Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:219

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 09-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:219, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.257.993/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.257.993/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/182746 / FA RK 18-665)
beschikking van 9 januari 2020

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de vader,advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen,
en

de raad voor de kinderbescherming

regio Noord Nederland, locatie Groningen,verweerder in hoger beroep,verder te noemen: de raad.
de gecertificeerde instellinggevestigd te Groningen,verder te noemen: de GI,
en

de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

wonende op een geheim adres,verder te noemen: de pleegouders.

ECLI:NL:GHARL:2020:219:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.257.993/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/182746 / FA RK 18-665)
beschikking van 9 januari 2020

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de vader,advocaat: mr. F.B. Flooren te Groningen,
en

de raad voor de kinderbescherming

regio Noord Nederland, locatie Groningen,verweerder in hoger beroep,verder te noemen: de raad.
de gecertificeerde instellinggevestigd te Groningen,verder te noemen: de GI,
en

de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

wonende op een geheim adres,verder te noemen: de pleegouders.
1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het beroepschrift met productie(s) van de vader, ingekomen op 15 april 2019;- het verweerschrift met productie(s) van de raad;- een journaalbericht van mr. Flooren van 2 mei 2019 met productie(s);- een journaalbericht van mr. Flooren van 5 december 2019;- een journaalbericht van mr. Flooren van 20 december 2019.
2.2
De hierna te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben bij brieven, ingekomen bij het hof op 16 oktober 2019, hun mening kenbaar gemaakt over het verzoek om het gezag van de vader te beëindigen. Het hof heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling deze brieven voorgelezen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 28 november 2019 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de raad is de heer [B] verschenen, vergezeld van mevrouw [C] . Namens de GI is verschenen mevrouw [D] . Ook de pleegvader was ter zitting aanwezig.
2.4
Op verzoek van de vader van 5 december 2019 heeft het hof de ter zitting gegeven termijn om zich uit te laten over de mogelijke intrekking van het hoger beroep verlengd. In het journaalbericht van 20 december 2019 heeft de vader laten weten dat hij het hoger beroep handhaaft.
3

3.1
Uit het huwelijk van de vader met de moeder zijn geboren - [de minderjarige1] [in] 2002 (hierna [de minderjarige1] ) en - [de minderjarige2] [in] 2004 (hierna [de minderjarige2] ). Het huwelijk van de ouders is [in] 2014 door echtscheiding ontbonden.
3.2
De ouders hadden gezamenlijk het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Zij hadden na de echtscheiding hun hoofdverblijf bij de moeder. De destijds overeengekomen zorgregeling in het ouderschapsplan - eens in de veertien dagen verblijven de kinderen een weekend bij de vader - is niet van de grond gekomen . De vader heeft de kinderen tot december 2014 wel een aantal malen in het weekend bij de moeder thuis bezocht. Begin 2015 heeft de moeder de omgang feitelijk stopgezet. Medio 2015 is de overeengekomen regeling door de rechter geschorst in afwachting van de uitkomsten van een raadsonderzoek. Bij beschikking van 12 april 2016 is aan de vader de omgang ontzegd.
3.3
[in] 2017 is de moeder (plotseling) overleden. Na haar overlijden zijn de kinderen tijdelijk opgevangen door een vriendin van de moeder en vervolgens in een netwerkpleeggezin geplaatst.
3.4
Na het overlijden van de moeder heeft de raad verzocht om schorsing van het gezag van de vader en toekenning van de voorlopige voogdij over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de GI voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 8 december 2017 heeft de rechtbank dienovereenkomstig beslist. Deze beslissing is op 9 januari 2018 bekrachtigd.
3.5
De raad is begin januari 2018 begonnen met het onderzoek naar de vraag of de beëindiging van het gezag van de vader in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is en heeft op 2 maart 2018 de rechtbank verzocht om het gezag van de vader te beëindigen.
3.6
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven nog altijd in eerdergenoemd netwerkpleeggezin.
4

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogd over de kinderen benoemd.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 januari 2019. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de beschikking te vernietigen en het verzoek tot beëindiging van het gezag alsnog af te wijzen.
4.3
De raad voert verweer en verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
4.4
De GI heeft ter zitting medegedeeld het standpunt van de raad te delen.
4.5
Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.
beslissing

5

5.1
Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indiena. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, ofb. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3
Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd uiteengezet waarom het gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dient te worden beëindigd. Na eigen onderzoek komt het hof tot hetzelfde oordeel. De stellingen die door de vader in hoger beroep naar voren zijn gebracht, zijn al bij de procedure in eerste aanleg aan de orde geweest en door de rechtbank in de bestreden beschikking gewogen en gemotiveerd weerlegd. Het hof is het eens met de overwegingen van de rechtbank zoals onder het kopje 'de beoordeling' weergegeven in die beschikking. Het hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
5.5
De vader heeft in hoger beroep nog weer benadrukt dat hij instemt met het verblijf in het pleeggezin en dat hij ook wil aansluiten bij de wens van de kinderen om (voorlopig) geen contact met hem te hebben. Voor het hof is duidelijk - en invoelbaar - dat het voor de vader moeilijk is om zich bij deze wens neer te leggen. Het hof acht in dat verband positief dat de vader hulp heeft aanvaard om tot meer acceptatie te komen en om zijn rol als ouder op afstand beter vorm te leren geven. De vader geeft verder aan dat hij altijd is blijven houden van de moeder en de kinderen en hij hun band en verbondenheid wil respecteren. Duidelijk is ook dat de persoonlijke situatie van de vader sterk is verbeterd, dat hij sterker in het leven staat en dat zijn situatie stabiel is. Het hof begrijpt dat hij de kinderen graag wil tonen dat hij niet (meer) de persoon is die de kinderen zich herinneren. Dit alles maakt echter de beantwoording van de aan het hof voorliggende vraag of het gezag van de vader op grond van artikel 1:266 BW al dan niet dient te worden beëindigd, niet anders. De positieve omstandigheden aan de zijde van de vader laten onverlet dat de [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet alleen het ingrijpende verlies van hun moeder moeten verwerken, maar zich door haar overlijden ook onverwacht geconfronteerd hebben gezien met een vader die zij al lange tijd niet meer hadden gezien en aan wie zij vooral negatieve herinneringen hebben. Uit de verklaringen van de raad, de GI, de pleegvader en van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zelf, blijkt dat het van essentieel belang is dat zij de rust en ruimte krijgen voor rouw- en traumaverwerking. De hulpverlening is inmiddels ingezet maar zal de nodige tijd vergen. Zoals ook uit het raadsonderzoek en ter zitting vanuit de GI naar voren is gekomen, is het voor het slagen van deze hulpverlening nodig dat het gezag van de vader wordt beëindigd omdat dit in belangrijke mate bijdraagt aan de noodzakelijke rust en ruimte voor de kinderen. Hierbij zijn de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , met het oog op een zo goed mogelijke sociaal emotionele ontwikkeling in de gegeven omstandigheden, doorslaggevend.
5.6
Op grond van het vorenstaande dient naar het oordeel van het hof het gezag van de vader te worden beëindigd.
beslissing

6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

beslissing

7

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 15 januari 2019.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. I.A. Vermeulen en mr. I.M. Dölle, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 9 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.