Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:1098

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:1098, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.243.099/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.243.099/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6223173)
arrest van 11 februari 2020

in de zaak van

Kalezo Administratie Flevoland B.V.,

gevestigd te Swifterbant,appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.R. Bügel, kantoorhoudend te Dronten,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [A] ,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellante in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. G.L. Breunesse, kantoorhoudend te Leusden.

ECLI:NL:GHARL:2020:1098:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.243.099/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6223173)
arrest van 11 februari 2020

in de zaak van

Kalezo Administratie Flevoland B.V.,

gevestigd te Swifterbant,appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.R. Bügel, kantoorhoudend te Dronten,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [A] ,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellante in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. G.L. Breunesse, kantoorhoudend te Leusden.
1

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 18 september 2018 heeft op 17 januari 2019 een zitting plaatsgehad. Daarvan is een schriftelijk verslag gemaakt (proces-verbaal). Vervolgens heeft Kalezo haar bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank uiteengezet in een zogenoemde memorie van grieven. Daarop heeft [geïntimeerde] geantwoord. Zij heeft ook geluidsopnamen bij het hof bezorgd (gedeponeerd). [geïntimeerde] heeft bovendien zelf hoger beroep ingesteld (incidenteel appel). Daarop heeft Kalezo op haar beurt geantwoord. Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2

2.1
[geïntimeerde] houdt Kalezo aansprakelijk voor het feit dat zij over 2015, 2016 en 2017 aan haar uitgekeerde toeslagen (zorgtoeslag en kindgebonden budget) heeft moeten terugbetalen, omdat in de door Kalezo voor 2015 ingediende aanvraag geen rekening was gehouden met een vordering die [geïntimeerde] op haar ouders had. Die vordering had betrekking op een door deze ouders nog niet uitbetaalde schenking. Daardoor kwam het vermogen van [geïntimeerde] € 765,- boven de toepasselijke vrijstelling uit (€ 104.188 - € 103.423). Dat heeft ertoe geleid dat zij de al uitgekeerde toeslagen over 2015, 2016 en 2017 heeft moeten terugbetalen. De afspraken met Kalezo zijn als volgt tot stand gekomen.
2.2
De echtscheiding van [geïntimeerde] was aanleiding tot een bespreking over de financiële situatie die daardoor was ontstaan. Die vond plaats op 24 oktober 2014. [geïntimeerde] heeft Kalezo toen gewezen op de schenking van haar ouders (een nog openstaande vordering van [geïntimeerde] ) en op een door de ouders verstrekte hypothecaire geldlening (een schuld van [geïntimeerde] ). Kalezo heeft in dit gesprek gezegd dat [geïntimeerde] in 2014 geen aanspraak op toeslagen kon maken, maar in 2015 (misschien) wel. [geïntimeerde] heeft Kalezo vervolgens opdracht gegeven de aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen 2014 te verzorgen en een zorgtoeslag en een kindgebonden budget 2015 aan te vragen. Kalezo is bij de aanvraag van die toeslagen uitgegaan van de vermogensopstelling uit de door haar opgestelde belastingaangifte. Dat heeft ertoe geleid dat aan [geïntimeerde] over 2015, 2016 en 2017 telkens een zorgtoeslag is toegekend van € 973,- en een kindgebonden budget van € 5.033,- (samen € 6.006,-). Begin 2017 bleek echter dat Kalezo de vordering op haar ouders (de schenking) in de belastingaangiften over 2015 en later niet bij het vermogen onder box 3 had opgegeven. De correctie die Kalezo daarna doorvoerde, heeft er toe geleid dat de zorgtoeslag en het kindgebonden budget alsnog op nihil werden vastgesteld. Peildatum was daarbij steeds de vermogenspositie per 1 januari van het jaar waarop deze vergoedingen betrekking hadden. [geïntimeerde] heeft de ontvangen toeslagen over 2015, 2016 en 2017 moeten terugbetalen.
2.3
Bij de rechtbank heeft [geïntimeerde] het totaal van de misgelopen toeslagen gevorderd (€ 18.118,-), vermeerderd met rente en kosten. Over 2015 is die vordering toegewezen (een hoofdsom van € 6.006,-). De schade die [geïntimeerde] in 2016 en 2017 heeft geleden, ligt volgens de rechtbank in een te ver verwijderd verband met het in oktober 2014 gegeven advies. Dat deel van de vordering is daarom afgewezen.
2.4
Het hoger beroep van Kalezo richt zich tegen de toewijzing (2015), dat van [geïntimeerde] richt zich tegen de afwijzing (2016 en 2017). In afwijking van haar oorspronkelijke eis heeft [geïntimeerde] nu de wettelijke rente vanaf de inleidende dagvaarding gevorderd. Tegen die wijziging van haar eis heeft Kalezo geen bezwaar gemaakt. Omdat het hof ook geen bezwaren heeft, zal het deze wijziging toestaan.
overwegingen

3

Kalezo had [geïntimeerde] niet hoeven te adviseren haar vermogen te verlagen

3.1
Er bestaat geen discussie over dat Kalezo een fout heeft gemaakt door de vordering van [geïntimeerde] op haar ouders niet in de belastingaangifte te verwerken. Als dat goed was gegaan, dan was het eindresultaat niet per se anders geweest. In dat geval zouden immers van meet af aan geen toeslagen zijn toegekend, en boetes of rente hoefde [geïntimeerde] niet te betalen. Daar houdt het verwijt echter niet op. Waar het [geïntimeerde] ook om gaat, is dat Kalezo eind 2014 had moeten wijzen op de mogelijkheid haar vermogen in box 3 te verlagen. Dat advies zou zij hebben opgevolgd, en dat zou wel tot toekenning van de toeslagen hebben geleid, zonder dat die later zouden zijn teruggevorderd. Fiscaal gezien bestond die mogelijkheid ook: [geïntimeerde] had haar spaargeld kunnen gebruiken om de schuld aan haar ouders af te lossen. Zij had ook haar eigen schuld aan haar ouders (de 'lening eigen woning') kunnen verrekenen met de vordering die zij zelf op hen had.
3.2
Dat die mogelijkheid inderdaad bestond (al was het de bedoeling de lening eigen woning niet af te lossen), wordt door Kalezo niet bestreden. Zij betwist wel dat het op haar weg lag [geïntimeerde] daarover in 2014 te adviseren. Het feit dat zij als belastingconsulent staat ingeschreven, betekent volgens haar namelijk nog niet dat met [geïntimeerde] een adviesrelatie tot stand is gekomen; in dit geval is niet meer of anders afgesproken dan het doen van aangifte inkomstenbelasting 2014 en het eventueel aanvragen van toeslagen 2015 op basis van de aangifte 2014. In oktober 2014 heeft daarover een intakegesprek plaatsgevonden, en is een inventarisatie gemaakt van de gegevens die Kalezo nog moest ontvangen. Bij dat gesprek heeft [geïntimeerde] wel financiële gegevens verstrekt (de schenkingsakte en de hypothecaire schuld aan de ouders zijn toen ook aan de orde geweest), maar naar het spaarvermogen is niet gevraagd, omdat de voor het recht op toeslagen relevante peildatum op 1 januari 2015 ligt. Alle voor de gemaakte berekening relevante gegevens heeft [geïntimeerde] pas na die datum aangereikt. Ook op 1 januari 2015 was Kalezo daardoor nog niet op de hoogte van de vermogenspositie van [geïntimeerde] . Kalezo wist daarom toen nog niet dat dit vermogen net boven de vermogensgrens zou uitkwam, en kon daarover ten tijde van de intake dus nog helemaal geen advies geven - als de contractuele verhoudingen die verplichting al zouden meebrengen.
3.3
Het hof stelt bij de te maken beoordeling voorop dat [geïntimeerde] uitgaat van een adviesplicht in oktober 2014, en niet op 1 januari 2015 of rond het tijdstip van aangifte/aanvraag (9 maart 2016) of het moment van 'eerste aanzet' (3 april 2015, zie Memorie van Grieven onder 13). Zij heeft geen bewijs aangeboden van haar stelling dat Kalezo toen al, in 2014, de noodzakelijke berekeningen kon maken en in staat was daarover advies te geven. Dat kon ook niet worden afgeleid uit de opname die [geïntimeerde] bij het hof heeft bezorgd van een gesprek dat zij in 2017 op het kantoor van Kalezo heeft gehad. Daarmee bestaat geen grond voor toewijzing van haar vordering - ook voor zover die betrekking heeft op 2015. Om advies te kunnen geven was inzicht in de vermogenspositie immers onontbeerlijk (het spaartegoed), en Kalezo zegt dat toen niet te hebben gehad.
De conclusie

3.4
Het vonnis van 9 mei 2018 zal worden vernietigd. De vordering van [geïntimeerde] zal alsnog geheel worden afgewezen. Kalezo heeft ook vernietiging gevraagd van het vonnis van 15 november 2017, maar daar zijn geen klachten tegen geformuleerd. In zoverre kan zij in het hoger beroep niet worden 'ontvangen'.
3.5
Kalezo heeft ook terugbetaling gevorderd van wat zij op grond van het te vernietigen vonnis al heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente. Hoewel die terugbetalingsverplichting wel bestaat, zal deze vordering niet worden toegewezen, omdat onduidelijk is wanneer welk bedrag betaald is. [geïntimeerde] zal in het principaal en incidenteel appel in de proceskosten worden veroordeeld, en ook in de kosten die in de procedure bij de rechtbank zijn gemaakt.
De beslissing

Het hof verklaart Kalezo niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland in Lelystad van 15 november 2017.

Het hof vernietigt het vonnis van deze kantonrechter van 9 mei 2018.

Het hof wijst de vordering van [geïntimeerde] alsnog geheel af.

Het hof veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het de procedure bij de kantonrechter en de kosten van het hoger beroep. De kosten die Kalezo bij de kantonrechter heeft gemaakt, worden vastgesteld op nihil aan verschotten en € 1.086,- aan salaris. In hoger beroep worden haar kosten tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 808,57,- aan verschotten en € 2.055,- aan salaris. Deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na de datum van dit arrest. Als niet op tijd wordt betaald, worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente.

Het hof veroordeelt [geïntimeerde] ook tot betaling van € 157,- aan nakosten. Dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- als [geïntimeerde] niet heeft betaald binnen veertien dagen na aanschrijving en betekening van deze uitspraak. Als na die aanschrijving en betekening niet is betaald, dan worden deze kosten verhoogd met de wettelijke rente.

Ten aanzien van de proceskostenveroordeling is deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad. Wat verder is gevorderd, wordt afgewezen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. M. Willemse en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.