en/of deze op de aanhangwagen heeft/hebben geladen en/of daarmee is/zijn weggereden, waardoor de houtzagerij [bedrijf 2] , althans [zagerij eigenaar] , (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
5.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2013 tot en met 6 februari 2014 te ‘s-Hertogenbosch en/of Twello en/of Apeldoorn en/of Klarenbeek, althans te Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3] en/of [benadeelde 3] , heeft/hebben bewogen tot de afgifte van - notebooks en/of tablets en/of printers (voor een totaal bedrag van ongeveer 3968,47 euro, althans enig geldbedrag) en/of verfblikken en/of aanverwante producten (voor een totaal bedrag van 12.467,02 euro, althans enig geldbedrag) hierin bestaande dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid heeft/hebben verteld aan [bedrijf 3] en/of [benadeelde 3] - dat hij, verdachte of één van zijn mededader(s), [benadeelde 4] en/of eigenaar van [bedrijf 4] was en/of bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] , en/of (tevens) - een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 4] heeft/hebben getoond en/of waardoor deze bedrijven, (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
- ( seks)advertenties op internet geplaatst en/of - de klanten naar die [slachtoffer 2] gebracht en/of die [slachtoffer 2] bij klanten gebracht en/of - gecontroleerd hoeveel klanten die [slachtoffer 2] had en/of hoeveel geld ze daarmee had verdiend en/of betaalafspraken gemaakt met de klanten en/of - het door [slachtoffer 2] verdiende geld (deels) ingenomen en/of beheerd en/of (deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik en/of - de werktijden van die [slachtoffer 2] als prostituee bepaald en/of - meerdere condooms verstrekt aan die [slachtoffer 2] en/of - één of meerdere auto-kentekens op naam van die [slachtoffer 2] gezet en/of - de mobiele telefoon en/of privé-contacten van die [slachtoffer 2] gecontroleerd en/of de mobiele telefoon van die [slachtoffer 2] afgepakt en/of in beslaggenomen (teneinde haar/hun privéleven te kunnen beheersen);
8.hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 juli 2014 tot en met 3 februari 2015, te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door) (telkens) een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en), (in totaal zijnde een geldbedrag van ongeveer 48.300,-), te verwerven en/of voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van die/dat geldbedrag(en) gebruik te maken, terwijl hij en/of verdachtes mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dis/dat geldbedrag(en), (telkens) – onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
9.hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 3 februari 2015 te Apeldoorn, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, heeft/hebben deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerking van natuurlijke en/of rechtsperso(o)n (en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het meermalen plegen van - oplichting (artikel 326 Sr) en/of - afpersing (artikel 317 Sr) en/of - bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Sr) en/of - mensenhandel (artikel 273f Sr) en/of - ( een gewoonte maken van) witwassen (artikel 420bis jo 420ter Sr).
1. hij op of omstreeks 13 mei 2014 te Apeldoorn opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten een of meer verbalisant(en) van de politie Regio Noord- en Oost Gelderland (te weten NOG00519 en/of NOG02284 en/of NOG02756), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “kankerlijers” en/of “vuile kanker honden”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op of omstreeks 13 mei 2014 te Apeldoorn, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden en/of door een of meermalen slaande beweging(en) te maken naar of in de richting van die dienstdoende politieambtena(a)r(en).

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog van belang– ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-880062-15:

althans voor zover voor het vorenstaande onder het primair ten laste gelegde geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat
althans voor zover voor het vorenstaande onder het subsidiair ten laste gelegde veroordeling mocht of zou kunnen volgen, meer subsidiair, dat
althans, voor zover voor het vorenstaande onder het primair ten laste gelegde geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat
althans, voor zover voor het vorenstaande onder het primair ten laste gelegde geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, subsidiair, dat
door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 2] , en/of

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, die [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten , en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer 2] , en/of

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, die [slachtoffer 2] heeft/hebben bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar/hun seksuele handelingen met en/of voor een derde ,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

Zaak met parketnummer 05-109464-14 (gevoegd):

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak in de zaak met parketnummer 05-880062-15 onder 6, 7 en 8 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 6, 7 en 8 tenlastegelegde. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat [benadeelde 5] onder bedreiging met een mes gedwongen is om twee auto’s af te staan ter compensatie van de in beslag genomen BMW (feit 6). De eerste verklaring van [benadeelde 5] is betrouwbaar, geloofwaardig en wordt op essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. De advocaat-generaal stelt voorts dat uit de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier naar voren komen blijkt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] ten aanzien van de mensenhandel van [slachtoffer 2] (feit 7). Tevens acht de advocaat-generaal wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is van gewoontewitwassen (feit 8).
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 6, 7 en 8 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van het medeplegen van afpersing van [benadeelde 5] (feit 6). Voor wat betreft de ten laste gelegde mensenhandel jegens [slachtoffer 2] (feit 7) heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 2] met grote voorzichtigheid moet worden bekeken en dat zij de beschuldigen jegens [verdachte] niet concretiseert. Daarnaast kan het oogmerk van uitbuiting niet worden bewezen. Ten aanzien van het witwassen heeft de raadsman gesteld dat de criminele herkomst van het geld niet bewezen kan worden verklaard (feit 8).
Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-880062-15 onder 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Ten aanzien van feit 6

Naar aanleiding van de inbeslagname van een BMW 328 heeft verbalisant [verbalisant 1] op 2 april 2014 telefonisch contact gehad met [benadeelde 5] . Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van dit telefoongesprek volgt dat [benadeelde 5] , de eigenaar van autobedrijf [autobedrijf] te Voorthuizen, sinds de inbeslagname van een BMW 328 wordt bedreigd en geïntimideerd door [verdachte] . Op enig moment is [verdachte] met onder andere [medeverdachte] , [mededader 1] , [mededader 2] , [mededader 3] en ene [mededader 4] naar het autobedrijf van [benadeelde 5] gegaan. [benadeelde 5] heeft toen onder bedreiging van een mes twee auto’s afgestaan aan [verdachte] ter compensatie van de inbeslaggenomen BMW. [mededader 2] zou daarbij [benadeelde 5] hebben bedreigd met een mes.

Op 25 november 2016 heeft [benadeelde 5] bij de rechter-commissaris verklaard dat er wel woordenwisselingen zijn geweest over het hoe en wat rond de auto. [benadeelde 5] verklaart dat hij destijds tegen de verbalisant zou hebben gezegd dat tegen hem, [benadeelde 5] , is gezegd dat hij de auto moest vergoeden en als hij dat niet zou doen dat hij daar dan wel achter zou komen, maar hij stelt niet tegen de verbalisant te hebben gezegd dat hij bedreigd en/of geïntimideerd is. Bij de rechter-commissaris verklaart [benadeelde 5] bovendien dat het niet is gegaan zoals in het proces-verbaal is opgenomen. Hij is niet bedreigd met een mes als het gaat over een BMW 328.

Het hof overweegt dat [benadeelde 5] bij de rechter-commissaris het verhaal zoals dit is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen niet alleen nader toelicht maar op van belang zijnde punten ook in belangrijke mate nuanceert en zelfs op geheel andere wijze daarover verklaart. De verklaring van [benadeelde 5] bij de rechter-commissaris levert naar het oordeel van het hof in elk geval geen bevestiging op van genoemd proces-verbaal van bevindingen en kan derhalve niet dienen als steunbewijs voor de stelling dat verdachte [benadeelde 5] bedreigd heeft met een mes waardoor [benadeelde 5] gedwongen werd tot afgifte van een Audi A3 en/of Suzuki Swift. In dit verband is van belang vast te stellen dat de tenlastelegging op zodanige wijze is geformuleerd dat een bewezenverklaring van de tenlastegelegde afpersing slechts mogelijk is indien kan worden bewezen dat er voorafgaand aan het moment van de afgifte een mes is gehanteerd door verdachte en of een van zijn mededader(s). Daarvoor ontbreekt wettig en overtuigend bewijs. Meergenoemd proces-verbaal van bevindingen laat naar het oordeel van het hof de mogelijkheid open dat de door [benadeelde 5] in het telefoongesprek met verbalisant [verbalisant 1] gedane uitspraken niet nauwkeurig op papier terecht zijn gekomen en dat sprake is geweest van miscommunicatie of misinterpretatie.
Het hof is derhalve van oordeel dat, bij gebreke van andere bewijsmiddelen, niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van afpersing van [benadeelde 5] en zal verdachte vrijspreken van het onder 6 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 7

Het hof kan op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat [slachtoffer 2] bij het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden (mede) door toedoen of betrokkenheid van de verdachte in een uitbuitingssituatie is beland, dan wel dat het haar is belet of moeilijk gemaakt zich daaraan te onttrekken.

Zo heeft [slachtoffer 2] over de rol van verdachte bij de politie verklaard dat hij in eerste instantie heel open en vriendelijk was, dat hij vaak langs kwam op haar werkadressen, dat hij zei dat ze het moest zeggen als ze geld nodig had en dat hij zei dat als ze wilde stoppen met dit werk ze dan moest stoppen. Het hof acht aldus niet worden bewezen dat verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen [slachtoffer 2] (seksueel of financieel) heeft uitgebuit. De verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte dreigde om haar toenmalige vriend in elkaar te slaan wordt door haar niet specifiek in verband gebracht met de seksuele en/of financiële uitbuiting zoals deze volgens haar plaatsvond. Eerder lijkt het er op dat verdachte deze uitlatingen deed omdat [slachtoffer 2] door haar toenmalige vriend werd mishandeld en verdachte die toenmalige vriend een lesje wilde leren.

Het hof is van oordeel dat mede gelet op het voorgaande ook niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van de uitbuitingssituatie waarin [slachtoffer 2] zich bevond dan wel dat kan worden aangenomen dat hij daarvan redelijkerwijs moet hebben geweten. Nu onvoldoende is gebleken dat verdachte [slachtoffer 2] , al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft uitgebuit of dat hij hier het oogmerk op had, dan wel dat hij enige vorm van wetenschap had van die uitbuitingssituatie en de beschikking heeft gekregen over (een deel van) haar verdiensten, spreekt het hof de verdachte vrij van de ten laste gelegde mensenhandel jegens [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van feit 8

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis en 420ter Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid specifiek misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat het in de tenlastelegging gneomede geldbedrag geen legale herkomst heeft, kan op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn gebleken uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting, naar oordeel van het hof niet zonder meer worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag, uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het ten laste gelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 4] , [getuige 1] en [getuige 2]




De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 4] , [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn en dat een bewezenverklaring niet kan worden gestoeld op deze getuigenverklaringen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 4] en [getuige 1] op belangrijke punten te veel van elkaar verschillen zodat de verklaring van [getuige 1] niet als steunbewijs voor de aangifte van [benadeelde 4] kan worden gebruikt.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde 4] , [getuige 1] en [getuige 2] wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Die verklaringen zijn (voor zover deze worden gebezigd voor het bewijs) consistent en komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen. Het hof acht die verklaringen in zoverre geloofwaardig.

Overweging met betrekking tot het bewijs in de zaak met parketnummer 05-880062-15 onder 1, 2, 3, 4, 5 en 9 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 9 tenlastegelegde. Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de afpersing van [benadeelde 4] (feit 1). De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] zijn consistent en vinden op essentiële punten steun in de overige getuigenverklaringen. Verdachte heeft zich voorts voorgedaan als ‘ [benadeelde 4] ’ en was derhalve een van de drie daders die [slachtoffer 1] heeft mishandeld (feit 2). Bewezenverklaring van de oplichting van [bedrijf 1] ligt volgens de advocaat-generaal eveneens in de rede (feit 3). [verdachte] en [medeverdachte] hebben opdracht gegeven tot het plegen van dit feit. Voor wat betreft de oplichting van houtzagerij [bedrijf 2] (feit 4) en de oplichting van [bedrijf 3] en [benadeelde 3] (feit 5) sluit de advocaat-generaal zich aan bij de overwegingen inzake het bewijs en de beoordeling van de rechtbank. Tot slot stelt de advocaat-generaal dat, gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, een bewezenverklaring en kwalificatie op grond van artikel 140 Wetboek van Strafrecht dient te volgen (feit 9).
Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1, 2, 3, 4, 5 en 9 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat alleen Diepenveen heeft verklaard dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] geslagen zou hebben. Er is daarnaast nauwelijks enig onderzoek gedaan naar het incident (feit 2). Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat herkenning van twee potten door [winkel eigenaresse] niet kan leiden tot een bewezenverklaring en dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij een en ander heeft gedaan in opdracht van [benadeelde 4] (feit 3). [getuige 2] heeft voorts ook [bedrijf 3] opgelicht en heeft er dus alle belang bij om de schuld af te schuiven op verdachte (feit 5). Met betrekking tot de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat indien verdachte wordt vrijgesproken van de mensenhandel een groot deel van de bewijsmiddelen voor het bewijs van een criminele organisatie vervalt (feit 9).
Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Voorafgaande opmerking

Het hof gaat er – evenals de rechtbank – van uit dat, waar verklaard wordt over ‘ [verdachte] ’ of ‘ [verdachte] ’, [verdachte] wordt bedoeld en dat wanneer verklaard wordt over ‘ [mededader 2] ’, ‘ [mededader 2] ’ of ‘ [mededader 2] ’, daarmee [mededader 2] wordt bedoeld.

Ten aanzien van feit 1

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 6 januari 2014 heeft [benadeelde 4] aangifte gedaan van afpersing. Hij heeft verklaard dat hij op 24 december 2013 in de middag naar zijn zaak op [adres] te Apeldoorn ging. [getuige 2] had hem namelijk gebeld dat [naam 2] op de zaak was en een onderpand wilde voor de schuld die [getuige 2] aan [naam 2] had. Toen [benadeelde 4] op de zaak kwam zag hij dat [verdachte] en de jongen met het zwarte haar met piercing in de lip bij het bedrijf rond liepen. Kort nadat [naam 2] was vertrokken werd [benadeelde 4] aangevallen door [verdachte] . Er was een man van Molukse afkomst bij die “ [mededader 2] ” of “ [mededader 2] ” werd genoemd en die op een gegeven moment van [verdachte] een pistool op het hoofd van [benadeelde 4] moest zetten. [mededader 2] haalde een pistool uit de binnenkant van zijn jas en zette die op het hoofd van [benadeelde 4] . [mededader 2] riep: “Zeg dat je betaalt” en “Anders haal ik de trekker over”. Ondertussen kwam [medeverdachte] erbij. [verdachte] hield [benadeelde 4] vast en [medeverdachte] gaf [benadeelde 4] klappen op zijn hoofd. [benadeelde 4] voelde direct pijn en bloedde uit zijn oor. Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde 4] verklaard dat hij, toen [mededader 2] het pistool op zijn hoofd zette, heeft gezegd: “Als jij mij een pistool tegen mijn hoofd zet dan zeg ik je dat ik je € 25.000,- schuldig ben. Een kogel is mij minder waard dan € 25.000,-.”. Nadat [benadeelde 4] zei dat hij ging betalen heeft [mededader 2] het pistool weer bij zich gestoken. Vervolgens riep [verdachte] dat hij [benadeelde 4] onder vier ogen wilde spreken en zijn ze naar het kantoor gegaan. [benadeelde 4] kreeg toen een document te zien waarin stond dat hij een schuld had van € 15.000,-. [getuige 1] had als getuige meegetekend. Omdat [benadeelde 4] de baas was van [getuige 2] zou hij de schade van [getuige 2] moeten regelen.

Deze verklaring van [benadeelde 4] wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 1] en [naam 2] . [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat [benadeelde 4] – na een telefoontje van [getuige 2] – naar [adres] kwam omdat [getuige 2] een schuld aan [naam 2] had en [naam 2] betaald moest worden. Toen [benadeelde 4] op [adres] kwam, waren [mededader 2] , [medeverdachte] , [mededader 4] , [verdachte] , [getuige 2] en [getuige 1] daar. Het liep compleet uit de hand, aldus [getuige 1] . [benadeelde 4] heeft een pak slaag gehad en [mededader 2] heeft een pistool op het hoofd van [benadeelde 4] gezet. Er zijn daarbij ook bedreigingen geuit. [getuige 1] heeft voorts verklaard over een schuldbekentenis van € 15.000,- van [getuige 2] die hij als getuige heeft getekend. Gezegd werd dat die schuldverklaring alle problemen tussen [benadeelde 4] en [getuige 2] zouden oplossen. [naam 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die middag op het bedrijf was van [getuige 2] . Hij zag allemaal mensen en die mensen gingen met [benadeelde 4] in discussie. Hij hoorde van [getuige 2] dat er trammelant was.

Gelet op de bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten zich schudlig hebben gemaakt aan afpersing van [benadeelde 4] waarbij een pistool tegen het hoofd van [benadeelde 4] is gezet en die [benadeelde 4] is bedreigd en waarbij [benadeelde 4] ook op zijn hoofd is geslagen waardoor hij bloedde uit zijn oor. [benadeelde 4] is zodoende door geweld en bedreiging met geweld gedwongen tot het aangaan van een schuld. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan deze afpersing. Het hof acht aldus het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat op 8 januari 2014 bij het bedrijf van [slachtoffer 1] genaamd [bedrijf 5] te Veenendaal een grote bestelling werd gedaan door het bedrijf [bedrijf 4] gevestigd op [adres] te Apeldoorn, welke in eigendom toebehoorde aan [benadeelde 4] . Omdat [slachtoffer 1] het niet vertrouwde en het vermoeden had dat een ex-klant, [getuige 2] , hier iets mee van doen had, besloot [slachtoffer 1] naar de [adres] te rijden. Zijn vertegenwoordiger, [vertegenwoordiger] , ging met hem mee. Ter hoogte van nummer 30 zag [vertegenwoordiger] de rode bus van [getuige 2] staan. Vervolgens kwam er een persoon aanlopen die [vertegenwoordiger] herkende als [getuige 2] . [slachtoffer 1] zag nog een persoon en vroeg hem of hij de heer [benadeelde 4] was. De man zei: “Ja, wat heb je hier te zoeken?” Toen [slachtoffer 1] zei dat hij nog geld kreeg van [getuige 2] duwde de man die zichzelf ‘ [benadeelde 4] ’ noemde hem. ‘ [benadeelde 4] ’ ging in gevechtshouding staan en sloeg [slachtoffer 1] op zijn mond. [slachtoffer 1] draaide om en daar stond een andere man. De man ging niet aan de kant. ‘ [benadeelde 4] ’ sloeg [slachtoffer 1] vervolgens meermalen in zijn gezicht. [slachtoffer 1] werd op zijn neus, wang en mond geslagen. Er kwam nog een man bij. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat alle drie mannen hem hebben geslagen. Door de mishandeling bloedde [slachtoffer 1] in zijn gezicht. Hij zag en voelde dat zijn lip gescheurd was en dat zijn wang dik was. Het deed pijn. [slachtoffer 1] is dezelfde dag naar de eerste hulp gegaan alwaar de wond aan zijn lip werd gehecht. Ook had hij een pijnlijke kaak.

Getuige [vertegenwoordiger] heeft verklaard dat hij op 8 januari 2014 samen met zijn baas [slachtoffer 1] naar [adres] te Apeldoorn ging. Op de oprit van dit adres zag hij een rood busje staan. [vertegenwoordiger] wist dat [getuige 2] een soortgelijk busje had. Vervolgens zag [vertegenwoordiger] [getuige 2] staan. [slachtoffer 1] zei toen tegen [getuige 2] dat hij een bestelling had gedaan waarop [getuige 2] zei dat hij de bestelling moest doen van zijn baas, de heer [benadeelde 4] . Er kwamen drie mannen bij. [vertegenwoordiger] hoorde toen iemand roepen die zei dat hij de heer [benadeelde 4] was en hij zag dat [slachtoffer 1] naar deze man liep. [slachtoffer 1] werd door de andere mannen ingesloten. Vervolgens kreeg [slachtoffer 1] een duw en heeft hij meerdere vuistslagen op zijn gezicht gekregen. [slachtoffer 1] is vooral geslagen door de heer [benadeelde 4] . [vertegenwoordiger] en [slachtoffer 1] zijn na het incident gelijk naar het politiebureau gereden.

[getuige 1] heeft uit eigen waarneming verklaard over een akkefietje op de [adres] te Apeldoorn met een schuldeiser uit Veenendaal bij wie [getuige 2] een schuld had. Er kwamen toen twee mannen met een Range Rover bij de [adres] . [getuige 2] liep naar de mannen toe en gaf een van de mannen een hand. Die man vroeg om zijn geld en daarop liep [verdachte] naar die man toe. [verdachte] kreeg ruzie met de man. [getuige 1] heeft verklaard dat de man een pak op zijn donder kreeg van [verdachte] . Hij ging tegen de grond en bloedde in zijn gezicht. Het bloed spoot hem uit de bek. Die man liep daarna terug naar de Range Rover, stapte in en de twee mannen reden weg. [getuige 1] heeft verder verklaard dat [getuige 2] toen van [verdachte] naar het politiebureau moest om aangifte te doen. Bij het bureau stond de Range Rover. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] op essentiële punten overeenkomt en in lijn is met de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaring van [vertegenwoordiger] .

Gelet op vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft voorgedaan als [benadeelde 4] en [slachtoffer 1] heeft geduwd en geslagen. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de getuigenverklaring van [vertegenwoordiger] volgt voorts dat er meerdere mannen waren die [slachtoffer 1] hebben geslagen. Het hof acht derhalve – evenals de rechtbank – het medeplegen van de mishandeling van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 6 februari 2014 kwamen twee mannen bij [bedrijf 1] in Apeldoorn. Eén van de mannen vertelde aan de eigenaresse, [winkel eigenaresse] dat hij een autobedrijf aan [adres] in Apeldoorn ging openen en dat hij de zaak wilde inrichten. Daartoe wilde hij diverse goederen op rekening meenemen. De rekening kon naar het bedrijf [bedrijf 4] gestuurd worden. [bedrijf 1] leverde vaker op rekening en ging akkoord. De ene man wees daarop allemaal goederen aan en de tweede man pakte de spullen en liep ermee naar buiten. De goederen werden in de laadbak van een Volkswagen Caddy gezet. In totaal namen de mannen voor een bedrag van € 1.169,- aan goederen mee. Ze namen vazen, potten, zuilen, kransen en bloemen mee. De Volkswagen Caddy had als kenteken [kenteken] . Toen de mannen weg waren kreeg [winkel eigenaresse] na een tijdje een onrustig gevoel en is zij naar het adres [adres] te Apeldoorn gereden. Zij zag toen dat het pand helemaal leeg stond en er borden met ‘te huur’ stonden. De camerabeelden van [bedrijf 1] van de bewuste dag werden uitgekeken en op de beelden werden door de verbalisant de hem ambtshalve bekende [getuige 2] en [mededader 4] herkend als de personen die op 6 februari 2014 in de bloemenwinkel de goederen meenamen. Op aan haar door de politie getoonde interieurfoto’s gemaakt in de woning van verdachte herkent aangeefster een aantal voorwerpen dat door beide mannen is meegenomen.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat het [getuige 2] en [mededader 4] zijn geweest die [winkel eigenaresse] van [bedrijf 1] hebben bewogen tot afgifte van diverse vazen, potten, kransen en bloemen.

Met betrekking tot de rol van verdachte hierbij overweegt het hof dat uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat verdachte de baas was en dat hij [getuige 2] opdrachten gaf om eenmanszaken op te lichten. Zo heeft [getuige 2] verklaard dat hij onder dwang van [verdachte] () spullen moest bestellen. Hij moest van [verdachte] op rekening kopen op naam van [bedrijf 4] . Ze zochten daarvoor naar eenmanszaken die er wel in zouden stinken. [mededader 4] () zocht online bedrijven op waar dat makkelijk bij zou lukken. Dat deed hij vanaf [adres] te Apeldoorn. Het was de taak van [getuige 2] om op te lichten. Hij kreeg daartoe opdrachten van zowel [medeverdachte] als [verdachte] , aldus [getuige 2] . De verklaring van [getuige 2] vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat [getuige 2] op aandringen van [medeverdachte] en [verdachte] als een gek is gaan bestellen op naam van [bedrijf 4] . De goederen gingen naar [verdachte] . [verdachte] was de baas van het hele gebeuren.

Het hof overweegt voorts dat voorafgaand aan dit feit op soortgelijke wijze [bedrijf 2] is opgelicht door verdachte en zijn medeverdachten, waarbij eveneens gebruik is gemaakt is van de naam [bedrijf 4] . (zie de hieronder opgenomen bewijsoverweging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit). Vanwege de identieke modus operandi en de telkens daarbij betrokken personen worden de ten aanzien van de feiten 3 en 4 gebezigde bewijsmiddelen niet alleen afzonderlijk per feit maar ook over en weer tot bewijs gebruikt.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [mededader 4] en [getuige 2] om [bedrijf 1] te bewegen tot voornoemde afgifte door gebruik te maken van een valse naam, listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels.

Ten aanzien van feit 4

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

[zagerij eigenaar] heeft namens houtzagerij [bedrijf 2] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat een persoon die zich voordeed als ‘ [benadeelde 4] ’ in de periode van 31 januari 2014 tot en met 3 februari 2014 diverse malen bij hem hout heeft gekocht en opgehaald voor een bedrag van in totaal € 36.472,66 (€ 8.061,18 + € 12.255,81 + € 16.155,68). De man had een uittreksel van de Kamer van Koophandel bij zich van het bedrijf [bedrijf 4] , [adres] te Apeldoorn. Aangever heeft ondanks de gemaakte afspraken geen geld van ‘ [benadeelde 4] ’ ontvangen.

Met betrekking tot de rol van verdachte hierbij overweegt het hof dat uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat verdachte de baas was en dat hij [getuige 2] opdrachten gaf om eenmanszaken op te lichten. Zo heeft [getuige 2] verklaard dat hij onder dwang van [verdachte] () spullen moest bestellen. Hij moest van [verdachte] op rekening kopen op naam van [bedrijf 4] . Ze zochten daarvoor naar eenmanszaken die er wel in zouden stinken. [mededader 4] () zocht online bedrijven op waar dat makkelijk bij zou lukken. Dat deed hij vanaf [adres] te Apeldoorn. Het was de taak van [getuige 2] om op te lichten. Hij kreeg daartoe opdrachten van zowel [medeverdachte] als [verdachte] , aldus [getuige 2] . De verklaring van [getuige 2] vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat [getuige 2] op aandringen van [medeverdachte] en [verdachte] als een gek is gaan bestellen op naam van [bedrijf 4] . De goederen gingen naar [verdachte] . [verdachte] was de baas van het hele gebeuren.

Uit de verklaringen van [getuige 2] blijkt dat [getuige 2] zich onder druk van [verdachte] en [medeverdachte] bedrijven heeft opgelicht. Hij moest van [verdachte] en [medeverdachte] de zaak ‘beflikkeren’ Onder druk moest hij bij bedrijven op rekening kopen op naam van [bedrijf 4] ; ‘Ze gingen gewoon bedrijven af. Ze zochten naar eenmansbedrijven die er wel in zouden stinken’. Onder anderen [medeverdachte] en [verdachte] hebben gezegd ‘Die [benadeelde 4] heeft ons bij de politie genoemd, nu gaat hij ervoor bloeden’.Onder meer de houtzagerij [bedrijf 2] is opgelicht, aldus [getuige 2] . [verdachte] en [medeverdachte] regelden de aanhanger. [getuige 2] heeft meerdere malen met verschillende personen hout opgehaald bij [bedrijf 2] . [verdachte] en [medeverdachte] namen het hout in ontvangst. De laatste keer ging [getuige 2] samen met [getuige 1] hout ophalen. Een deel van het hout ging naar de [adres] te Apeldoorn, en de rest van het hout ging naar Dronten. Op de [adres] is het hout gebruikt voor een schutting, de schuur en om de caravan af te schermen.
De verklaring van [getuige 2] vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft verklaard dat hij bij de [adres] te Apeldoorn kwam en dat hij drie aanhangwagens zag met nieuwe houten planken. [verdachte] en [medeverdachte] hielpen mee met het lossen. Het hout uit een van de aanhangers werd aan de achterzijde van de woning naast de schuur geplaatst. De andere twee aanhangers moesten naar Dronten toe, waar deze aanhangers gelost werden op een industrieterrein. Nadat deze aanhangers gelost waren zijn [getuige 2] en [getuige 1] nog een keer een lading hout gaan halen. Zij zijn toen met de Volkswagen Caddy en de aanhanger naar Harskamp gereden. [getuige 1] hoorde later van [getuige 2] dat al het hout was besteld op naam van [bedrijf 4] . Dit was een idee van [verdachte] .

Van de camerabeelden van de betreffende periode uit de Houtzagerij zijn screenshotsgemaakt. De persoon die [zagerij eigenaar] aanwees als de persoon die zich voorstelde als ‘ [benadeelde 4] ’ werd door verbalisanten herkend als [getuige 2] . De persoon die op 3 februari 2014 met ‘ [benadeelde 4] ’ mee kwam werd door een verbalisant herkend als [getuige 1] .
Bij het binnentreden van de woning aan de [adres] te Apeldoorn werd gezien dat bij deze woning een grote partij hout, een houten tuinset en andere materialen stonden. Deze goederen werden in beslag genomen. Bij de inbeslagname zag verbalisant [verbalisant 2] dat bij het huis aan de [adres] te Apeldoorn een nieuwe schutting was gemaakt en een groot tuinhuis. Ook was er een verbinding gemaakt tussen het woonhuis en de schuur. Voor de schutting, het tuinhuis en de verbinding was gebruik gemaakt van blank hout. De in beslag genomen grote partij hout, een houten tuinset en diverse andere materialen werden door aangever [zagerij eigenaar] bekeken en hij herkende deze als afkomstig uit zijn zagerij.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat aangever [zagerij eigenaar] op 14 februari 2014 een telefoontje kreeg van een klant die hem een grote partij hout aanbood. Dit materiaal zou staan in een loods aan de [adres] te Dronten. Toen deze klant vervolgens in Dronten in de betreffende loods ging kijken, zag hij dat er een grote partij hout en andere materialen stond, waarbij hij direct zag dat het van [bedrijf 2] afkomstig was. Hij zag dat aan de manier waarop het hout verpakt was.

Gelet op vorenstaande in onderling(e) verband en in samenhang met de in geval van cassatie nog uit te werken bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt om houtzagerij [bedrijf 2] te bewegen tot afgifte van hout en bijbehorende goederen door gebruik te maken van een valse naam, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Het hof is aldus van oordeel dat sprake is van het medeplegen van oplichting van houtzagerij [bedrijf 2] en acht het onder 3 primair tenlastegelegde bewezen. Omdat het totaalbedrag van de weggenomen goederen uitkomt op € 36.472,67, en in de tenlastelegging een lager bedrag is genoemd, zal het hof – evenals de rechtbank – ‘enig geldbedrag’ bewezen verklaren.

Ten aanzien van feit 5: oplichting van [bedrijf 3]

Het hof stelt op grond van het onderzoek de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 24 februari 2014 heeft [aangever] aangifte gedaan namens [bedrijf 3] . [aangever] heeft verklaard dat er op 6 februari 2014 een man bij [bedrijf 3] in Apeldoorn kwam die hem vertelde dat hij een autoreparatiebedrijf was begonnen en computers nodig had voor de administratie. De man vroeg of hij kon kopen op afbetaling en toonde een uittreksel van de Kamer van Koophandel met de handelsnaam [bedrijf 4] BV, gevestigd op [adres] te Apeldoorn. [aangever] heeft toen direct het bedrijf [bedrijf 4] BV gegoogeld en daarbij bleek dat het bedrijf geregistreerd stond. [aangever] gaf gelet hierop aan dat de man de gewenste goederen op afbetaling mee kon krijgen. De man heeft de volgende goederen van [bedrijf 3] meegenomen: drie notebooks, drie tablets, een soft sleeve voor een IPad en twee CD-R’s. Ongeveer een uur later kwam de man weer terug in de winkel en aan hem zijn toen de volgende goederen op afbetaling meegegeven: twee monitors, een notebook, vijf printers, een laptoptas en een speaker. Voorts zijn op diezelfde dag nog twee printers, een tas en twee tablets aan de man meegegeven. In totaal is er voor een bedrag van € 4.012,47 (€ 2.196,33 + € 1.294,49 + € 522,65) aan goederen meegegeven. De facturen zijn niet betaald. Toen [aangever] langs [adres] te Apeldoorn reed constateerde hij dat er geen bedrijf met de naam [bedrijf 4] gevestigd was. Bij het uitkijken van de camerabeelden van 6 februari 2014 op verschillende beelden van de drie aankopen is [getuige 2] ambtshalve herkend door twee verbalisanten.

[getuige 2] heeft verklaard dat hij drie keer bij [bedrijf 3] is geweest. Hij heeft daar in opdracht van [mededader 4] en [medeverdachte] onder dwang laptops, printers en van “die kleine beeldschermdingetjes” besteld. [getuige 2] moest zich uitgeven voor [bedrijf 4] en computers halen voor de zaak. Alles was welkom, aldus [getuige 2] . De man zou de facturen op naam van [bedrijf 4] sturen naar [adres] . De spullen gingen naar de [adres] te Apeldoorn waar [verdachte] de spullen in ontvangst nam. De verklaring van [getuige 2] vindt steun in de verklaring van [getuige 1] . [getuige 1] heeft namelijk verklaard dat [getuige 2] op aandringen van [medeverdachte] en [verdachte] als een gek is gaan bestellen op naam van [bedrijf 4] . De goederen gingen naar [verdachte] . [verdachte] was de baas van het hele gebeuren.

Gelet op vorenstaande in onderlinge verband en samenhang bezien oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat voorafgaand aan dit feit op een soortgelijke wijze [bedrijf 2] is opgelicht door verdachte en zijn medeverdachten, waarbij ook gebruik is gemaakt is van de naam [bedrijf 4] . (zie de hierboven opgenomen bewijsoverweging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit). Vanwege de identieke modus operandi en de telkens daarbij betrokken personen worden de ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 gebezigde bewijsmiddelen niet alleen afzonderlijk per feit maar ook over en weer tot bewijs gebruikt.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen heeft samengewerkt om [bedrijf 3] te bewegen tot afgifte van notebooks, tablets en printers door gebruik te maken van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels en dat er dus sprake is van medeplegen. Omdat het totaalbedrag van de weggenomen goederen uitkomt op € 4.012,47, en in de tenlastelegging een lager bedrag is genoemd, zal het hof ‘enig geldbedrag’ bewezen verklaren.

Ten aanzien van feit 5: vrijspraak oplichting van [benadeelde 3]

Ter zake van de ten laste gelegde oplichting van [benadeelde 3] overweegt het hof dat de verklaring van [getuige 2] dat hij in opdracht van [verdachte] heeft opgelicht onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. [getuige 1] heeft hierover namelijk verklaard dat [getuige 2] een keer een klus heeft aangenomen om een paardenwagen op te knappen en dat hij hiervoor verf bestelde bij [benadeelde 3] . Het is niet onaannemelijk, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, dat [getuige 2] in dit geval op eigen gelegenheid [benadeelde 3] heeft opgelicht zonder dat anderen daarbij als opdrachtgever of anderszins betrokken zijn geweest.

Het hof acht in elk geval niet gebleken dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de oplichting van [benadeelde 3] en zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 9

Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 3 februari 2015 samengewerkt met anderen bij het plegen van verschillende strafbare feiten: afpersing in vereniging van [benadeelde 4] (feit 1), het medeplegen van oplichting van bloemenwinkel [bedrijf 1] (feit 3), het medeplegen van oplichting van de houtzagerij [bedrijf 2] (feit 4) en het medeplegen van oplichting van [bedrijf 3] (feit 5).

Bij het plegen van deze strafbare feiten is sprake geweest van een zekere taakverdeling. Voor wat betreft die taakverdeling overweegt het hof dat verdachte onmiskenbaar een leidinggevende en sturende rol had binnen de organisatie. Hij wordt door verschillende medeverdachten en getuigen de “baas” en “generaal” genoemd. Zo heeft [getuige 1] over de samenstelling van de organisatie verklaard dat [verdachte] de generaal is, net daaronder zit [medeverdachte] . Als [mededader 4] bij [medeverdachte] is, kan hij worden gezien als een soort officier, maar zonder [medeverdachte] is [mededader 4] ook alleen maar een uitvoerder. [mededader 2] () en [mededader 4] zijn de loopjongens. [getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] de baas was en dat hij opdrachten kreeg van [verdachte] en [medeverdachte] . Ook verklaart hij dat hij niet weg mocht bij de [familienaam verdachte] en door hen werd bedreigd, zo zou [verdachte] hebben gezegd: “Je hoort hierbij. Als jij niet doet was ik zeg, dan snij ik persoonlijk je strot eruit.” Getuige [benadeelde 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] de opdracht gaf om het pistool op zijn hoofd te zetten en dat [mededader 2] zijn hulpje was. [mededader 2] volgde de bevelen van [verdachte] op.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een samenwerkingsverband welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting en afpersing en dat hij een substantieel aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk. Verdachte heeft, gelet op hetgeen uit bovenstaande bewijsmiddelen naar voren komt, een wezenlijke bijdrage geleverd aan de criminele organisatie. Daarom acht het hof bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr.

Overweging met betrekking tot het bewijs in de zaak met parketnummer 05-109464-14 onder 1 en 2 tenlastegelegde

De raadsman heeft zich voor wat betreft de eventuele bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 05-109464-14 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 05-109464-14 onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het hof zal de gebezigde bewijsmiddelen in de eventueel later op te maken aanvulling op dit arrest opnemen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

- een kop koffie bij die [benadeelde 4] in het gezicht gooide en/of (vervolgens)

- een pistool, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van die van [benadeelde 4] heeft gezet en gehouden en daarbij de woorden heeft geuit “zeg dat je betaald, anders haal ik de trekker over” envervolgens- terwijl die [benadeelde 4] werd vastgehouden één of meerdere klappen tegen het hoofd, van die [benadeelde 4] heeft gegeven;
2.hij op 8 januari 2014 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft mishandeld door een persoon (te weten [slachtoffer 1] ), te duwen en (met gebalde vuist) meermalen, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan, waardoor deze [slachtoffer 1] letsel en pijn heeft bekomen ;
3. hij op 6 februari 2014 te Apeldoorn, tezamen in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de bloemenwinkel [bedrijf 1] , heeft bewogen tot de afgifte van diverse vazen, potten, kransen en bloemen (voor een totaal bedrag van ongeveer 1169,- euro, althans enig geldbedrag) hierin bestaande dat verdachte en zijn medeverdachten met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid hebben verteld aan de bloemenwinkel [bedrijf 1] , dat - hij, verdachte of één van zijn mededader(s), een autobedrijf ging(en) openen en dat zij daarvoor goederen uit de bloemenwinkel nodig hadden en- de rekening verzonden kon worden naar het bedrijf [bedrijf 4] , gevestigd aan [adres] te Apeldoorn waardoor de bloemenwinkel [bedrijf 1] , , werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
4. hij op tijdstippen in de periode van 31 januari 2014 tot en met 15 februari 2014 te Harskamp , tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de houtzagerij [bedrijf 2] , heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid hout voor enig geldbedrag hierin bestaande dat verdachte en/of zijn medeverdachten met voren omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid heeft/hebben verteld aan de houtzagerij [bedrijf 2] , - dat hij, verdachte of één van zijn mededaders, [benadeelde 4] en de eigenaar van [bedrijf 4] was en bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] , entevens- een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 4] heeft/hebben getoond en- dat hij/zij een partij hout nodig had(den) voor een nieuw te bouwen schuur en- het aankoopbedrag op zondag 2 februari 2014 gestort zou worden op het bankrekeningnummer behorende bij deze houtzagerij
- het benodigde hout op een aanhangwagen heeft/hebben geladen en daarmee weg is/zijn gereden en/of

- (vervolgens) diverse materialen heeft/hebben opgehaald en/of deze op de aanhangwagen heeft/hebben geladen en/of daarmee is/zijn weggeredenalthans [zagerij eigenaar] ,
5.hij op meer tijdstippen op 6 februari 2014 te Apeldoorn , tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 3] , heeft/hebben bewogen tot de afgifte van - notebooks en tablets en printers enf aanverwante producten hierin bestaande dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk listiglijk en bedrieglijk
- dat hij, verdachte of één van zijn mededader(s), [benadeelde 4] en/of eigenaar van [bedrijf 4] was en/of bereikbaar op telefoonnummer [telefoonnummer] , en/of (tevens)

- een KvK-uittreksel van het bedrijf [bedrijf 4] heeft getoond waardoor dit bedrijf, telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
op één (of meer) tijdstip(pen),of omstreekste Apeldoorn, althanstezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk,/hebbenen/of rechts(o)()
- oplichting (artikel 326 Sr) en- afpersing (artikel 317 Sr)
- bedreiging met zware mishandeling en/of enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 Sr) en/of

- mensenhandel (artikel 273f Sr) en/of

- (een gewoonte maken van) witwassen (artikel 420bisjo 420ter Sr)

Zaak met parketnummer 05-109464-14 (gevoegd):

1. hij op 13 mei 2014 te Apeldoorn opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten verbalisanten van de politie Regio Noord- en Oost Gelderland te weten NOG00519 en NOG02284 en NOG02756, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “kankerlijers” en “vuile kanker honden”althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
2.hij op 13 mei 2014 te Apeldoorn, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen, althans vast hadden teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden en door een of meermalen slaande bewegingen te maken naar of in de richting van die dienstdoende politieambtenaren, .
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-880062-15 onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 en 9 en in de zaak met parketnummer 05-109464-14 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 05-880062-15:althans te Nederland,een ander ofalthans alleen,/oftot de afgifte van (een) geldbedrag(en) van 25.000,- euro en/of 15.000,- euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), dan wel die [benadeelde 4] te dwingen/of()
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

St