Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:9521

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:9521, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.243.995/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.243.995/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/153002 / HA ZA 17-18)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant] ,

voor zich en in zijn hoedanigheid van erfgenaam, tevens vereffenaar, van de nalatenschap van [erflaatster] , overleden te [A] [in] 2016,wonende te [B] ,appellant,in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,hierna: ,advocaat: voorheen mr. J. Pieters, kantoorhoudend te Sneek, thans mr. M.J. Oudman, kantoorhoudend te Joure,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [A] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. J.H.J. Joosten, kantoorhoudend te Arnhem.

ECLI:NL:GHARL:2019:9521:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.243.995/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/153002 / HA ZA 17-18)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant] ,

voor zich en in zijn hoedanigheid van erfgenaam, tevens vereffenaar, van de nalatenschap van [erflaatster] , overleden te [A] [in] 2016,wonende te [B] ,appellant,in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,hierna: ,advocaat: voorheen mr. J. Pieters, kantoorhoudend te Sneek, thans mr. M.J. Oudman, kantoorhoudend te Joure,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [A] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. J.H.J. Joosten, kantoorhoudend te Arnhem.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 17 mei 2017 en 4 april 2018 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.
2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 juli 2018;- de memorie van grieven; - de memorie van antwoord met producties.
2.2
Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. De in de memorie van grieven genoemde producties bevinden zich niet in het overgelegde procesdossier, noch in het griffiedossier.
2.3
[appellant] vordert in het hoger beroep - samengevat - om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 4 april 2018 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:a. [geïntimeerde] niet ontvankelijk te verklaren, althans hem zijn vorderingen alsnog te ontzeggen,b. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster] , de auto, Renault Clio met kenteken [00-YY-YY] , af te geven met autosleutels en kentekenpapieren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag;c. [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] , in voornoemde hoedanigheid van vereffenaar, te voldoen een bedrag van afgerond € 6.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 september 2016;d. met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
3

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten, ontleend aan de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het bestreden vonnis van 4 april 2018 voor zover van belang voor deze procedure en aangevuld met wat in deze procedure verder nog is komen vast te staan.
3.2
[appellant] is de zoon van [erflaatster] , geboren [in] 1933 en overleden te [A] [in] 2016, hierna ook te noemen: erflaatster. Erflaatster heeft bij testament van 26 maart 1981 over haar nalatenschap beschikt. [appellant] is enig erfgenaam van erflaatster. Hij heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard.
3.3
[geïntimeerde] is de broer van erflaatster.
beslissing

4

4.1
[geïntimeerde] heeft in de inleidende dagvaarding in conventie - voor zover in hoger beroep nog relevant - samengevat, gevorderd om [appellant] , in zijn hoedanigheid van enig erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster: - te veroordelen tot betaling van de door [geïntimeerde] betaalde kosten van de uitvaart van erflaatster ad € 6.349,69; en - om [appellant] een straat- en contactverbod op te leggen (het publiceren van beledigende/lasterlijke publicaties over [geïntimeerde] daaronder begrepen), op straffe van verbeurte van een dwangsom.
4.2
[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie, samengevat, gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen om aan hem, in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster: - af te geven de auto, Renault Clio, met kenteken [00-YY-YY] , met autosleutels en kentekenpapieren, op straffe van verbeurte van een dwangsom;- te voldoen een bedrag van afgerond € 6.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 9 september 2016;
4.3
De rechtbank heeft bij vonnis van 4 april 2018 beslist dat de door [geïntimeerde] bij akte van 19 september 2017 ingediende wijziging van eis (tot ook verwijdering van geplaatste lasterlijke publicaties) en de bij die akte overgelegde producties, wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, buiten beschouwing moeten worden gelaten. Tevens heeft de rechtbank [appellant] , mede in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [erflaatster] , veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 6.349,69. Ook heeft de rechtbank [appellant] verboden om vanaf de dag van betekening van het vonnis zonder toestemming van [geïntimeerde] contact te zoeken met [geïntimeerde] , in de ruimste zin des woords, waaronder in ieder geval begrepen schriftelijk, lijfelijk dan wel telefonisch contact of internetcontact, behoudens voor zover nodig om tot de afgifte/overdracht van de auto, Renault Clio, kenteken [00-YY-YY] , te geraken en verboden om beledigende/lasterlijke publicaties over [geïntimeerde] te publiceren, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere overtreding van deze verboden tot een maximum van € 10.000,-.
In reconventie

overwegingen

5

5.1
Grief I

[appellant] voert daartoe onder meer aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op grond van artikel 4:7 lid 1 onder b BW en artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging, geen aansprakelijkheid van hem of de boedel voor de door [geïntimeerde] betaalde kosten van de lijkbezorging kan worden aangenomen.
5.2
Voorop wordt gesteld dat artikel 4:7 lid 1 onder b BW de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, als een ‘schuld van de nalatenschap’ aanmerkt. Daarmee is echter nog niet gegeven dat op de vereffenaar van de nalatenschap ook een verplichting rust om de kosten van de lijkbezorging aan een niet-erfgenaam te voldoen. Daarvoor moet tevens sprake zijn van een rechtsgrond waar een verbintenis tot vergoeding uit voortvloeit.
5.3
Vaststaat dat [geïntimeerde] , die geen mede-erfgenaam van erflaatster is, op eigen naam opdracht heeft gegeven tot het verzorgen van de uitvaart van erflaatster en dat hij, als opdrachtgever, de daaraan verbonden kosten van € 6.349,69 heeft betaald. [geïntimeerde] handelde hierbij voor zich zelf en niet namens de nalatenschap. De klacht van [appellant] dat [geïntimeerde] niet bevoegd was om rechtshandelingen te verrichten die de nalatenschap binden, mist derhalve feitelijke grondslag. [geïntimeerde] heeft zich ook niet beroepen op zaakwaarneming. Daarvoor had [geïntimeerde] moeten stellen dat hij willens en wetens het belang van [appellant] als erfgenaam wilde dienen, en daarvan is geen sprake. Bovendien staat niet vast dat [geïntimeerde] eerst al het redelijke heeft gedaan om [appellant] te bereiken voordat hij de opdracht gaf.
5.4
Het hof volgt [appellant] in zoverre dat de omstandigheden dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot het verzorgen van de lijkbezorging van erflaatster en de daaraan verbonden kosten heeft betaald, op zichzelf beschouwd geen verbintenis tot stand brengen waaruit voor [appellant] als vereffenaar een vergoedingsplicht als hiervoor bedoeld voortvloeit. In het geval een niet-erfgenaam opdracht geeft tot uitvoering van de lijkbezorging en de daaraan verbonden kosten vervolgens voldoet, wordt een wettelijke bepaling gemist op grond waarvan deze derde de kosten van de lijkbezorging in een geval als hier aan de orde is, ten laste van de nalatenschap zou kunnen brengen.
5.5
Het hof is echter van oordeel dat [geïntimeerde] zich op redelijke gronden heeft ingelaten met het laten verzorgen van de uitvaart van zijn overleden zus. Zo heeft [appellant] in een brief van 18 december 2015 aan erflaatster geschreven dat hij het contact met haar verbreekt. Er heeft daarna ook geen contact meer tussen hen plaatsgevonden. [geïntimeerde] daarentegen heeft erflaatster in de periode vóór haar overlijden bijgestaan, onder meer door haar te begeleiden bij bezoeken aan artsen en door haar naar andere afspraken te brengen. Verder was ook niet bekend of er naast [appellant] nog andere erfgenamen waren.
5.6
In een enkel wél in de wet geregeld geval komen de kosten van de lijkbezorging ten laste van de nalatenschap. Artikel 22 van de Wet op de lijkbezorging bepaalt dat, wanneer niemand anders de uitvaart regelt, de burgemeester daarvoor moet zorgdragen, waarna de kosten van de uitvaart door de gemeente kunnen worden verhaald op de nalatenschap van de erflater. Voorts heeft de uitvaartverzorger als schuldeiser verhaal op de goederen van de nalatenschap (artikel 4:184 BW).Bij deze wettelijke bepalingen kan aansluiting worden gevonden voor het oordeel dat in de omstandigheden van dit geval (zie overweging 5.5) op [appellant] als vereffenaar wél een verbintenis rust om de begrafeniskosten te vergoeden aan [geïntimeerde] . Hoewel een dergelijke verbintenis niet rechtstreeks voortvloeit uit artikel 4:7 BW, vloeit deze in dit geval wel voort uit het stelsel van de wet en de wel in de wet geregelde gevallen (artikel 6:1 BW). [appellant] heeft niet gesteld dat de door [geïntimeerde] gemaakte kosten niet met de omstandigheden van erflaatster in overeenstemming zijn, zodat [geïntimeerde] het uit artikel 4:7 lid 1 onder b BW voortvloeiende verhaalsrecht toekomt voor het volledige bedrag van de door hem betaalde kosten. [geïntimeerde] kan daarom die kosten, op grond van het bepaalde in artikel 4:184 lid 1 BW, in ieder geval op de goederen van de nalatenschap verhalen.
5.7
De vragen die vervolgens beantwoord moeten worden zijn, of [geïntimeerde] zich voor zijn vordering uitsluitend kan verhalen op de goederen van de nalatenschap en hoe dat verhaal moet plaatsvinden nu de nalatenschap beneficiair is aanvaard en, voor zover het hof bekend is, nog niet is vereffend, en of [geïntimeerde] tevens verhaal heeft op [appellant] als erfgenaam.
5.8
Het hof vat de vordering van [geïntimeerde] om [appellant] in zijn hoedanigheid van vereffenaar te veroordelen tot betaling op als een vordering tot vaststelling van zijn vorderingsrecht tijdens de vereffening, zoals bedoeld in artikel 4:223 lid 2, eerste zin, BW. [appellant] heeft geen gegevens verstrekt waaruit blijkt uit welke baten en schulden de nalatenschap bestaat en volgens welke rangorde de schulden moeten worden betaald. Het staat daarom niet zonder meer vast dat [geïntimeerde] zijn vordering daadwerkelijk volledig op de baten van de nalatenschap zal kunnen verhalen.
5.9
Het hof acht het daarom, ook om mogelijke vervolgprocedures te voorkomen, wenselijk om onder aanhouding van verdere beslissingen op grief I een comparitie van partijen te gelasten voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking. [appellant] zal voorafgaand aan de comparitie van partijen schriftelijk moeten onderbouwen hoe de stand van zaken in de vereffening is. Verder zal [appellant] , als hij van mening is dat de schuld van de nalatenschap aan [geïntimeerde] niet (volledig) uit de nalatenschap kan worden voldaan, dit moeten onderbouwen met een boedelbeschrijving en met bescheiden die de inhoud daarvan staven.
5.10
Grief 2

[appellant] stelt daartoe dat [geïntimeerde] de auto niet heeft afgegeven, hoewel hij in eerste aanleg heeft toegezegd vrijwillig tot afgifte over te gaan.
5.11
Het hof acht zich nog niet volledig voorgelicht over de gang/stand van zaken met betrekking tot de (afgifte van de) auto en zal , alvorens nader te beslissen, ook daarover nader geïnformeerd willen worden tijdens de comparitie.
5.12
Grief 3

[appellant] ontkent dat hij verantwoordelijk is voor de publicaties, althans dat hij deze op internet heeft geplaatst.
5.13
Het hof is van oordeel dat dit verweer geen doel treft. Uit de door [geïntimeerde] in eerste aanleg als productie 6 overgelegde publicatie op de website "https://koosgaatdoor.wordpress.com" blijkt dat op 1 januari 2017 een artikel is geplaatst met als titel "De verdachte dood van [erflaatster] uit [A] ". Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat dit artikel onder meer negatieve uitlatingen bevat over [geïntimeerde] , zijn dochter en de zoon van de dochter. Daarbij worden meer privé gegevens van betrokkenen vermeld en het artikel heeft kennelijk tot doel om diverse in dat artikel beweerdelijk onjuiste en/of onwettige handelingen van [geïntimeerde] en zijn familieleden aan de kaak te stellen. De inhoud van dit artikel maakt, in samenhang bezien met de inhoud van de op 26 en 28 september 2016 aan de dochter van [geïntimeerde] gezonden e-mailberichten (producties 7 en 8 van [geïntimeerde] ), waarvan [appellant] niet heeft betwist dat deze van hem afkomstig zijn, voldoende aannemelijk dat [appellant] verantwoordelijk is geweest voor de publicatie van dit artikel op internet. Het artikel bevat teksten die dusdanig beledigend en lasterlijk voor [geïntimeerde] zijn, dat hij er een gerechtvaardigd belang bij heeft om van dergelijke publicaties gevrijwaard te blijven. Het hof zal het door de rechtbank gegeven publicatieverbod dan ook in stand laten. [appellant] heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat hem ook een contactverbod moet worden opgelegd geen concrete bezwaren aangevoerd. Het hof zal ook de daarover gegeven beslissing handhaven, mede nu voldoende is gebleken dat [geïntimeerde] ook daarbij een gerechtvaardigd belang heeft. [appellant] maakt verder bezwaar tegen de opgelegde dwangsommen. Het door [appellant] gestelde over zijn geringe inkomsten en dat er thans geen sprake is van contact, behoudens als het gaat om de auto, geeft het hof geen aanleiding om het opleggen van een dwangsom achterwege te laten of om de hoogte van de door de rechtbank opgelegde dwangsom te matigen.
5.14
Grief 3 faalt.
5.15
Grief 4

5.16
[appellant] stelt dat [geïntimeerde] vóór het overlijden van erflaatster gelden aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Uit het door hem overgelegde overzicht van de pintransacties, die vanaf de bankrekening van erflaatster hebben plaatsgevonden, blijkt dat in een periode van twee jaar, lopende van oktober 2014 tot en met september 2016, in totaal € 8.550,- is opgenomen. [geïntimeerde] ontkent dat hij die bedragen heeft opgenomen en/of daarover heeft beschikt. Het hof is van oordeel dat uit het overzicht op zichzelf niet kan worden afgeleid dat dit wel het geval is geweest. Andere gegevens waaruit dat wel kan worden afgeleid heeft [appellant] niet verstrekt. [appellant] heeft aldus geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot toewijzing van zijn vordering kunnen leiden. Zijn in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod is dan onvoldoende om hem op dit punt tot bewijs toe te laten. Het voorgaande leidt ertoe dat deze vordering moet worden afgewezen.
5.17
Grief 4 faalt.
beslissing

6

Het hof zal, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, een comparitie van partijen bepalen voor het verkrijgen van inlichtingen als overwogen in rov. 5.9 en 5.11 en/of voor het beproeven van een schikking.

beslissing

7

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 5.9 en 5.11 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden december 2019 tot en met maart 2020 zullen opgeven op de roldatum , waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door het hof zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] de stukken als bedoeld in rechtsoverweging 5.9 in het geding dient te brengen en dat hij ervoor moet zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. O.E. Mulder en mr. C. Koopman en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.