Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:1178

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:1178, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.245.999/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.245.999/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6492610 CV 17-11185)
arrest van 11 februari 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,appellante,in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. J. Biemond, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [B] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudend te Paterswolde.

ECLI:NL:GHARL:2020:1178:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.245.999/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6492610 CV 17-11185)
arrest van 11 februari 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,appellante,in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. J. Biemond, kantoorhoudend te 's-Gravenhage,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [B] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. L.H. Haarsma, kantoorhoudend te Paterswolde.
1

1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 mei 2019 hier over. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 3 oktober 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben arrest gevraagd op het voorafgaand aan de zitting aan het hof toegezonden procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.
1.2.
Het hoger beroep van [appellante] strekt tot vernietiging van het vonnis van 15 mei 2018 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, en het alsnog toewijzen van de vorderingen van [appellante] en het afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
2

2.1.
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
2.2.
[appellante] heeft, in het kader van een met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst (hierna ook wel genoemd: de overeenkomst), op 19 september 2010 het paard genaamd [C] aan [geïntimeerde] afgegeven. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de strekking van die overeenkomst en over de vraag aan wie het paard toebehoort.
2.3.
Op 28 november 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden [geïntimeerde] onder meer verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag onder zichzelf op de maandelijks door haar aan [appellante] verschuldigde termijnen. [geïntimeerde] heeft sinds de maand april 2012 de maandelijks verschuldigde termijnen van € 150,- overgemaakt op de derdengeldenrekening van haar eigen advocaat.
2.4.
Bij vonnis van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden onder meer voor recht verklaard dat de overeenkomst was ontbonden en [geïntimeerde] geboden het paard en het paspoort van het paard aan [appellante] af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [geïntimeerde] heeft in augustus 2012 aan dat vonnis voldaan door het paard naar [appellante] terug te brengen. Vanaf dat moment heeft [geïntimeerde] de maandelijkse overmaking van de termijnenbetalingen gestaakt.
2.5.
In 2013 is het paard tijdens een buitenrit uitgegleden op een brug, waarbij het klem is komen te zitten. Het paard is met behulp van de brandweer en een dierenarts uit zijn positie bevrijd. Het paard heeft hierbij letsel opgelopen.
2.6.
Bij arrest van 27 mei 2014 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank van 15 augustus 2012 vernietigd en onder meer [appellante] veroordeeld om al hetgeen [geïntimeerde] ter uitvoering van het vonnis aan [appellante] had voldaan en afgegeven, waaronder het paard en het paspoort, aan [geïntimeerde] terug te betalen en terug te geven. Tevens heeft het hof voor recht verklaard dat de rechtsverhouding tussen partijen huurkoop is, waarbij [geïntimeerde] het paard van [appellante] heeft gekocht voor de koopsom van € 7.200,-, te betalen in 48 maandelijkse termijnen van € 150,-, na voldoening waarvan [geïntimeerde] eigenaar zal zijn van het paard. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.
2.7.
[appellante] heeft het paard en het paspoort niet aan [geïntimeerde] teruggegeven. Zij heeft voorgewend dat het paard op 23 mei 2014 was overleden en vervolgens zou zijn gecremeerd. [geïntimeerde] heeft daarop bij brief van 4 juni 2014 de huurkoopovereenkomst ontbonden, stellende dat nakoming door [appellante] blijvend onmogelijk was geworden door de dood van het paard.
2.8.
Bij vonnis van 12 februari 2015 in de door [geïntimeerde] aanhangig gemaakte bodemprocedure tot vergoeding van schade, heeft de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, [appellante] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. Na betaling hiervan is het door [geïntimeerde] onder zichzelf gelegde beslag (genoemd sub 2.3 hierboven) geëindigd.
2.9.
Op 8 september 2015 heeft een comparitie na aanbrengen plaatsgevonden bij het gerechtshof Den Haag, in een door [appellante] aanhangig gemaakt hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van 12 februari 2015. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt:
Mevrouw [appellante] verklaart: ik heb indertijd het paard dood aangetroffen in de wei. Ik heb toen geen dierenarts de doodsoorzaak laten onderzoeken. Ik heb het kadaver laten afvoeren. De bewijsstukken hiervan worden nu gekopieerd via de bode en overhandigd aan de wederpartij.

2.10.
[geïntimeerde] heeft in 2016 van een derde vernomen dat het paard nog in leven was. Na een langdurige zoektocht is het aangetroffen in een weiland in [D] . De politie heeft het paard op 6 januari 2017 in beslag genomen en aan [geïntimeerde] in bewaring gegeven.
2.11.
[appellante] is naar aanleiding hiervan later, op 21 december 2018, door de strafkamer van het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor verduistering van het paard en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift.
2.12.
Op 6 januari 2017 heeft dierenarts [E] twee verklaringen afgegeven. Deze verklaringen luiden:
Betreft: Dierenartsverklaring

Op 6 januari 2017 ben ik, Drs. [E] , dierenarts te [F] , door [geïntimeerde] woonachtig te [B] gevraagd langs te komen om het paard [C] (stamboeknaam: [C] ) te controleren op gezondheid, dit was op de avond direct na aankomst van het paard van elders.Het paard [C] heeft als chipnummer [0000] .Ik heb een klinisch onderzoek uitgevoerd, het paard was matig in conditie. Rechtsvoor en achter aan de binnenzijde van de pijp zat een groot oud litteken. In de mond zat een gat op de plaats waar en tand (I-3) zou moeten zitten. Deze tand was nog wel aanwezig, maar naar achteren verplaatst. Deze zaken zijn door trauma ontstaan.Het paard was lusteloos. De stap en draf waren beide zeer kort en stijf. Voor de oorzaak hiervan zou nader onderzoek plaats kunnen vinden.
en:

Betreft: Waardebepaling paard

Op 6 januari 2017 ben ik, Drs. [E] , dierenarts te [F] , bij het paard [C] (stamboeknaam: [C] ) chipnummer [0000] geweest voor een algehele gezondheidscontrole.Ook werd mij aanvullend gevraagd door eigenaresse, [geïntimeerde] , wat de waarde op dat moment was. Gezien het beeld wat ik heb gekregen na klinisch onderzoek, acht ik het paard op dit moment niet meer waard dan de slachtprijs (+/- € 500,).
2.13.
Per brief van 10 februari 2017 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [appellante] medegedeeld dat [geïntimeerde] het paard [C] met onmiddellijke ingang in eigendom wenst te verkrijgen, maar dat zij door toedoen van [appellante] schade heeft geleden, en dat de waarde van het paard nog maar € 500,- bedraagt. In de brief doet [geïntimeerde] het voorstel dat zij tegen kwijting van de resterende aan [appellante] verschuldigde termijnbedragen, afziet van het starten van een procedure tegen [appellante] . Bij brief van 24 maart 2017 aan [geïntimeerde] heeft [appellante] de buitengerechtelijke ontbinding van de huurkoopovereenkomst ingeroepen, wegens wanbetaling door [geïntimeerde] .
2.14.
Op 19 april 2017 is het paard in opdracht van [geïntimeerde] onderzocht door drs. [G] , erkend paardendierenarts. Daarvan is een rapport opgemaakt, waarin de dierenarts naast slijtage aan de voortanden door kribbebijten en littekens op het lichaam van het paard, een afwijking constateert aan het straalbeen van het linkervoorbeen, en aan het kootgewricht van het rechterachterbeen en een fractuur aan het rechterachterbeen. De conclusie van het rapport luidt:
De kosten van het onderzoek bedroegen € 453,31.

2.15.
Vervolgens heeft [geïntimeerde] in kort geding gevorderd dat [appellante] het paspoort van het paard afgeeft, op straffe van een dwangsom. Bij vonnis in kort geding van 5 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam [appellante] onder meer veroordeeld om het paspoort van het paard aan [geïntimeerde] af te geven. In reconventie is [geïntimeerde] onder meer veroordeeld om € 1.196,96 aan [appellante] te betalen en voor € 2.850,- zekerheid te stellen door dit bedrag over te maken op de derdenrekening van de advocaat van [appellante] . [geïntimeerde] heeft aan het vonnis voldaan. [appellante] heeft op enig moment het paardenpaspoort aan [geïntimeerde] afgegeven.
2.16.
Op 11 oktober 2017 heeft [appellante] conservatoir beslag laten leggen op het paard. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 6 december 2017 is het beslag op vordering van [geïntimeerde] opgeheven.
beslissing

3

3.1.
[appellante] heeft in eerste aanleg (in conventie) primair gevorderd te verklaren voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot het paard buitengerechtelijk werd ontbonden, althans deze te ontbinden wegens toerekenbare tekortkoming door [geïntimeerde] , met afgifte van het paard aan [appellante] . Subsidiair heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande termijnen ad € 4.500, met proceskosten en nakosten.
3.2.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) gevorderd te verklaren voor recht dat zij eigenaar is van het paard, dat [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurkoopovereenkomst en onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld door onvoldoende voor het paard te zorgen, en [appellante] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 7.150,- met wettelijke rente, en veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
3.3.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 mei 2018 geoordeeld dat de huurkoopovereenkomst nog in stand is, dat [geïntimeerde] een bedrag van € 5.453,31 aan schade heeft geleden als gevolg van de verslechtering van de conditie van het paard en het letsel dat het heeft opgelopen in de periode dat [appellante] het paard ten onrechte onder zich hield. [geïntimeerde] mag de nog verschuldigde huurkooptermijnen met deze schade verrekenen, waardoor zij door betaling van de volledige huurkoopprijs eigenaar van het paard is geworden. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van schade toegewezen, tot een bedrag van € 2.150,- na genoemde verrekening, met wettelijke rente vanaf 30 januari 2018.
overwegingen

4

4.1.
[appellante] heeft in haar memorie van grieven uiteengezet waarom zij het niet eens is met het bestreden vonnis. Hoewel de grieven niet met nummering zijn aangeduid, en ook niet expliciet als grief zijn gepresenteerd, volgt het hof [geïntimeerde] niet in haar stelling dat er niet althans onvoldoende specifiek is gegriefd tegen het bestreden vonnis. Het is immers vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd (ECLI:NL:HR:2008:BC4959). In het arrest ECLI:NL:HR:2019:505 heeft de Hoge Raad daar nog aan toegevoegd dat de voor vernietiging aangevoerde gronden door de appellant niet uitdrukkelijk behoeven te worden aangeduid als (al dan niet genummerde) ‘grief’. Die gronden moeten wel behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. Voorts kan bij de uitleg van de memorie van grieven mede een rol spelen de wijze waarop de geïntimeerde de inhoud van dat stuk, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen.
4.2.
Het hof leest in het betoog van [appellante] in essentie bezwaren tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurkoopovereenkomst niet buitengerechtelijk ontbonden is en ook niet door de kantonrechter wordt ontbonden, alsmede tegen de vaststelling van (de omvang van de) schade aan de zijde van [geïntimeerde] waarvoor [appellante] aansprakelijk wordt gehouden, en tegen het oordeel dat [geïntimeerde] door verrekening van de nog verschuldigde huurkooptermijnen met deze schade eigenaar is geworden van het paard. Nu [geïntimeerde] bij memorie van antwoord ook op deze bezwaren heeft gereageerd, zal het hof deze als grieven uitleggen en in het hiernavolgende thematisch behandelen.
Ontbinding

4.3.
[appellante] stelt dat de kantonrechter in het bestreden vonnis ten onrechte en zonder motivering geen betekenis heeft toegekend aan de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerde] op 4 juni 2014, noch aan de ontbinding door [appellante] zelf op 24 maart 2017.
4.4.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis over de ontbindingsverklaring van 4 juni 2014 van de zijde van [geïntimeerde] hetzelfde overwogen als de voorzieningenrechter in het vonnis van 5 juli 2017 in kort geding, namelijk dat deze verklaring gebaseerd was op de onjuiste veronderstelling dat het paard [C] was overleden, en dat [appellante] [geïntimeerde] opzettelijk in die onjuiste veronderstelling heeft gebracht. [geïntimeerde] heeft de ingeroepen ontbinding daarom kunnen vernietigen met een beroep op dwaling of bedrog, en onweersproken is dat [geïntimeerde] dat ook heeft gedaan in confraternele correspondentie. Het hof onderschrijft dit oordeel van de kantonrechter en voegt daaraan toe dat deze vernietiging op grond van art. 3:53 BW terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Voor zover [appellante] in dit hoger beroep met haar stelling dat zij de ontbindingsverklaring inmiddels had ontvangen en aanvaard, wil beweren dat partijen daarmee een beëindigingsovereenkomst hadden gesloten waaraan [geïntimeerde] zich niet meer eenzijdig kan onttrekken, maakt dit het voorgaande niet anders, want deze overeenkomst volgt het lot van de als gevolg van dwaling of bedrog vernietigde ontbindingsverklaring van [geïntimeerde] .
4.5.
Over de ontbindingsverklaring van 24 maart 2017 van [appellante] heeft de kantonrechter overwogen dat deze niet tot gevolg heeft gehad dat de overeenkomst is ontbonden, omdat [appellante] op dat moment zelf in verzuim verkeerde met het voldoen aan haar verplichting om het paard en het paardenpaspoort aan [geïntimeerde] terug te geven. Het hof onderschrijft ook dit oordeel van de kantonrechter. Zo lang [appellante] zelf in verzuim was met de nakoming van haar verplichtingen op grond van de huurkoopovereenkomst (namelijk het ter beschikking stellen van het paard aan [geïntimeerde] ), stond dit op grond van artikel 6:266 lid 1 BW in de weg aan haar bevoegdheid tot ontbinding. Het paard is weliswaar in januari 2017 door de politie in beslag genomen en aan [geïntimeerde] in gerechtelijke bewaring gegeven, maar dit staat niet gelijk aan de nakoming door [appellante] van haar verplichtingen, temeer niet omdat – zoals hierna zal worden overwogen – het paard in een slechte toestand verkeerde. Daar komt nog bij dat [appellante] het paardenpaspoort pas aan [geïntimeerde] heeft gegeven nadat [geïntimeerde] hierover een kort geding procedure tegen [appellante] heeft aangespannen, resulterend in voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter van 5 juli 2017.
4.6.
Hetgeen [appellante] hiertegen in appel aanvoert maakt dit niet anders. De stelling dat [geïntimeerde] al vanaf 2012 in verzuim was met het betalen van de maandelijkse termijnen, terwijl de verplichting om het paspoort af te geven van een latere datum is, gaat voorbij aan het feit dat [geïntimeerde] tot en met juli 2012 huurkooptermijnen heeft overgemaakt op de derdengeldrekening van haar advocaat, in het kader van het conservatoir beslag dat zij onder zichzelf had gelegd, en dat zij die betalingen per augustus 2012 heeft gestaakt omdat zij het paard op grond van het vonnis van 15 augustus 2012 heeft moeten afstaan aan [appellante] , en het uiteindelijk ondanks de vernietiging van dat vonnis in hoger beroep in mei 2014, tot januari 2017 heeft geduurd voor zij het paard terug kreeg. [appellante] heeft niet onderbouwd waarom [geïntimeerde] de huurkooptermijnen in die periode had moeten blijven voldoen, terwijl zij niet de beschikking over het paard had.
4.7.
De stelling van [appellante] dat zij in maart 2015 gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden omdat het beslag dat [geïntimeerde] onder zichzelf had gelegd was komen te vervallen (zie r.o. 2.8) zodat [geïntimeerde] vanaf dat moment in verzuim was met het voldoen aan haar betalingsverplichtingen, gaat evenmin op. Dit gaat er immers aan voorbij dat [appellante] op dat moment zelf al in verzuim verkeerde doordat zij vanaf het arrest van dit hof van 27 mei 2014 in gebreke was gebleven met de nakoming van haar verplichting tot teruggave van het paard.
4.8.
Toen [geïntimeerde] uiteindelijk in januari 2017 het paard na inbeslagname in bewaring kreeg, werd duidelijk dat het paard letsel had opgelopen gedurende de periode dat [appellante] het paard onder zich had gehad. De kantonrechter heeft na vaststelling van de schade die [geïntimeerde] hierdoor leed geoordeeld dat [geïntimeerde] de huurkooptermijnen die zij nog aan [appellante] was verschuldigd, met deze schade mocht verrekenen, waarna alle termijnen door verrekening waren voldaan. Het hof onderschrijft ook deze redenering van de kantonrechter. Het betoog van [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte is begonnen bij het begroten van de schade, omdat daarmee zou zijn voorbijgegaan aan het feit dat [geïntimeerde] in verzuim was, wordt niet gevolgd. Van een situatie waarin [geïntimeerde] in verzuim was en [appellante] niet, was immers geen sprake zo lang [appellante] het paard [C] niet had teruggegeven. Op het moment dat [geïntimeerde] het paard wel weer ter beschikking kreeg, bleek dat het in de tijd dat het bij [appellante] was, letsel had opgelopen en dusdanig in waarde was verminderd dat nakoming door [appellante] blijvend onmogelijk was geworden. [geïntimeerde] had immers in het vooruitzicht dat zij de eigendom zou verkrijgen van een beschadigd paard. Op grond van artikel 6:80 lid 1 sub a BW kon zij daarom op dat moment al een beroep doen op de gevolgen daarvan, te weten het vorderen van schadevergoeding op grond van 6:74 BW en verrekening van de door haar nog verschuldigde termijnen met die vordering tot schadevergoeding. Uit de brief van [geïntimeerde] van 10 februari 2017 aan [appellante] , en ook uit haar verdere opstelling, blijkt dat [geïntimeerde] dat ook heeft gedaan. Zij besloot het paard te behouden, en de eigendom te verkrijgen met een beroep op verrekening van de door haar nog verschuldigde termijnen met haar tegenvordering op [appellante] tot vergoeding van haar schade. Het hof acht het gerechtvaardigd dat [geïntimeerde] in afwachting van deze verrekening de nakoming van haar verplichting om de huurkooptermijnen te voldoen opschortte totdat de omvang van haar schade was vastgesteld.
4.9.
Het hof concludeert dat de grieven tegen het afwijzend oordeel van de kantonrechter over de door [appellante] gevorderde (buitengerechtelijke) ontbinding, alsmede de grief tegen het oordeel over de verrekening ongegrond zijn.
De schade

4.10.
[appellante] heeft voorts de (hoogte van de) door de kantonrechter vastgestelde schade aan het paard betwist. Het hof zal hetgeen [appellante] in dit verband heeft gesteld bespreken. De stelling dat [geïntimeerde] geen schade heeft geleden stuit af op hetgeen hiervoor is overwogenDan de stelling van [appellante] dat de waarde van het paard [C] door de kantonrechter niet objectief zou zijn vastgesteld. Nu [geïntimeerde] ook in hoger beroep op dat punt de stelplicht en bewijslast heeft, is de eerste vraag die voorligt of [geïntimeerde] voldoende heeft gesteld en of zij de schade voldoende heeft onderbouwd. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de waarde van het paard [C] , nadat het van augustus 2012 tot januari 2017 in de macht van [appellante] is geweest, door een paardendierenarts is bepaald op ongeveer € 500,-. Voor de waardebepaling verwijst [geïntimeerde] naar de bewijsstukken van dierenarts [E] uit januari 2017 en paardendierenarts [G] uit april 2017.
4.11.
Het hof overweegt als volgt. Zoals de kantonrechter al heeft overwogen, blijkt uit de verklaringen van dierenarts [E] en het rapport van paardendierenarts [G] dat het paard begin 2017, na terugkeer bij [geïntimeerde] , niet in goede conditie was. De verklaringen en het rapport stemmen in hoofdlijnen met elkaar overeen. Het rapport van [G] geeft bovendien een gedetailleerde beschrijving van de bevindingen na klinisch en röntgenologisch onderzoek. [appellante] heeft hiertegenover ook in appel geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen en het rapport. Het enkele feit dat beide dierenartsen het paard in opdracht van een van partijen hebben onderzocht, betekent niet dat hun bevindingen daarmee niet betrouwbaar zijn. Niet gesteld of gebleken is immers dat de dierenartsen niet deskundig zouden zijn. Nu in hoger beroep eens te meer is gebleken dat het paard in slechte toestand bij [geïntimeerde] terug kwam – niet alleen had het paard in 2013 tijdens een buitenrit ernstig letsel opgelopen, het is ook niet betwist dat het paard was vermagerd, geverfd en een afgeknipte staart had, gaat het hof uit van de juistheid van de bevindingen van [E] en [G] . Het hof acht daarmee evenals de kantonrechter voorshands bewezen dat het paard in 2017 nog slechts een waarde van € 500,- vertegenwoordigde.
4.12.
De kantonrechter heeft tot uitgangspunt genomen dat de waarde van het paard ten tijde van het bestreden vonnis, in goede gezondheid ongeveer € 5.500,- zou zijn geweest. Hiertegen is niet gegriefd en dit blijft dan ook in hoger beroep het uitgangspunt. Evenmin staat ter discussie dat het paard in augustus 2012, toen het bij [appellante] kwam, nog in goede conditie verkeerde. De toestand van het paard is dus in de tussenliggende periode, toen het bij [appellante] was, aanmerkelijk verslechterd. De waardevermindering die het gevolg is van de verslechterde conditie, te weten € 5.000,-, is schade die aan [appellante] kan worden toegerekend. De kantonrechter heeft ook als schade in aanmerking genomen de door [geïntimeerde] gemaakte kosten van het onderzoek door [G] , ad € 453,31.
4.13.
Vervolgens moet worden beoordeeld wat [appellante] daar tegen in heeft gebracht. Tegen voormelde kosten van het onderzoek is niet gegriefd. Met betrekking tot de waardevermindering heeft [appellante] gesteld dat deze voor een deel is toe te schrijven aan natuurlijke veroudering, als gevolg van het oplopen van de leeftijd van het paard. Het hof constateert dat de kantonrechter enige waardevermindering in aanmerking lijkt te hebben genomen, door uit te gaan van een waarde van € 5.500,- waar de overeenkomst een huurkoopsom van in totaal € 7.200,- inhoudt. Voor zover [appellante] wil stellen dat er nog meer waardevermindering in aanmerking had moeten worden genomen ten gevolge van leeftijdstoename van het paard, wat daar ook van zij, moet dit naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van [appellante] blijven. [appellante] heeft immers geen gevolg gegeven aan het arrest van het hof, maar het paard nog jarenlang onder zich gehouden en heeft het zelfs doen voorkomen dat het paard was overleden. Tegenover deze waardevermindering heeft voor [geïntimeerde] niet het genot van het paard gestaan. Ook valt, anders dan [appellante] als mogelijkheid suggereert, niet in te zien dat de waardevermindering van het paard, in weerwil van het geconstateerde letsel, zou zijn toe te schrijven aan een mogelijke aanleg van het paard voor gebreken, nu [appellante] dat op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, laat staan onderbouwd en hierover ook niets uit het dossier blijkt. De suggestie dat de toestand van het paard inmiddels zou zijn verbeterd wordt gepasseerd, nu daaraan niets concreets ten grondslag wordt gelegd, anders dan dat [appellante] erop heeft gewezen dat [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft gesteld dat het met de goede zorg die het krijgt goed gaat met het paard. De zus van [geïntimeerde] heeft echter zowel tijdens de comparitie bij de kantonrechter als bij het hof verklaard dat er niet meer op het paard wordt gereden, en [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg bij antwoord reeds gesteld dat het paard is afgekeurd als sportpaard, artrose heeft en zijn achterbenen niet meer goed kan optillen. [appellante] heeft dat niet gemotiveerd weersproken. Het hof ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding om [appellante] , die in hoger beroep geen bewijsaanbod heeft gedaan, toe te laten tot tegenbewijs of een deskundigenonderzoek te gelasten.
beslissing

5

5.1.
De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
5.2.
Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:- griffierecht € 318,-- salaris advocaat (2 punten x tarief 759,-)Totaal € 1.836,-
beslissing

6

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 15 mei 2018;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.836,- voor verschotten en op € 1.518,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm, mr. K.M. Makkinga en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.