Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:227

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:227, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.269.794/01 en 200.269.794/02 en 200.269.794/03


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.269.794/01 (hoofdzaak)200.269.794/02 (voorlopige voorziening)200.269.794/03 (schorsing)
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/238328 / JE RK 19-1808)

beschikking van 9 januari 2020

inzake

[verzoekster]

wonende te [A] ,verzoekster,verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré te Zwolle,
en

de raad voor de kinderbescherming

regio Overijssel, locatie Zwolle,verweerder,verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,hierna te noemen: de GI.
[de vader]

wonende te [A] ,verder te noemen: de vader.

ECLI:NL:GHARL:2020:227:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.269.794/01 (hoofdzaak)200.269.794/02 (voorlopige voorziening)200.269.794/03 (schorsing)
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/238328 / JE RK 19-1808)

beschikking van 9 januari 2020

inzake

[verzoekster]

wonende te [A] ,verzoekster,verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. J.C.E. Siebenga-Moggré te Zwolle,
en

de raad voor de kinderbescherming

regio Overijssel, locatie Zwolle,verweerder,verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,hierna te noemen: de GI.
[de vader]

wonende te [A] ,verder te noemen: de vader.
1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het beroepschrift met productie(s), tevens incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad en verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), ingekomen op 28 november 2019;- een journaalbericht van mr. Siebenga-Moggré van 10 december 2019 met productie(s).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2019 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is verschenen [B] en namens de GI [C] en [D] . Ook de vader is verschenen.
2.3
Mr. Siebenga-Moggré en de raad hebben het woord gevoerd mede aan de hand van overgelegde (pleit)aantekeningen.
3

3.1
De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd en zijn de ouders van:- [de minderjarige1] , geboren [in] 2016 (hierna te noemen: [de minderjarige1] ), en - [de minderjarige2] , geboren [in] 2019, (hierna te noemen:
[de minderjarige2] ). De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] woont bij haar ouders.
3.2
[de minderjarige2] is geboren met een hersenafwijking, te verklaren uit een chromosomale afwijking (deletie chromosoom 10q26).
3.3
Bij de bestreden beschikking van 11 oktober 2019 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 11 oktober 2019 tot 11 oktober 2020. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 oktober 2019 tot 11 oktober 2020. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4
[de minderjarige2] is aansluitend op haar verblijf in het ziekenhuis op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin geplaatst, bij een pleegmoeder die jeugdverpleegkundige is.
4

4.1
Het onderhavige hoger beroep van de moeder richt zich alleen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] .
4.2
In de hoofdzaak verzoekt de moeder het hof de bestreden beschikking van 11 oktober 2019 wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] te vernietigen en – zo begrijpt het hof – het daarop gerichte verzoek van de raad alsnog af te wijzen. In het incident verzoekt de moeder het hof om de werking van de bestreden beschikking van 11 oktober 2019 te schorsen voor zover het betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] , en bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv te bepalen dat [de minderjarige2] aan de ouders, althans aan de moeder, dient te worden afgegeven met ingang van de dag dat het hof dat beslist, althans met ingang van een door het hof te bepalen tijdstip.
4.3
De raad voert verweer en verzoekt het beroep van de moeder af te wijzen.
beslissing

5

De machtiging tot uithuisplaatsing (200.269.794/01)

5.1
Op grond van artikel 1:265b, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet (Jw), die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2
Het hof is het na eigen onderzoek eens met de beslissing van de kinderrechter om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] te verlenen. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank over de zorgelijke gezondheid van [de minderjarige2] en de beperkingen van de ouders, die het hof overneemt en tot de zijne maakt. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.3
[de minderjarige2] is geboren met een zeldzame, ernstige, aangeboren hersenafwijking, waardoor ze na haar geboorte een periode van bijna twee weken op de intensive care heeft moeten verblijven. Gedurende de zwangerschap heeft een klinisch geneticus over de geconstateerde hersenafwijking verklaard dat deze een grote variëteit aan uitingsvormen heeft en dat er een verhoogde kans bestaat op een ontwikkelingsachterstand, epilepsie en spierslapte. Uit de onderzoeken die [de minderjarige2] na haar geboorte heeft ondergaan is de neonatoloog gebleken dat de afwijkingen ernstiger zijn dan aanvankelijk ingeschat. Er is volgens de neonatoloog een beperkte ontwikkeling te verwachten (zowel in mentaal opzicht als in gedrag). Een ernstige vorm van epilepsie is passend bij het beeld en te verwachten. Medicatie is daarvoor mogelijk maar de kans bestaat dat [de minderjarige2] door de bijwerkingen daarvan (levensbedreigend) in de problemen komt. Dit is ook denkbaar bij het geven van flesvoeding, waarbij verslikking, ademproblemen of longontstekingen kunnen optreden.
Tot aan de mondelinge behandeling bij het hof heeft zich bij [de minderjarige2] nog geen epilepsie gemanifesteerd, en zij lijkt het – behoudens grote spierspanning, waarvoor zij fysiotherapie krijgt – in het pleeggezin goed te doen. Niettemin staat de onvoorspelbaarheid van het ziektebeeld gelet op de vaststellingen van de klinisch geneticus en de neonatoloog wel vast. Alle betrokkenen zijn er voorts van doordrongen dat er zorgen zijn over de gezondheid van [de minderjarige2] .

5.4
Gegeven deze situatie zijn de grote twijfels die de raad heeft over de vraag of de ouders de vereiste vaardigheden en draagkracht hebben voor een baby met een zo intensieve en complexe zorgbehoefte als [de minderjarige2] terecht. Moeder heeft ADHD/ADD, een verstandelijke beperking en kampt met fobieën. Vader heeft een indicatie voor begeleid wonen vanwege zijn verstandelijke beperking. De ouders hebben veel bijstand nodig om hun eigen leven op orde te krijgen en te houden. In de huidige situatie waarbij de ouders met veel inzet van hulpverlening de zorg voor [de minderjarige1] dragen, zitten de ouders naar het oordeel van het hof op de grens van hun kunnen. Dat zij in staat zouden zijn goeddeels zonder hulp hun leven adequaat vorm te geven volgt niet uit de verslaglegging van de hulpverleners. Weliswaar meent de moeder, naast de zorg voor haarzelf en [de minderjarige1] , ook de intensieve zorg voor [de minderjarige2] te kunnen dragen, maar daarmee miskent zij de veelvuldige constateringen over het ontbreken van voldoende structuur, veiligheid, hygiëne in de woning, persoonlijke verzorging en opvoedvaardigheden bij beide ouders, welke constateringen door bronnen uit verschillende hoek ook nog kort geleden zijn bevestigd. Er is geen vast patroon van (verantwoord) eten in het gezin, de hygiëne laat te wensen over, [de minderjarige1] krijgt af en toe een tik, wordt onvoldoende gestimuleerd en begint zelfbepalend gedrag te vertonen. Het is voor de ouders moeilijk om te zien wat een jong kind nodig heeft en waar ze op moeten letten. Verder hebben ouders erkend dat [de minderjarige1] door onoplettendheid van hen in onveilige situaties is beland. Nu er al twijfels bestaan of de ouders de capaciteiten hebben om [de minderjarige1] , een gezonde peuter, leeftijdsadequaat op te laten groeien geldt dat te meer voor [de minderjarige2] . [de minderjarige2] is op dit moment aangewezen op verzorgers die meer dan gemiddeld sensitief en responsief zijn. De ouders kunnen dat niet bieden; zij kunnen op instructieniveau taken verrichten, maar hebben onvoldoende inzicht en herkennen subtiele signalen van [de minderjarige2] niet.Daarom acht het hof de uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] .
5.5
Het hof wenst te benadrukken dat in het bovenstaande geen oordeel besloten ligt over het opgroeiperspectief van [de minderjarige2] , die nog zeer jong is en waarvan het beloop van haar aandoening ongewis is. Op de GI rust als deskundige een eigen verantwoordelijkheid om de ontwikkelingen te volgen en afhankelijk van de situatie rond [de minderjarige2] en eventuele andere gewijzigde omstandigheden te beoordelen of de ouders een rol van betekenis in het leven van [de minderjarige2] kunnen vervullen.
5.6
Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen. Dit brengt mee dat de moeder geen belang meer heeft bij de behandeling van haar incidentele verzoeken tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 11 oktober 2019 (200.269.794/03) en tot het treffen van een voorlopige voorziening (200.269.794/02). Het hof zal haar verzoeken tot schorsing en tot het treffen van voorlopige voorziening om die reden afwijzen.
beslissing

6

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de hoofdzaak (200.269.794/01):

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 oktober 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af;

in de verzoeken tot schorsing (200.269.794/03) en tot het treffen van een voorlopige voorziening (200.269.794/02):

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 9 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.