Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:1081

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:1081, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/00368


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwardennummer 19/00368uitspraakdatum:
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] [Z]
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 februari 2019, nummer LEE 17/4441, ECLI:NL:RBNNE:2019:488, in het geding tussen belanghebbende en

de van de (hierna: de Inspecteur)

ECLI:NL:GHARL:2020:1081:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwardennummer 19/00368uitspraakdatum:
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] [Z]
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 februari 2019, nummer LEE 17/4441, ECLI:NL:RBNNE:2019:488, in het geding tussen belanghebbende en

de van de (hierna: de Inspecteur)

procesverloop

1

1.1.
De Inspecteur heeft een informatiebeschikking genomen met betrekking tot de voor het jaar 2013 aan belanghebbende op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag waarop die uitspraak is verzonden, aan het informatieverzoek te voldoen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2

2.1.
Belanghebbende heeft in haar aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2013 de aankoopprijs van het pand aan de [a-straat] 2 te [Z] (hierna: het pand) opgenomen bij de grondslag ter bepaling van haar inkomen uit sparen en beleggen.
2.2.
Belanghebbendes aangifte is te zamen met die van haar echtgenoot [A] namens de Inspecteur in behandeling genomen door drs. [B] ( [B] ). In verband met de behandeling van deze aangiften heeft [B] een brief met dagtekening 2 februari 2016 gestuurd aan administratiekantoor [C] . In deze brief zijn vragen gesteld met betrekking tot het gebruikelijk loon, privégebruik van de auto, bronbelasting en voorkoming van dubbele belasting in verband met buitenlands onroerend goed. Na beantwoording van deze brief door [D] ( [D] ) heeft [B] een nadere vragenbrief met dagtekening 7 april 2016 gestuurd, die [D] bij brief van 28 april 2016 heeft beantwoord. Hierbij heeft hij nadere informatie verstrekt over een managementovereenkomst met L&B Interim Management. Verder heeft afstemming plaatsgevonden over het gebruikelijk loon en de bronbelasting.
2.3.
Op 8 juli 2016 heeft een bespreking plaatsgevonden, waarbij [D] , belanghebbendes echtgenoot, [E] en [B] aanwezig waren. Naar aanleiding van deze bespreking heeft [B] een brief met dagtekening 18 juli 2016 aan Administratiekantoor [C] gestuurd. Onder het kopje „ schreef [B] :
„Aan het eind van de bespreking hebben wij kort gesproken over [a-straat] 2 te [Z] . De heer [A] heeft aangegeven dat het pand is aangeschaft met de intentie om het te verbouwen tot appartementen.

Hetgeen de heer [A] tijdens de bespreking heeft verteld, heeft mij aanleiding gegeven tot nader onderzoek. Mogelijk is het pand ten onrechte opgenomen in box 3, omdat het zou kunnen kwalificeren als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1.

Om dit nader te kunnen beoordelen, verzoek ik u mij de volgende gegevens te verstrekken, onderbouwd aan de hand van relevante documenten:

- Wie heeft de bouwvergunning aangevraagd?

- Wie heeft de aannemer geselecteerd?

- Wie heeft de vergunningen aangevraagd?

- Wie heeft de contracten met de aannemer/bouwvakkers onderhouden?

- Wie heeft toezicht gehouden op de werkzaamheden?

- Overzicht van de kosten (architect, vergunning, verbouwing etc.);

- Welke werkzaamheden hebben de heer en mevrouw [X/A] verricht?

- Op welke datum is de verbouwing gestart?

- Op welke datum is het opgeleverd?

- Hoeveel appartementen zijn er ontstaan?

- Is het pand gesplitst in appartementsrechten? Zo ja, dan ontvang ik graag de akte. Zo nee, waarom niet?

- Op welke data zijn de huurcontracten ingegaan?

- Wie onderhoudt het contact met de huurders?

- Welke werkzaamheden worden er nog verricht, sinds het pand is opgeleverd en

verhuurd?

- Waarom is volgens u (in de periode tot aan de verhuur) geen sprake van resultaat

uit overige werkzaamheden, daaronder begrepen het rendabel maken van

vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals

het uitponden van onroerende zaken?”.

2.4.
Bij brief van 30 augustus 2016 antwoordde [D] als volgt:
„ROW, a. Bouwvergunning door BBAW aangevraagd

b. BBAW heeft de geselecteerd
c. BBAW heeft de vergunningen aangevraagd zie punt a hiervoor

d. BBAW heeft alles begeleid

e. BBAW heeft toezicht gehouden op hetgeen

f. Fam [X/A] heeft geen werkzaamheden in deze verricht

g. Verbouwing zal in 2012/2013 zijn gestart

h. Oplevering eind 2014/begin 2015

i. 14 appartementen zijn ontstaan

j. Er is geen akte van splitsing nodig omdat het eigendom van 1 eigenaar is.

k. November 2014 tot februari 2015 zijn de huurcontracten ingegaan

l. [F] Makelaardij onderhoud verder alle zaken met en namens de

huurders

m. Er worden geen werkzaamheden door cliënten verricht

n. Het gaat hier om normaal vermogensbeheer, mede gelet op het feit dat

cliënten het voltallig werk heeft uitbesteed en zelf geen werkzaamheden

verricht voor dit pand.”.

[D] heeft bij zijn brief geen documenten gevoegd en ook geen overzicht van de kosten opgesteld.
2.5.
Bij brief van 16 februari 2017 liet [G] (hierna: [G] ), werkzaam als controlemedewerker bij de Inspecteur, aan belanghebbende weten dat hij haar een aantal vragen wilde stellen met betrekking tot de verbouw van het pand. [G] wilde vaststellen of belanghebbende het pand terecht had aangemerkt als een vermogensbestanddeel in box 3. Hij verzocht belanghebbende om binnen veertien dagen na dagtekening van de brief contact met hem op te nemen voor het maken van een afspraak. [G] schreef verder:
„Doel van de bespreking is het verkrijgen van een nader beeld van het pand, en de daaraan uitgevoerde werkzaamheden, aan [a-straat] 2 te [Z] . Ik stel het in dit kader op prijs om het pand te mogen bezichtigen. Verder verzoek ik u voorafgaand aan de bespreking de volgende informatie (digitaal) te verstrekken:

 
2.6.
[G] heeft op een telefonisch verzoek van belanghebbendes gemachtigde tot 15 maart 2017 uitstel verleend voor de beantwoording van de gestelde vragen. Op die datum liet de gemachtigde per e-mail aan [G] weten dat de informatie werd verzameld en nog niet volledig beschikbaar was. Zij hoopte [G] uiterlijk twee weken later nader te berichten. [G] heeft de gemachtigde telefonisch dat uitstel verleend. Daarbij vroeg hij om een afspraak te maken voor een bezichtiging. De gemachtigde zei dat zij op dit laatste zou terugkomen.
2.7.
Bij brief van 31 maart 2017 deelde belanghebbendes gemachtigde aan [G] onder meer het volgende mee:
„Cliente meende dat deze kwestie reeds was afgewikkeld door uw voorganger mevrouw drs. [B] . Zij heeft namelijk eerder (2 februari 2016) een uitvoerige vragenbrief daarover gezonden aan administratiekantoor [C] . Dit kantoor heeft haar vragen beantwoord. Samengevat volgt uit die informatie dat cliënte de verbouwingswerkzaamheden aan het pand alsook de verhuur volledig heeft uitbesteed.”

(…)

„Cliënte is slechts zijdelings betrokken bij haar beleggingsobject omdat alle werkzaamheden die daarmee samenhangen volledig zijn uitbesteed. Zij is louter financier en belegger in het pand en wenst dat ook zo te houden de komende jaren. Voor haar staat vast dat er over de kwalificatie van deze belegging voor de heffing van inkomstenbelasting (box 3) geen discussie kan bestaan.

Gegeven die feiten en omstandigheden, het eerdere onderzoek en de daarbij verstrekte informatie ontgaat het cliënte welk relevant belang de inspecteur (nog) heeft bij een bespreking en/of een bezoek aan het pand. Met het oog op de privacy van de huurders is het overigens maar de vraag of zij de inspecteur (en de door hem aangewezen deskundigen) toegang dient en kan verlenen.

Vanzelfsprekend ben ik namens cliënte bereid om voor zoveel nodig met u overleg te voeren zodat haar belastingaangifte 2013 snel kan worden afgewikkeld.”.

2.8.
Bij brief van 5 april 2017, gericht aan belanghebbende, sommeerde [G] belanghebbende op grond van de artikelen 47, 49 en 50 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om voor 20 april 2017 de gevraagde informatie te verstrekken en een afspraak te maken voor een bespreking en een bezichtiging van het pand. Hierbij deelde [G] mee dat hij, als belanghebbende niet aan dit verzoek voldeed, genoodzaakt was om een informatiebeschikking uit te reiken. Hierop volgde een e-mailwisseling tussen belanghebbendes gemachtigde en [G] over de machtiging van belanghebbendes gemachtigde.
2.9.
Bij e-mailbericht van 19 april 2017 wees belanghebbendes gemachtigde [G] erop dat zij het aanbod had gedaan om constructief overleg te voeren. [G] reageerde hierop telefonisch, waarna de gemachtigde van belanghebbende [G] liet weten dat zij alsnog bij belanghebbende zou informeren naar de bereidheid om de gevraagde informatie te leveren.
2.10.
Bij brief van 26 april 2017, gericht aan [G] , beschreef belanghebbendes gemachtigde in chronologische volgorde de contacten die in haar optiek met de Belastingdienst hebben plaatsgevonden inzake belanghebbendes aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2013. Belanghebbendes gemachtigde besloot haar brief met:
„Gelet op haar gemotiveerde en constructieve opstelling en diametrale werkwijze van de inspecteur onder meer voor wat betreft (i) de kwalificatie van het pand, (ii) het volharden in het maken van een directe afspraak met cliënte en (iii) de weigering schriftelijk te reageren op de correspondentie, heeft cliënte ieder vertrouwen in een fatsoenlijke aanpak door de inspecteur - die tevens in overeenstemming is met de beginselen van behoorlijk bestuur – verloren.

Om verder tijdrovende en langdurige discussies te vermijden bestaat dezerzijds (voor de laatste keer) de bereidheid om namens cliënte te overleg te voeren op mijn kantoor in hoeverre haar aangifte inkomstenbelasting 2013 vlot kan worden afgewikkeld. U kunt daarvoor een afspraak met mij maken.”.

2.11.
De Inspecteur heeft vervolgens ten aanzien van belanghebbende de onderhavige informatiebeschikking met dagtekening 9 mei 2017 genomen. In deze beschikking heeft de Inspecteur onder meer vermeld:
„In verband met het behandelen van de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2013, van uw cliënte mevrouw [X] , is verzocht om inlichtingen en/of (de inhoud van) gegevensdragers die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van uw cliënte. Mevrouw [X] heeft niet of niet geheel aan deze informatieverzoeken voldaan. Het gaat om de volgende verzoeken:

werkzaamheden.


2.12.
Nadat het Hof de Inspecteur ervan in kennis had gesteld dat hoger beroep was ingesteld, zond de landelijk coördinator civiele heffingsprocedures [H] het Hof namens de Inspecteur een brief, gedagtekend 5 april 2019, met de volgende inhoud:
„Graag wend ik mij tot uw Gerechtshof met het volgende.

Onlangs is tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 14 februari 2019, kenmerk LEE 17 /4441 AWR52A BOSC door belanghebbende beroep ingesteld bij uw Hof. Het kenmerk van uw Hof is 1031.62.720,BKARARN1900368. Een kopie van de uitspraak sluit ik bij. Het betreft een procedure tegen een door de inspecteur genomen informatiebeschikking.

De belastingdienst is al geruime tijd, vanaf medio 2016, in gesprek met belanghebbende en haar gemachtigden over de te verstrekken informatie. Kortheidshalve wil ik u verwijzen naar het feitenoverzicht in de uitspraak van de Rechtbank. Uiteindelijk heeft dit overleg geresulteerd in de informatiebeschikking met dagtekening 9 mei 2017 en de uitspraak van de Rechtbank, waartegen thans beroep is ingesteld.

De belastingdienst heeft niet het vertrouwen dat deze rechtsgang met betrekking tot de informatiebeschikking uiteindelijk zal leiden tot het verstrekken van de gevraagde informatie. Daar is deze procedure rond de informatiebeschikking ook niet primair op gericht. Als de beschikking uiteindelijk onherroepelijk komt vast te staan, zal dit uitsluitend processuele, bewijsrechtelijke, gevolgen hebben voor belanghebbende in de fiscale procedure over de aanslag. De gevraagde informatie kan de inspecteur nog altijd worden onthouden, ondanks het feit dat belanghebbende in de uitspraak in de gelegenheid wordt gesteld om aan het informatieverzoek te voldoen.

De belastingdienst overweegt om deze redenen dan ook om een civiele procedure tegen belanghebbende aan te spannen tot nakoming van het litigieuze verzoek om informatie én nog te verzoeken informatie. Gelet op de procedure die thans bij u in behandeling is, wil ik u daarover met deze brief informeren. Indien uw Hof daarover vragen heeft of anderszins, kunt u mij op de in de marge genoemde adressen en nummers bereiken.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”.

3

3.1.
In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de Inspecteur bij het nemen van de informatiebeschikking in het algemene rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden en heeft gehandeld met détournement de pouvoir. Ter zitting heeft belanghebbendes gemachtigde het aanvankelijk gedane beroep op het motiveringsbeginsel ingetrokken. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de informatiebeschikking.
3.3.
De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd betwist en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
overwegingen

4

4.1.
Ter zitting heeft belanghebbendes gemachtigde desgevraagd laten weten dat niet in geschil is dat de door de Inspecteur aan belanghebbende gestelde vragen van belang kunnen zijn voor de op te leggen aanslag en voorts dat de gestelde schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet ziet op de voorafgaand aan het nemen van de informatiebeschikking gestelde vragen, maar op het nemen van die beschikking zelf.
4.2.
De stelling dat de Inspecteur heeft gehandeld met détournement de pouvoir is, zo heeft belanghebbendes gemachtigde ter zitting verduidelijkt, gestoeld op de passage in de brief van [H] , inhoudende dat de procedure rond de informatiebeschikking niet primair erop is gericht dat deze uiteindelijk zal leiden tot het verstrekken van de gevraagde informatie.
4.3.
Evenbedoelde passage kan, hoewel zij enigszins ongelukkig is geformuleerd, in haar context moeilijk anders worden begrepen dan als een weergave van de opvatting van de Inspecteur dat het handhaven van de informatiebeschikking, ook indien zij niet zal leiden tot het alsnog verstrekken door belanghebbende van de gevraagde informatie, zinvol is in verband met de omkering en verzwaring van de bewijslast. Belanghebbendes stelling berust derhalve op een onjuiste lezing ervan.
4.4.
Belanghebbendes gemachtigde heeft desgevraagd geen ander doel kunnen aanduiden waartoe de Inspecteur de informatiebeschikking heeft genomen dan het bewerkstelligen dat belanghebbende de gevraagde informatie zou verstrekken en dat bij het uitblijven daarvan de wettelijk voorziene sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast hun beslag zouden krijgen. Belanghebbende is ten aanzien van het gestelde détournement de pouvoir derhalve tekortgeschoten in haar stelplicht.
4.5.
Aan de gestelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft belanghebbende geen feiten ten grondslag gelegd die zien op het nemen van de informatiebeschikking. Zij is ook daarbij tekortgeschoten in haar stelplicht.
4.6.
Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden geoordeeld de Inspecteur bij het nemen van de informatiebeschikking een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
4.7.
Het Hof zal belanghebbende, nu de door de Rechtbank gestelde termijn is verlopen, een termijn van vier weken stellen, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen zoals opgenomen in de informatiebeschikking.
Slotsom

5

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en- stelt belanghebbende een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag na die waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden, om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen zoals opgenomen in de informatiebeschikking.
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Het Hof:

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie.Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.