Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:1067

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:1067, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-004548-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2020:1067:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004548-18 Uitspraak d.d.: 11 februari 2020TEGENSPRAAK
Verkort arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 1 augustus 2018 met parketnummer 05-201097-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 05-840606-15, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990, wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.S. ter Haar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van 1 augustus 2018 door de politierechter in de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren wegens een poging zware mishandeling. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 500,-. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke werkstraf is toegewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairhij, op of omstreeks 6 april 2017 te Apeldoorn, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] naar de grond heeft gewerkt en/of terwijl deze bewusteloos op de grond lag, een of meerdere malen, met geschoeide voet, op/tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiairhij, op of omstreeks 6 april 2017 te Apeldoorn, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] naar de grond te werken en/of terwijl deze bewusteloos op de grond lag, eenmaal of meerdere malen, met geschoeide voet, op/tegen het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs


Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het primair aan hem ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte bekend heeft dat hij tegen het hoofd van verdachte geschopt heeft en dat dit feit steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Door aldus te handelen heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Een eventueel beroep op noodweer(exces) kan niet slagen nu niet gebleken is dat verdachte zich op dat moment moest verweren tegen aangever. Aangever lag immers bewusteloos op de grond. Verdachte heeft bovendien niet gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de poging zware mishandeling niet bewezen kan worden wegens het ontbreken van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft gehandeld uit angst, paniek en verwarring. Voorwaardelijk opzet kan ook niet bewezen worden. Verdachte probeerde zich te verweren, de schop die verdachte heeft gegeven is een domme actie geweest. Verdachte heeft uit emotie gehandeld.

Ook ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling ontbreekt het opzet. Bovendien kan niet vastgesteld worden dat het letsel ontstaan is door de mishandeling.
Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder in het navolgende.

Op 6 april 2017 is verdachte – naar aanleiding van een eerder conflict tussen de zus van verdachte en aangever die dag – naar de woning van aangever gegaan. Aldaar heeft hij geprobeerd om, vanuit zijn auto, de aandacht van aangever te trekken door middel van een beweging met zijn arm. Verdachte stelt dat hij met aangever wilde praten over hetgeen eerder was voorgevallen tussen zijn zus en aangever. Aangever kwam hierop niet naar buiten. Toen verdachte even later in zijn bus wilde stappen trok aangever het portier aan de passagierszijde open. Hierna ontstond duw- en trekwerk tussen verdachte en aangever. Verdachte stelt dat aangever hem op een gegeven moment heeft vastgepakt en een aantal keren tegen de zijkant van het gezicht heeft geslagen. Dit deed aangever terwijl hij verdachte van achteren vastpakte. Getuige [getuige 1] heeft ook verklaard dat aangever verdachte meerdere malen heeft geslagen. Deze [getuige 1] heeft aangever op een gegeven moment naar de grond gewerkt. Aangever kwam hierbij met zijn hoofd op de stoeprand en raakte buiten bewustzijn. Verdachte stond – volgens zijn eigen verklaring – op dat moment met zijn rug naar aangever. Toen hij zich omdraaide zag hij dat aangever op de grond lag. Direct hierna heeft hij aangever met geschoeide voet tegen het hoofd getrapt. Het trappen tegen het hoofd vindt steun in onder andere de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

Uit de zich in het dossier bevindende medische verklaring blijkt dat aangever op 6 april 2017 bij de huisartsenpost en het oogheelkundig centrum is geweest. Aldaar is geconstateerd dat aangever onder andere een wond aan zijn linker wenkbrauw en oogtrauma had.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Aan de hand van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte aangever met geschoeide voet – te weten een klomp – tegen het hoofd heeft geschopt. Aangever lag op dat moment bewusteloos op de grond.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel is van het menselijk lichaam. Eén harde trap tegen het hoofd kan – op zijn minst – tot zwaar lichamelijk letsel leiden. Bij een trap met geschoeide voet tegen het hoofd is dan ook de aanmerkelijke kans aanwezig dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomt. Het hof is van oordeel dat het met geschoeide voet trappen tegen het hoofd van aangever zozeer is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Onder deze omstandigheden en gezien de aard van de gedraging is dan ook voldaan aan het vereiste van het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De primair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primairhij, op 6 april 2017 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] terwijl deze bewusteloos op de grond lag met geschoeide voet, tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.

Het hof overweegt hierbij dat voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat er sprake is geweest van een noodweersituatie het niet aannemelijk is geworden dat er – op het moment dat verdachte de schop tegen het hoofd heeft gegeven – sprake was van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf of goed. Aangever lag immers buiten bewustzijn op de grond toen verdachte hem tegen het hoofd trapte, dus er ging op dat moment geen enkele dreiging uit van zijn persoon.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer niet slaagt.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte

Voor zover de raadsvrouw nog een beroep op noodweerexces heeft willen doen, is het hof van oordeel dat nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich op het geheel subsidiaire standpunt gesteld dat verdachte veroordeeld zou moeten worden tot een geldboete of een vrijheidsbenemende straf van maximaal één dag, eventueel gecombineerd met een taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen, op grond waarvan het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend vindt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit, namelijk het met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd van aangever. Verdachte heeft daarbij voor lief genomen dat aangever ten gevolge hiervan zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Aangever heeft letsel opgelopen en wordt nog immer geconfronteerd met de gevolgen van het tegen hem gebruikte geweld. Dit soort geweld in de openbare ruimte heeft niet alleen gevolgen voor het slachtoffer maar zorgt ook voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof houdt bij de bepaling van de strafmaat voorts rekening met de rechterlijke oriëntatiepunten ter zake van zware mishandeling, waarbij wordt opgemerkt dat het in de onderhavige zaak om een poging gaat. Hierbij weegt het hof mee dat verdachte blijkens het op hem betrekking hebbend Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 januari 2020 reeds eerder veroordeeld is wegens een geweldsdelict. Op grond hiervan acht het hof een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals is opgelegd door de rechtbank in beginsel passend.

Blijkens hetzelfde Uittreksel Justitiële Documentatie is verdachte sinds het onderhavige feit niet meer in aanraking geweest met politie en justitie. Het feit is gepleegd in april 2017, inmiddels dus al bijna drie jaar geleden. Verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. Hieruit maakt het hof op dat hij zijn leven op de rit heeft; hij wil samen met zijn partner een leven opbouwen, zij hebben inmiddels een huis gekocht en verdachte heeft binnenkort zicht op een vaste baan als vrachtwagenchauffeur.

Alles afwegende en gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval – meer in het bijzondere de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd – is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]


De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.467,32. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een lager bedrag dan haar oorspronkelijke vordering, te weten € 4492,00 ter zake materiële schade en € 1500,00 aan immateriële schade.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering ter zake van de materiële schade, deze post is te ingewikkeld om vast te stellen en vormt een onevenredige belasting voor het strafgeding.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,- en voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dan wel afgewezen dient te worden, nu zij zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte in zijn geheel vrijgesproken dient te worden.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het causale verband tussen het letsel en het handelen van verdachte niet vastgesteld kan worden. Het letsel kan ook zijn ontstaan door de val op de stoeprand. Ter zake de materiële schade is er sprake van een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk verklaard te worden in haar vordering.

Oordeel hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat op basis van de feiten zoals deze blijken uit het dossier en de medische verklaringen ter onderbouwing van de vordering, het causale verband tussen in ieder geval het (oog)letsel aan het gezicht en de trap voldoende vaststaat. Het hof wijst de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toe tot een bedrag van € 1000,- Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Arnhem van 16 juni 2016 opgelegde voorwaardelijke 40 uren werkstraf subsidiair 40 dagen hechtenis. Het hof zal zich niet bevoegd verklaren om kennis te nemen van deze vordering.

Op 1 januari 2020 is de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) in werking getreden. Op grond van deze wetgeving is de bevoegde rechter bij beslissingen inzake tenuitvoerlegging het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop die beslissing ziet, tenzij een wettelijke bepaling in een afwijkende regeling voorziet. De wet voorziet niet in een overgangsregeling.

Hoewel het openbaar ministerie de vordering tot tenuitvoerlegging voor 1 januari 2020 en daarmee rechtsgeldig bij het hof heeft ingediend, acht het hof zich niet bevoegd tot kennisneming van de vordering, nu een wettelijke basis ontbreekt om na 1 januari 2020 te beslissen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het toepassen van de oude regeling veroordeelde niet zonder meer in een gunstiger positie zou plaatsen, nog daargelaten of daartoe een mogelijkheid bestaat. Het hof acht zich daarom niet bevoegd tot kennisneming van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften


Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van .
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 20 (twintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 6 april 2017.

Verklaart zich niet bevoegd tot kennisneming van de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 05-840606-15.

Aldus gewezen doormr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,mr. M.J. Vos en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,en op 11 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.