Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:9526

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:9526, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.251.242/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.251.242/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/181391 / HA ZA 18-7)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2019:9526:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.251.242/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/181391 / HA ZA 18-7)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

1

wonende te [A] ,
2. [appellante2]

wonende te [A] ,appellanten,in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eiseressen in reconventie,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. W.S. Santema, kantoorhoudend te Sneek,
tegen

1

wonende te [A] ,
2. [geïntimeerde2]

wonende te [A] ,geïntimeerden,in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. M.M. Rietveldt, kantoorhoudend te Hoogezand.
1

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 juli 2019 hier over.In genoemd tussenarrest heeft het hof een (enkelvoudige) comparitie van partijen ter plaatse gelast. De comparitie ter plaatse heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2019.
1.2
Na afloop van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het ten behoeve van de comparitie door [appellanten] c.s. overgelegde procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie van partijen.
2

2.1
Het hof gaat uit van de navolgende feiten.
2.2
[geïntimeerden] c.s. zijn eigenaar van een perceel met woonhuis en garageboxen aan de [a-straat] 83 te [A] kadastraal bekend gemeente [A] , sectie [Y] nummer 3027.
2.3
[appellanten] c.s. zijn eigenaar van een perceel met woonhuis en garage gelegen aan de [a-straat] 86 te [A] kadastraal bekend gemeente [A] , sectie [Y] nummer 2608.
2.4
De percelen van [geïntimeerden] c.s. en [appellanten] c.s. grenzen aan elkaar. Over het perceel van [geïntimeerden] c.s. loopt, gelegen naast het perceel van [appellanten] c.s., een weg die aansluit op de [a-straat] . Deze weg werd door [appellanten] c.s. gebruikt om de op het perceel van [appellanten] c.s. gelegen garage te bereiken. Over het gebruik van die weg is een geschil ontstaan waarna partijen overeenstemming hebben bereikt over de vestiging van een erfdienstbaarheid.
2.5
Bij notariële akte van 4 september 2015 is een erfdienstbaarheid van weg overeengekomen ten gunste van het perceel van [appellanten] c.s. en ten laste van het perceel van [geïntimeerden] c.s. De akte bepaalt voor zover van belang het navolgende:
a. (…)

[Y] . De eigenaren en bevoegde gebruikers van het heersende erf en het dienende erf mogen de weg uitsluitend gebruiken:

- als fietspad; één en ander op de wijze waarop de weg thans wordt gebruikt;

- als weg voor gebruik met auto, motor, landbouwvoertuigen, aanhangers, quad, scooter, alles in de ruimste zin des woords;

c. Het is zowel de eigenaar van het heersende erf als die van het dienende erf en alle andere personen die van de weg gebruik maken verboden om vervoermiddelen van welke aard ook of andere zaken op de weg te plaatsen anders dan voor het directe gebruik van de weg als zodanig vereist zal zijn, zodat dit gebruik ongehinderd en onverminderd zal kunnen plaats hebben. Indien in strijd met deze bepaling mocht zijn gehandeld, zullen beide partijen of hun gemachtigden bevoegd zijn datgene wat zich op de weg bevindt, zonder enige aanmaning te verwijderen en elders te plaatsen.

d. Ingeval van bebouwing, verbouwing, splitsing of verandering van aard of bestemming van het heersende erf blijft de erfdienstbaarheid ongewijzigd voortbestaan.

“(…)

Artikel 1

Omschrijving erfdienstbaarheid

De erfdienstbaarheid van weg om ten laste van het erf sub 1 en ten behoeve van het erf sub 2 te komen van en te gaan naar de garage en de openbare weg, genaamd [a-straat] te [A] , over de bestaande oprit gelegen tussen het registergoed van partij 1 en partij 2, over een breedte van circa drie meter; een en ander zoals is aangegeven op de aan deze akte gehechte situatietekening, hierna te noemen: “de weg”.
Artikel 2

Bepalingen

Met betrekking tot de erfdienstbaarheid gelden de volgende bepalingen.

(…)”

Anders dan de notariële akte onder artikel 1 vermeldt is geen situatietekening aangehecht.
2.6
[geïntimeerden] c.s. zijn voornemens een garage te bouwen op de met [Y] aangegeven plaats op onderstaande kadastrale tekening.
Het pad loopt op het perceel van [geïntimeerden] c.s. vanaf de [a-straat] parallel aan de erfgrens richting de met [Y] aangegeven plaats. In de op erfgrens geplaatste schutting hebben [appellanten] c.s. nabij de met [Y] aangegeven plaats twee deuren aangebracht die (thans) opendraaien richting het perceel van [appellanten] c.s.

center
100
2c8da82d-e0df-4822-b5da-bceda77507ce
511
662
image/png

beslissing

3

3.1
[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg in conventie samengevat een verklaring voor recht gevorderd dat de draairichting van de deur in de schutting zal worden gewijzigd richting het erf van [appellanten] c.s. alsmede veroordeling van [appellanten] c.s. tot het verlenen van medewerking aan de rectificatie van de akte van erfdienstbaarheid in die zin dat daarin wordt opgenomen dat de deur in de schutting richting het erf van [appellanten] c.s. opent en veroordeling van [appellanten] c.s. om één deur in de schutting te plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom met veroordeling van [appellanten] c.s. in de kosten van het geding.
3.2
[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg een onbevoegdheidsincident opgeworpen en geconcludeerd tot onbevoegd verklaring van de kantonrechter met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het incident.

3.3
[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg in reconventie samengevat – voor het geval [appellanten] c.s. in conventie gehouden is tot rectificatie – veroordeling gevorderd van [geïntimeerden] c.s. om mee te werken aan het aanpassen van de akte van erfdienstbaarheid alsmede [geïntimeerden] c.s. te veroordelen het pad te herstellen c.s. te onderhouden op verbeurte van een dwangsom en voor recht te verklaren dat het bouwen van een garage op de gemarkeerde plaats door [geïntimeerden] c.s. inbreuk zal maken op de erfdienstbaarheid van [appellanten] c.s., met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het geding.
3.4
De kantonrechter heeft zich in het vonnis van 28 november 2017 onbevoegd verklaard om van het geschil kennis te nemen en de zaak in de stand waarin die zich bevond verwezen naar de handelskamer.
3.5
Door de rechtbank zijn na een gerechtelijke plaatsopneming aansluitend gevolgd door een comparitie na antwoord in het vonnis van 5 september 2018 de door [geïntimeerden] c.s. in conventie gevorderde verklaring voor recht en rectificatie toegewezen. De vordering van [geïntimeerden] c.s. tot veroordeling van [appellanten] c.s. tot het plaatsen van één deur is bij gebrek aan belang afgewezen. De vorderingen van [appellanten] c.s. in reconventie zijn afgewezen. [appellanten] c.s. zijn veroordeeld in de proceskosten van de conventie en de reconventie.
overwegingen

4

4.1
In hoger beroep vorderen [appellanten] c.s. vernietiging van de vonnissen van 4 april 2018 en 5 september 2018 en alsnog toewijzing van de door [appellanten] c.s. gevraagde verklaring voor recht en veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot terugbetaling van de betaalde proceskosten in reconventie, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van beide instanties.
4.2
Tegen het tussenvonnis van 4 april 2018 staat op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen hogere voorziening open, zodat het hof [appellanten] c.s. in hun hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
4.3
[appellanten] c.s. komen met twee grieven op tegen het vonnis van 5 september 2018. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat door [appellanten] c.s. “onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat de bouw van de garage op de gemarkeerde plaats de uitoefening van de erfdienstbaarheid hindert op een manier die in strijd is met de erfdienstbaarheid”. Hoewel [appellanten] c.s. in hun memorie verwijzen naar rov. 5.4 in het vonnis, is zonder meer duidelijk dat hier sprake is van een verschrijving en dat het gaat om rov. 5.5 van het bestreden vonnis. Ook voor [geïntimeerden] c.s., hetgeen ook volgt uit hun memorie van antwoord. Grief II richt zich tegen de proceskostenveroordeling in reconventie.
4.4
Gelet op de grieven is in dit hoger beroep alleen de in reconventie door [appellanten] c.s. gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerden] c.s. inbreuk maken op hun erfdienstbaarheid aan de orde. De overige vorderingen zowel in conventie als in reconventie zijn geen onderdeel van het geschil in hoger beroep. Het hof begrijpt de vordering van [appellanten] c.s. in hoger beroep dan ook aldus dat zij vernietiging vorderen van het bestreden onderdeel van het vonnis van 5 september 2018, te weten het dictum in reconventie, voor zover dat ziet op de afwijzing van genoemde gevorderde verklaring voor recht.
4.5
Partijen hebben in 2015 afspraken gemaakt over het gebruik van de weg. Er is toen een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. [geïntimeerden] c.s. zijn voornemens hun garage boxen uit te breiden – zoals staat aangegeven op de tekening onder rov. 2.6 – zodat een grote garage ontstaat. De muur van de garage komt te staan aan het einde van de weg, die in het kader van de erfdienstbaarheid mag worden gebruikt, en loopt door tot aan de grens met het perceel gelegen achter het perceel van [appellanten] c.s. Partijen verschillen van mening over de vraag of [geïntimeerden] c.s. door de bouw van de garage op de aangegeven plaats inbreuk maken op de erfdienstbaarheid van weg van [appellanten] c.s. Waar [appellanten] c.s. zich op het standpunt stellen dat zij door de garage geen onbelemmerde en onverminderde toegang meer hebben tot hun garage over de weg, stellen [geïntimeerden] c.s. dat dit niet het geval is.
4.6
Op grond van artikel 5:73 BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening in de eerste plaats bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Bij de uitleg van de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid is bepalend de in die akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid door de in de akte gebruikte bewoordingen uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de (inhoud van de) gehele akte (HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:AO1815).
4.7
Uit de in de notariële akte gegeven omschrijving volgt dat een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd om met verschillende soorten voertuigen vanaf de openbare weg te komen en te gaan over het bestaande pad naar de garage op het perceel van [appellanten] c.s. De erfdienstbaarheid ziet daarbij op het pad – onverhard en niet meer dan een spoor – zoals dat al geruime tijd door [appellanten] c.s. en in het verleden ook door derden werd gebruikt. In de akte wordt de breedte van het pad, circa 3 meter, wel omschreven maar de lengte niet. Dat is ook niet noodzakelijk. Uit de omschrijving van de akte volgt dat het pad lang genoeg moet zijn om vanaf de openbare weg met verschillende voertuigen te komen en te gaan naar de garage van [appellanten] c.s. In het verleden maakte [appellanten] c.s. gebruik van de mogelijkheid om een stukje door te rijden op het pad, dus voorbij hun garage, waardoor er wat meer ruimte was om de garage (achterwaarts) in- en uit te rijden. Bij de vestiging van de erfdienstbaarheid is afgesproken, zo verklaarde [appellanten] c.s. ter comparitie, dat zij dat niet meer zouden doen en alleen het pad tot en met de garage zouden gebruiken. Nadien is het door [appellanten] c.s. gebruikte deel van het pad verhard door [geïntimeerden] c.s. (hierna wordt gesproken over de weg).
4.8
De vraag is of [geïntimeerden] c.s. met de geplande bouw van de garage op hun eigen perceel aan het einde van de weg inbreuk maken op het recht van [appellanten] c.s. Anders dan [appellanten] c.s. stellen, kan het enkel plaatsen van de garage niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een inbreuk. Weliswaar is het op grond van de akte niet toegestaan voertuigen en andere zaken op de weg te plaatsen opdat het gebruik van de weg ongehinderd en onverminderd kan plaatsvinden, maar in dit geval ligt het niet voor de hand om te spreken over een – verboden – plaatsing op de weg waar de garage niet op maar tegen de weg wordt geplaatst. Beoordeeld dient dan ook te worden of de plaatsing van de garage tot een aantasting van het recht van [appellanten] c.s. leidt.
4.9
Bij gelegenheid van de comparitie ter plaatse is door de raadsheer-commissaris geconstateerd dat met name het uit de garage van [appellanten] c.s. rijden van een voertuig enige stuurmanskunst vergt. De rechter in eerste aanleg had dit ook al geconstateerd. Het achteruit in- en uitrijden van de garage ging echter soepel. Het probleem bij het in- en uitrijden lijkt vooral te zijn gelegen in het feit dat de garage van [appellanten] c.s. relatief smal is, namelijk ongeveer 2,3 meter breed. Het bouwen van de garage op de door [geïntimeerden] c.s. gewenste plaats zal het in- en uitrijden voor [appellanten] c.s. mogelijk iets lastiger maken doordat een minder ruime bocht kan worden genomen en [appellanten] c.s. dus minder recht voor hun garage kunnen komen te staan, maar ook voor een gemiddelde chauffeur is het dan nog steeds mogelijk om met voertuigen de garage in- en uit te rijden. De mogelijke hinder die door de muur ontstaat bij het in- en uitrijden is naar het oordeel van het hof verwaarloosbaar. Daar komt bij dat het achteruit in- en uitrijden – rekening houdende met de door [geïntimeerden] c.s. te bouwen garage – vrij probleemloos ging. Van een gemiddelde chauffeur mag worden verwacht dat deze een auto ook achteruit een garage in kan rijden. Bovendien zal men na verloop van tijd daarin geoefend en bedreven raken. Voor een grotere auto dan waarmee tijdens de comparitie werd gereden, of een aanhangwagen geldt het vorenstaande eveneens. Anders dan dat het in- en uitrijden door de te bouwen garage wordt bemoeilijkt, hetgeen niet is gebleken, zijn door [appellanten] c.s. verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van hun standpunt dat er sprake is van een inbreuk op hun recht. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de te bouwen garage niet in de weg staat aan het gebruik van de erfdienstbaarheid, om over de weg te komen en te gaan van en naar de garage van [appellanten] c.s. Van een vergaande inbreuk op het aan [appellanten] c.s. toekomende recht van erfdienstbaarheid is dan ook geen sprake. De daarop steunende vordering van [appellanten] c.s. dient te worden afgewezen en grief I faalt. Grief II volgt daarmee hetzelfde lot.
beslissing

5

5.1
De grieven falen, zodat het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep onderworpen, moet worden bekrachtigd.
5.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep van [geïntimeerden] c.s. veroordelen.
5.3
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op:- griffierecht € 318,-- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x tarief II € 1.074,-)
beslissing

6

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 4 april 2018;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 5 september 2018, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 318,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. J.H. Kuiper en mr. W.F. Boele en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.