Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:221

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:221, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.258.695/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.258.695/01(zaaknummer rechtbank C/19/122819/FA RK 18-861)
beschikking van 9 januari 2020

inzake

[verzoeker]

wonende te [A] (Duitsland),verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de man,advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,
en

[verweerster]

wonende te [B] ,verweerster in hoger beroep,verder te noemen: de vrouw,advocaat: mr. W.J.P. Suringar te Assen.

ECLI:NL:GHARL:2020:221:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.258.695/01(zaaknummer rechtbank C/19/122819/FA RK 18-861)
beschikking van 9 januari 2020

inzake

[verzoeker]

wonende te [A] (Duitsland),verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de man,advocaat: mr. W.G. ten Have te Winschoten,
en

[verweerster]

wonende te [B] ,verweerster in hoger beroep,verder te noemen: de vrouw,advocaat: mr. W.J.P. Suringar te Assen.
1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 6 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 mei 2019;- het verweerschrift met productie(s);- een journaalbericht van mr. Ten Have van 15 mei 2019 met productie(s);- een journaalbericht van mr. Ten Have van 19 juni 2019 met productie(s);- een journaalbericht van mr. Ten Have van 3 december 2019 met productie(s);- een journaalbericht van mr. Suringar van 6 december 2019 met productie(s).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 18 december 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De man is bijgestaan door een tolk in de Duitse taal, de heer [C] (tolknummer [000] ).
3

3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van: - [de minderjarige1] , geboren te [D] (Duitsland) [in] 2007, en- [de minderjarige2] , geboren te [D] (Duitsland) [in] 2008,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben vanaf 2017 hun hoofdverblijf bij de vrouw in Nederland.
3.2
Het Amtsgericht Papenburg te Duitsland (hierna: rechtbank Papenburg) heeft bij uitspraak van 6 september 2017, gewezen onder zaaknummer 1 F 36/17 UK, bepaald dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie) dient te voldoen.
3.3
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de man om onder wijziging van de uitspraak van de rechtbank Papenburg, de kinderalimentatie met ingang van 8 mei 2018 te bepalen op (in totaal) € 25,- per maand afgewezen. Daartoe is overwogen dat de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht om over een eventuele wijziging van de kinderalimentatie te oordelen.
4

4.1
In geschil is de (wijziging van de) hoogte van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
4.2
De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 februari 2019. De grief ziet op de reden waarom zijn verzoek is afgewezen, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking te vernietigen voor wat betreft de kinderalimentatie en opnieuw rechtdoende, onder wijziging van voornoemde beschikking van de rechtbank Papenburg, de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 8 mei 2018 te bepalen op (in totaal) € 25,- per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen voor zover de termijnen nog niet reeds verstreken zijn.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel zijn verzoek af te wijzen met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in hoger beroep.
beslissing

5

Bevoegdheid

5.1
Het hof is op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef en onder b van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening) bevoegd van de zaak kennis te nemen omdat de vrouw, en de minderjarige onderhoudsgerechtigde, haar gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening in verband met artikel 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 wordt de onderhoudsverplichting beheerst door het Nederlandse recht.
5.2
Blijkens de uitspraak van 8 maart 2017 van het Amtsgericht Meppen te Duitsland, ingeschreven onder nummer 9 IN 25/17 (hierna: rechtbank Meppen), is de man failliet verklaard. De man heeft ter zitting gesteld dat deze situatie voortduurt. De advocaat van de man heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat hij in lijn met het Duitse recht de curator van de man op de hoogte heeft gebracht van onderhavige procedure en de curator geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze procedure. Het hof heeft geen aanleiding om aan deze mededelingen van de advocaat te twijfelen zodat het hof ervan uitgaat dat de man, voor zover sprake is van een faillissement (zie ook hierna) gerechtigd is om onderhavige procedure te voeren.
Processuele gang van zaken

5.3
Het hof gaat voorbij aan de grief van de man voor zover hij zich beklaagt over de procedurele gang van zaken bij de rechtbank. De man heeft geen belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan omdat de zaak in hoger beroep met betrekking tot de punten waartegen inhoudelijk is gegriefd opnieuw, in volle omvang, wordt beoordeeld. Het hoger beroep strekt in dit verband mede tot herstel van eventuele procedurele gebreken tijdens de procedure in eerste aanleg. De man heeft in dit verband in ieder geval in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt voor het voetlicht te brengen.
Wijziging van de kinderalimentatie

5.4
De man en de vrouw zijn het er over eens dat de man volgens de uitspraak van de rechtbank Papenburg in 2017 gehouden is om een kinderalimentatie te voldoen van € 297,- per kind per maand en dat daarop een wettelijke indexatie van toepassing is. Ook zijn de man en de vrouw het er over eens dat door deze rechtbank de behoefte van de kinderen is bepaald op € 375,- per kind per maand.
5.5
De man verzoekt wijziging van de kinderalimentatie zoals vastgesteld door de rechtbank Papenburg en stelt daartoe dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man voert daartoe aan dat hij geen draagkracht (meer) heeft om aan de beschikking van de rechtbank Papenburg te voldoen omdat hij op 8 maart 2017 door de rechtbank Meppen failliet is verklaard en zijn vermogen en inkomsten moeten worden aangewend voor zijn schuldeisers. Aan de insolventie ligt een schuld ten grondslag van in totaal € 90.550,02. Ook ligt er een gedwongen verkoop van de voormalig echtelijke woning in het verschiet waarna er waarschijnlijk een restschuld overblijft en daarnaast is zijn inkomen gewijzigd. De vrouw betwist dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.
5.6
Het hof stelt voorop dat naar Nederlands recht er een wijziging van omstandigheden is in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW wanneer het gaat om een ten tijde van de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht nog toekomstige omstandigheid waarmee in die uitspraak nog geen rekening is gehouden. Het moet gaan om een relevante wijziging van omstandigheden die zich nadien, dat wil zeggen na de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, heeft voorgedaan.

5.7
Het hof vindt dat niet is gebleken dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. De man heeft zijn stelling daartoe onvoldoende onderbouwd. De gegevens die de man tot op heden heeft overgelegd met betrekking het faillissement, zijn inkomen en schulden zijn zodanig gebrekkig, dat die niet kunnen dienen als deugdelijke grondslag voor de beoordeling van het inkomen van de man en zijn draagkracht. Zo is niet gebleken dat de rechtbank Papenburg geen rekening heeft gehouden met het faillissement van de man waarop hij zich beroept. In dit kader staat vast dat de uitspraak van de rechtbank Meppen waarbij de man failliet is verklaard, is gewezen (ruim) voor de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht terwijl tussen partijen ook niet in geschil is dat naar Duits recht kinderalimentatie een preferente schuld is. Ook is niet gebleken dat onveranderd sprake is van een faillissement. Ter zitting is gebleken dat het bedrijf van de man een doorstart heeft gemaakt, de man de onderneming nu voert in de vorm van een BV, waarvan hij enig aandeelhouder is, inkomsten geniet uit loondienst en inkomen geniet uit verhuur van een woning. Jaarstukken van de onderneming ontbreken als ook jaaropgaven en/of recente loonspecificaties en aangiften/aanslagen inkomstenbelasting en evenmin zijn er stukken overgelegd waaruit blijkt welk inkomen de man had ten tijde van het vaststellen van de alimentatie. Dat al zijn inkomen nu naar de curator gaat wordt door de vrouw betwist en de man heeft daar geen bewijsstukken van overgelegd. Wel staat vast dat de vrouw de inning van de kinderbijdrage uit handen heeft gegeven en dat aan haar onveranderd het volledige bedrag aan kinderalimentatie wordt voldaan, met uitzondering van de vermeerdering ingevolge de wettelijke indexering en geen sprake is van achterstanden. Ook heeft de man de hoogte en aard van de lasten die zijn draagkracht beïnvloeden niet inzichtelijk gemaakt.
Bewijsaanbod

5.8
Het hof passeert het bewijsaanbod van de man ter zitting om alsnog bewijsstukken over te leggen. Het hof vindt dat de man meer dan voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zijn stelling te onderbouwen. Het hof heeft daarbij meegewogen dat de vrouw daar om dezelfde reden bezwaar tegen heeft gemaakt.
Proceskosten

5.9
De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. In zaken tussen ex-echtgenoten wordt in zijn algemeenheid besloten tot compensatie van kosten. De gedachte daarachter is dat de afwikkeling van een scheiding en alle gevolgen die daarmee samenhangen dikwijls gepaard gaan met persoonlijke inter-relationele moeilijkheden en de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat in dit soort zaken niet te snel tot een kostenveroordeling van een der partijen moet worden overgegaan.Het hof ziet evenwel aanleiding om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken omdat de man in het ongelijk wordt gesteld omdat hij zijn stellingen in hoger beroep, en ook na vingerwijzing van de rechtbank, volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd.
5.10
Het hof wijst dat verzoek toe en begroot die kosten op € 324,- griffierecht en haar eigen bijdrage van € 199,-. Het hof acht het redelijk en billijk dat de man die kosten aan de vrouw zal vergoeden.
beslissing

6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en de man veroordelen in de proceskosten van de vrouw, begroot op € 324,- (griffierecht) + € 199,- (eigen bijdrage).

beslissing

7

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van locatie Assen, van 6 februari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt de man in de kosten van de procedure van de vrouw in hoger beroep begroot op € 523,- (€ 324,- aan griffierecht + € 199,- aan eigen bijdrage);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en S. Rezel, bijgestaan door A.J.Th. Harkema als griffier en is op 9 januari 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.