Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:9510

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:9510, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.196.394/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwardenafdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.196.394/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/142382)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2019:9510:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwardenafdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.196.394/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/142382)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

1

2. beiden wonende te [A] , appellanten,in eerste aanleg: eisers,hierna afzonderlijk respectievelijk: en , en gezamenlijk: ,advocaat: mr. F.H. Kappelhof, kantoorhoudend te Delfzijl,
tegen

de gemeente Delfzijl,

zetelend te Delfzijl,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: advocaat: mr. R.D. Boesveld, kantoorhoudend te Haarlem.
1

1.1
Bij tussenarrest van 5 december 2017 is een comparitie van partijen gelast, die is gehouden op 11 juni 2018. Van de comparitie van partijen is een proces-verbaal opgemaakt dat aan de processtukken is toegevoegd. De zaak is verwezen voor arrest.
1.2
[appellanten] c.s. hebben gevorderd de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 13 augustus 2014, 7 oktober 2015 en 13 april 2016 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest de vorderingen van [appellanten] c.s. in eerste aanleg alsnog toe te wijzen met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten in beide instanties.
2

2.1
De rechtbank heeft onder rechtsoverwegingen 2.1 t/m 2.18 van het tussenvonnis van 13 augustus 2014 de feiten vastgesteld. Tegen die feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat het hof van de door de rechtbank vastgestelde feiten zal uitgaan. Aangevuld met wat in hoger beroep is komen vast te staan, zijn de feiten - voor zover voor de beoordeling van het geschil in hoger beroep relevant - als volgt.
2.2
[appellanten] c.s. hebben met de Gemeente een aantal gesprekken gevoerd over een ligplaats van een woonschip. Bij e-mail van 3 maart 2009 heeft mevrouw [B] , medewerkster afdeling [---] van de Gemeente (hierna: [B] ), [appellanten] c.s. bericht dat er mogelijkheden waren om een ligplaats aan de [a-straat] te [C] (hierna: ligplaats [a-straat] ) toe te wijzen. Daarbij is opgemerkt dat de aanvraag moest voldoen aan de eisen zoals gesteld in de concept-woonschepenverordening.
2.3
In een niet ondertekende concept-koopovereenkomst hebben [appellanten] c.s. zich verplicht tegen de koopsom van € 52.500,- v.o.n. van de provincie Utrecht te kopen de woonark “ [D] ” met daarbij “al het scheepstoebehoren zoals afmeersysteem, bruggen, tuinbanken en bestrating”. Het betreft een woonark met betoncasco en een houtskelet opbouw met de afmetingen 22.30 x 6.25 x 3.80. De woonark bestaat uit 4 kamers en heeft een woonoppervlakte van 80 m². In de concept-koopovereenkomst is de datum van overdracht bepaald op 27 mei 2009. Aan het slot is opgenomen dat als [appellanten] c.s. niet voor 15 mei 2009 zekerheid van de Gemeente hebben dat toestemming wordt gegeven de woonark “ [D] ” af te meren in [C] , de koopovereenkomst wordt ontbonden. Nadien zijn de data in een andere concept-koopovereenkomst aangepast en is de datum van overdracht bepaald op 1 juli 2009 en de datum voor het beroep op de ontbindende voorwaarde op 15 juni 2009. Uiteindelijk is de datum voor het beroep op de ontbindende voorwaarde verlengd tot uiterlijk 19 juni 2009.
2.4
Bij brief van 17 maart 2009 hebben [appellanten] c.s. een vergunning aangevraagd voor de ligplaats [a-straat] . Het college van B&W heeft [appellanten] c.s. bij brief van 28 april 2009, onder verwijzing naar de concept-woonschepenverordening, een aanvraagformulier toegezonden met het verzoek dat in te vullen en te retourneren. Bij brief van 6 mei 2009 hebben [appellanten] c.s. het ingevulde aanvraagformulier met bijlagen naar de Gemeente gestuurd. Tot de bijlagen behoorde een uittreksel uit het Kadaster betreffende het woonschip “ [D] ”, dat in eigendom toebehoorde aan de provincie Utrecht. In de brief hebben [appellanten] c.s. ter toelichting onder meer opgemerkt:
“Wij gingen ervan uit binnen zes weken na onze aanvraag van 17 maart j.l. uitsluitsel te hebben over het verkrijgen van de ligplaats. Daarom hebben wij ingestemd met de voorwaarde van de verkoper van de door ons in principe gekochte ark, dat deze voor half juni van de huidige ligplaats in [E] verwijderd zal zijn. Naar aanleiding hiervan heeft u ons toegezegd deze aanvraag met spoed te behandelen, waarvoor dank. De overdracht staat gepland voor 27 mei a.s. en we hopen van harte dat deze afspraak kan blijven staan.”

2.5
Op 20 mei 2009 heeft Libau Welstands- en monumentenzorg Groningen (hierna: de welstandscommissie) een advies over de aanvraag van [appellanten] c.s. aan het college van B&W uitgebracht. Volgens de welstandscommissie is de aanvraag strijdig met de redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie heeft in het advies onder meer opgemerkt:
“De ligplaats is onderdeel van een beschermd dorpsgezicht. De commissie is van oordeel dat woonschepen met een duidelijk maritieme uitstraling passen binnen dit beschermde gezicht. Bij het voorliggende bouwplan is dit naar het oordeel van de commissie onvoldoende het geval. De referentie met een schip is onvoldoende aanwezig. Bovendien past het bouwplan niet binnen de beoordelingscriteria zoals deze zijn gesteld. (...) De woonboot betreft feitelijk een houten woning op een (betonnen) bak. (...) Het bouwplan is getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota en in het bijzonder aan het beleid en de criteria zoals deze gelden voor gebied Termunten, Termunterzijl en Borgsweer waarin het bouwplan is gelegen.”

2.6
Bij besluit van 29 mei 2009 (hierna veelal: het primaire besluit) heeft het college van B&W de aanvraag van [appellanten] c.s. voor een ligplaatsvergunning met verwijzing naar het advies van de welstandscommissie op grond van artikel 8.2 van de concept-woonschepenverordening geweigerd.
2.7
[appellanten] c.s. hebben bij brief van 26 juni 2009 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is voorgelegd aan de commissie bezwaarschriften algemene zaken (hierna: de bezwaarschriftencommissie). Op 10 augustus 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Op voorstel van de bezwaarschriftencommissie is de aanvraag van [appellanten] c.s. nogmaals aan de welstandscommissie voorgelegd. Op 27 augustus 2009 heeft de welstandscommissie opnieuw geoordeeld dat de aanvraag strijdig is met de redelijke eisen van welstand en een negatief advies uitgebracht. De welstandscommissie heeft daartoe onder meer overwogen:
“De commissie is van oordeel dat het ingediende voorstel voor een woonschip niet de uitstraling heeft die past binnen dit beschermde gezicht. Het ingediende voorstel betreft naar haar karakter meer een woonark bestaande uit een betonnen bak met daarop een bungalowachtige platte opbouw. De referentie met een schip is eigenlijk niet aanwezig. De enige overeenkomst is die van het drijvend aspect.”

De hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie is voortgezet op 7 september 2009, waarbij onder meer het advies van de welstandscommissie aan de orde is gekomen.
2.8
Bij e-mail van 25 september 2009 heeft [appellant] aan [B] om een toelichting op de gang van zaken gevraagd, waarbij [appellant] opmerkte dat hij op 17 september 2009 van de ambtenaar [F] had gehoord dat de ligplaatsvergunning zou worden verleend en dat hij de koop van het woonschip door kon laten gaan. Bij e-mail van 28 september 2009 heeft [B] aan [appellanten] c.s. geantwoord:
“Naar alle waarschijnlijkheid bent u iets te vroeg door de heer [F] ingelicht. Uw aanvraag voor een ligplaats voor een woonschip (te weten: [D] ) is op 15 september in het college behandeld. Dit leek positief. Woensdag is echter het besluit weer ingetrokken en ter advisering voorgelegd aan de jurist van de afdeling Vrom. Dinsdag 6 oktober zal er een definitief besluit worden genomen over uw aanvraag. Het ziet er naar uit dat de ligplaatsvergunning voor het door u aangevraagde schip wordt geweigerd.”

2.9
Bij koopovereenkomst van 30 september 2009 heeft de provincie Utrecht de woonark “ [D] ” met scheepstoebehoren voor de verkoopprijs van € 52.500,- verkocht aan [G] . De woonark is bij notariële akte van 10 december 2009 aan haar geleverd.
2.10
Bij advies van 13 oktober 2009 heeft de bezwaarschriftencommissie het college van B&W geadviseerd het bezwaarschrift van [appellanten] c.s. gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en in afwijking van het welstandsadvies de ligplaatsvergunning te verlenen. In het advies is daartoe overwogen:
“In het bestreden besluit is aangegeven dat het besluit wordt genomen op grond van artikel 8.2 van de concept Woonschepenverordening. Op grond van dat artikel wordt bij een negatief advies van de welstandscommissie de ligplaatsvergunning geweigerd, tenzij gemotiveerd van het advies wordt afgeweken. Op 20 mei 2009 heeft de welstandscommissie negatief geadviseerd over de aanvraag van bezwaarden wegens strijd met redelijke eisen van welstand. (...) Vast staat dat de concept Woonschepenverordening niet door de raad van de gemeente Delfzijl is vastgesteld en derhalve niet in werking is getreden. Dit betekent dat het bestreden besluit gebaseerd is op een onjuiste wettelijke grondslag. Onderhavige aanvraag dient immers te worden getoetst aan het wettelijk kader in de APV. (...) Het bezwaar is reeds daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden herroepen.

Nu in de bezwaarfase (...) dient de aanvraag van bezwaarden alsnog te worden getoetst aan de APV. (...) Op 27 augustus 2009 heeft de welstandscommissie wederom geoordeeld dat het voorstel van bezwaarden in strijd is met redelijke eisen van welstand (...). De commissie ziet zich voor de vraag geplaatst of het college op basis van het nieuwe welstandsadvies de weigering van de ligplaatsvergunning in stand kan laten. Daarbij is van belang dat het college op grond van art. 3:9 Awb zich ervan dient te vergewissen dat het onderzoek van de welstandscommissie op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de commissie is dat niet het geval. (...)”

2.11
Bij besluit van 3 november 2009 (hierna ook: het besluit op bezwaar) heeft het college van B&W onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie aan [appellant] een vergunning verleend voor het innemen van de ligplaats [a-straat] , één en ander overeenkomstig de aanvraag. Het betreft daarmee een ligplaatsvergunning voor de woonark “ [D] ”. Dit besluit is eerst bij brief van 14 december 2009 aan [appellant] toegezonden. In deze brief is als reden voor de latere toezending gegeven dat [appellanten] c.s. met de Gemeente in overleg zijn over het plaatsen van een ander woonschip dan waarvoor vergunning was verleend.
2.12
Op 18 maart 2010 hebben [appellanten] c.s. een nieuwe aanvraag ingediend voor de ligplaats [a-straat] . De aanvraag betrof een woonark die nog gebouwd moest worden en waarvoor een architect tekeningen had gemaakt. Voor het bouwen van deze woonark heeft ABC Arkenbouw op 21 april 2010 een offerte uitgebracht van € 366.200,- incl. btw. Bij besluit van 18 mei 2010 heeft het college van B&W de gevraagde ligplaatsvergunning voor de nieuw te bouwen woonark verleend en de ligplaatsvergunning van 3 november 2009 voor de woonark “ [D] ” ingetrokken.
2.13
Bij brief van 26 augustus 2010 hebben [appellanten] c.s. de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden door het onrechtmatig handelen van de Gemeente, bestaande uit het nemen van het primaire besluit, waarbij de ligplaatsvergunning voor de woonark “ [D] ” is geweigerd.
2.14
[appellanten] c.s. hadden nog geen opdracht tot de bouw van de nieuwe woonark gegeven, toen in juni/juli 2012 een drietal bezwaarschriften is ingediend tegen de op 18 mei 2010 verleende ligplaatsvergunning. Een van de bezwaarschriften was van de heer en mevrouw [H] – hierna: [H] c.s. – . Bij besluit van 13 juni 2013 heeft het college van B&W deze bezwaren wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. [H] c.s. hebben beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland, afdeling bestuursrecht, die het beroep bij beslissing van 7 mei 2014 ongegrond heeft verklaard. In hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Raad van State) bij uitspraak van 3 februari 2016 het beroep van [H] c.s. alsnog gegrond verklaard en het bestreden besluit van het college van B&W van 13 juni 2013 en de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2014, voor zover betrekking hebben op de niet-ontvankelijkheid, vernietigd.
2.15
Het college van B&W heeft bij besluit van 19 september 2016 alsnog inhoudelijk op de bezwaren van [H] c.s. tegen de ligplaatsvergunning voor de nieuw te bouwen woonark beslist en de bezwaren gegrond verklaard. Het eerdere besluit tot afgifte van de ligplaatsvergunning van 18 mei 2010 is herroepen en de omgevingsvergunning is (alsnog) geweigerd. Tegen deze beslissing op bezwaar hebben [appellanten] c.s. geen beroep bij de rechtbank, sector bestuursrecht ingesteld, zodat die beslissing onherroepelijk is geworden.
overwegingen

3

3.1
[appellanten] c.s. hebben gevorderd:
-

primair, voor recht te verklaren dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld op grond waarvan de Gemeente jegens hen schadeplichtig is,

subsidiair, voor het geval geen sprake is van onrechtmatig handelen, voor recht te verklaren dat de Gemeente schadeplichtig is vanwege rechtmatig overheidshandelen,

primair en subsidiair, een deskundige te benoemen welke de schade bij staat dient vast te stellen,

de Gemeente te veroordelen in de proceskosten.

3.2
In het eerste tussenvonnis van 13 augustus 2014 heeft de rechtbank in het kader van de primaire vordering op twee gronden het primaire besluit onrechtmatig geacht, welke onrechtmatigheid aan de Gemeente is toegerekend. De rechtbank heeft onderzocht of de Gemeente (ook) aansprakelijk is op de subsidiaire grondslag – schade ten gevolge van rechtmatig handelen – en heeft die grondslag afgewezen.
3.3
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellanten] c.s. op basis van de eerste grond - het toepassen van het verkeerde wettelijke kader door de aanvraag te toetsen aan de concept- woonschepenverordening - geen schade hebben geleden doordat ook bij het juiste wettelijke kader – de APV – advies van de welstandscommissie nodig zou zijn geweest. Ook in dat geval zou de ligplaatsvergunning zijn geweigerd. Daarom zijn [appellanten] c.s. naar het oordeel van de rechtbank door het toepassen van het verkeerde wettelijk kader niet benadeeld en hebben zij in zoverre geen schade geleden.
3.4
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de tweede grond – niet vergewissen of het onderzoek van de welstandscommissie op zorgvuldige wijze had plaatsgevonden - wel tot schade kan hebben geleid doordat, als het welstandsadvies zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, een positief welstandsadvies zou zijn gevolgd en de ligplaatsvergunning bij het primaire besluit zou zijn verleend.
3.5
De rechtbank heeft de vordering voor zover die betrekking heeft op vergoeding van schade voortvloeiende uit de per 1 januari 2010 vervallen regeling “Goedkoper Wonen” en op immateriële schade niet toewijsbaar geoordeeld. Voor het beoordelen van de overige schadeposten heeft de rechtbank aan [appellanten] c.s. een bewijsopdracht verstrekt. In het tweede tussenvonnis van 7 oktober 2015 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellanten] c.s. in de bewijsopdracht zijn geslaagd. Op basis van het geleverde bewijs heeft de rechtbank aangenomen dat er een koopovereenkomst was voor de woonark “ [D] ” en dat die koopovereenkomst op 19 juni 2009 is ontbonden, omdat [appellanten] c.s. toen geen zekerheid over een ligplaatsvergunning hadden. Voorts heeft de rechtbank uit het geleverde bewijs afgeleid dat de woonark “ [D] ” op 30 september 2009 aan een derde is verkocht.
3.6
De rechtbank heeft in het tussenvonnis voorts overwogen dat zij geen aanleiding ziet de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. De rechtbank heeft [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld bij akte de schade te begroten en te onderbouwen. Na aktewisseling heeft de rechtbank in het vonnis van 13 april 2016 (hierna: het eindvonnis) de gevorderde schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat het handelen van de Gemeente, door de ligplaatsvergunning van de woonark “ [D] ” niet reeds bij het primaire besluit te verlenen, is aan te merken als onrechtmatig, de Gemeente in de proceskosten veroordeeld en voor het overige de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen.
overwegingen

4

tussenvonnis van 13 augustus 2014

4.1
[appellanten] c.s. hebben ook tegen het tussenvonnis van 13 augustus 2014 hoger beroep ingesteld, maar tegen dat tussenvonnis geen grieven gericht, zodat zij ten aanzien van dat tussenvonnis in hun hoger beroep niet-ontvankelijk zijn.
geen verwijzing naar schadestaatprocedure

4.2
Met komen [appellanten] c.s. op tegen het voornemen van de rechtbank in het tussenvonnis om de zaak niet naar de schadestaatprocedure te verwijzen, maar de schade zelf te begroten.
4.3
Voor de beoordeling van deze grief stelt het hof het navolgende voorop. Indien een rechter een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, brengt artikel 612 Rv mee dat hij in beginsel de schade in zijn vonnis begroot, ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd. Belangrijke voorwaarden voor deze beslissing zijn dat voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag, dat het partijdebat deze beslissing toelaat en dat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor in acht neemt. Dit betekent dat ook in het geval een schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd partijen er rekening mee moeten houden dat een rechter, met inachtneming van de zojuist genoemde voorwaarden, direct kan overgaan tot vaststelling van de schadevergoeding (ECLI:NL:HR:2014:2930).
4.4
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld vooralsnog geen aanleiding te zien om de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Daarmee heeft de rechtbank te kennen gegeven te overwegen de schade zelf te begroten, waartoe de rechtbank in het licht van artikel 612 Rv gerechtigd is als aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank heeft vervolgens [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld bij akte de schade te begroten en (verder) te onderbouwen. [appellanten] c.s. hebben daarop een akte met producties genomen, waarop de Gemeente met een conclusie na tussenvonnis met producties heeft gereageerd. Daarmee heeft de rechtbank uitvoering gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. Op deze wijze is over de hoogte van de schade een toereikend partijdebat gevoerd en is voldoende komen vast te staan om al dan niet te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. De rechtbank kon daarmee in het eindvonnis een oordeel geven over (de hoogte van) de schade.
4.5
Daargelaten de vraag of de rechtbank [appellanten] c.s. de gelegenheid had moeten geven op de laatste producties van de Gemeente te reageren, hebben [appellanten] c.s. dat in ieder geval in hoger beroep kunnen doen, zodat zij in zoverre geen belang bij dit klachtonderdeel hebben. Verder staat het de rechter in het licht van artikel 194 Rv vrij al dan niet een deskundige te benoemen, zodat de rechtbank niet verplicht was de door [appellanten] c.s. gevorderde benoeming van een deskundige, welke vordering kennelijk in hoger beroep is gehandhaafd, toe te wijzen. faalt.
omvang hoger beroep

4.6
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 13 augustus 2014 geoordeeld, dat het primaire besluit van 29 mei 2009 onrechtmatig is en aan de Gemeente kan worden toegerekend en dat alleen de grond dat het college van B&W heeft verzuimd zich ervan te vergewissen of het advies van de welstandscommissie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, tot schade heeft, althans kan hebben geleid. Tegen dit oordeel is niet opgekomen, zodat het hof daarvan heeft uit te gaan.
4.7
Ten overvloede merkt het hof op dat [appellanten] c.s. voor de nieuw te bouwen woonark een ligplaatsvergunning hebben aangevraagd die bij besluit van 18 mei 2010 is verleend. Na een uitgebreide bestuursrechtelijke procedure is dat besluit op 19 september 2016 door het college van B&W herroepen. [appellanten] c.s. hebben - ook in hoger beroep - aan hun vordering tot schadevergoeding niet (ook) ten grondslag gelegd dat het besluit van 18 mei 2010 onrechtmatig is en dat de daaruit voortvloeiende schade (ook) dient te worden vergoed. Het hof zal zich daarover dan ook niet uitlaten.
4.8
In het tussenvonnis van 13 augustus 2014 heeft de rechtbank de schadeposten met betrekking tot de regeling “Goedkoper Wonen” en de immateriële schade niet toewijsbaar geoordeeld en in het eindvonnis ook die schadeposten afgewezen. Tegen die beslissingen is geen grief gericht en deze staan daarmee vast. Na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben [appellanten] c.s. hun schade begroot op € 257.350,- bestaande uit:
schade

-

€ 218.000,- zijnde het gemiddelde van € 203.500,- voor nieuwbouw van een vergelijkbare woonark minus de koopsom van woonark “ [D] ” en € 232.500,- wegens gederfde waardevermeerdering door het wegvallen van de ligplaatsvergunning,

€ 5.950,- architectkosten ten behoeve van de nieuwbouw woonark,

€ 10.000,- kosten aanschaf vergelijkbaar scheepstoebehoren,

€ 23.400,- kosten vervangende woonruimte in de periode van 1 oktober 2012 tot 31 december 2015, zijnde 39 maanden maal € 600,- per maand.

In hoger beroep hebben [appellanten] c.s. deze schadebegroting niet gewijzigd.
4.9
De rechtbank heeft in r.ov. 2.5 van het eindvonnis de uitgangspunten voor de beoordeling van de verschillende schadeposten gegeven. Tegen die uitgangspunten zijn [appellanten] c.s. niet opgekomen, zodat daarvan in hoger beroep wordt uitgegaan tenzij de devolutieve werking van het hoger beroep anders zou meebrengen.
4.10
Ook in hoger beroep hebben [appellanten] c.s. aangevoerd dat de enige manier om in een situatie te komen, waarin zij zouden hebben verkeerd als de Gemeente de ligplaatsvergunning voor woonark “ [D] ” bij het primaire besluit had verleend, was een met woonark “ [D] ” vergelijkbare woonark te kopen. [appellanten] c.s. betogen echter dat de woonark “ [D] ” een buitenkans en uniek was, er geen vergelijkbare tweedehands woonarken te koop waren en de enige manier om een vergelijkbare woonark te kopen was om zo’n woonark nieuw te bouwen. De Gemeente heeft in eerste aanleg en in hoger beroep dit betoog gemotiveerd en met stukken onderbouwd betwist.
4.11
De rechtbank heeft in r.ov. 2.8 van het eindvonnis geoordeeld dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van de Gemeente, [appellanten] c.s. niet hebben onderbouwd waarom de woonark “ [D] ” een buitenkans en uniek was en niet vergelijkbaar met andere tweedehands woonarken in dezelfde prijscategorie. In r.ov. 2.9 van het eindvonnis heeft de rechtbank daaraan toegevoegd dat de kosten van de nieuwbouw woonark die de kosten van een vergelijkbare tweedehands woonark overstijgen niet in causaal verband staan tot het onrechtmatige besluit.
4.12
Met komen [appellanten] c.s. tegen deze oordelen van de rechtbank op. De buitenkans en het unieke karakter van de woonark “ [D] ” onderbouwen [appellanten] c.s. door te wijzen op de nieuwbouwwaarde van circa € 250.000,- in het licht van de koopprijs van de woonark “ [D] ” voor € 52.500,-. Naar het oordeel van het hof kan uit enkel de hoogte van de nieuwbouwprijs van een woonark in vergelijking met de (veel lagere) verkoopprijs van een zelfde soort maar dan tweedehands woonark het unieke karakter en het zijn van een buitenkans van die tweedehands woonark niet worden afgeleid. Verder hebben [appellanten] c.s. gewezen op offertes van de door hen ingeschakelde deskundigen, maar uit die offertes kan de gestelde uniekheid en het zijn van een buitenkans van de woonark “ [D] ” en het volgens [appellanten] c.s. ontbreken van vergelijkbare tweedehands woonarken in hetzelfde prijssegment niet worden afgeleid. Woonark “ [D] ” is tenminste 50 jaar oud. De door [appellanten] c.s. geopperde mogelijkheid dat in de ouderdom een waarde vermeerderend effect kan zitten dat kennelijk niet in de overeengekomen koopprijs was verdisconteerd, ontbeert enige onderbouwing en is daarmee onvoldoende om daarvan uit te gaan. Gelet op de door de Gemeente in het geding gebrachte advertenties van tweedehands woonarken ligt het, zoals de rechtbank terecht heeft aangenomen, op de weg van [appellanten] c.s. om met concrete feiten en omstandigheden hun stelling (verder) te onderbouwen dat woonark “ [D] ” uniek en een buitenkans was en dat die door de Gemeente genoemde - en wellicht ook andere in de periode 2009/2010 – te koop staande tweedehands woonarken niet vergelijkbaar zijn met de woonark “ [D] ”. Die nadere onderbouwing hebben [appellanten] c.s. ook in hoger beroep niet gegeven. [appellanten] c.s. opperen dat “wellicht” de door de Gemeente aangedragen woonark met een koopprijs van € 89.000,- de meest vergelijkbare is, maar ook deze door [appellanten] c.s. geopperde mogelijkheid ontbeert iedere onderbouwing. De Gemeente heeft erop gewezen dat deze woonark van recentere datum is (1997), over vloerverwarming beschikt en een grotere woonoppervlakte heeft van 125 m² (in plaats van 80 m²). [appellanten] c.s. hebben niet toegelicht waarom die woonark “wellicht” met woonark “ [D] ” vergelijkbaar is en die andere door de Gemeente genoemde woonarken, die meer in de prijsklasse van de woonark “ [D] ” liggen, niet. faalt.
4.13
De rechtbank gaat er vervolgens in r.ov. 2.8 van het eindvonnis vanuit dat [appellanten] c.s. een vergelijkbare woonark in dezelfde prijscategorie als woonark “ [D] ” hadden kunnen aanschaffen en dat [appellanten] c.s. daarvoor weliswaar een nieuwe ligplaatsvergunning hadden moeten aanvragen, maar dat zij die ligplaatsvergunning ook hadden gekregen. Daardoor is volgens de rechtbank geen sprake van een waardevermindering ten gevolge van het wegvallen van de ligplaatsvergunning.
4.14
[appellanten] c.s. komen met tegen dit oordeel op. [appellanten] c.s. achten dit oordeel voorbarig omdat ten tijde dat het vonnis werd gewezen en de memorie van grieven werd genomen de ligplaatsvergunning voor de nieuwbouw woonark nog niet onherroepelijk was. Voorts betogen [appellanten] c.s. dat de ligplaatsvergunning voor de vergelijkbare woonark aan de gewijzigde regelgeving - volgens [appellanten] c.s. de woonschepenverordening - moest worden getoetst en dat de woonschepenverordening een woonark op die ligplaats niet meer toestaat. [appellanten] c.s. betogen op deze gronden dat zij voor een vergelijkbare tweedehands woonark geen ligplaatsvergunning zouden hebben gekregen, zodat zij door het ontbreken van een ligplaatsvergunning schade lijden.
4.15
Ook faalt. In hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat [appellanten] c.s. een vergelijkbare tweedehands woonark als woonark “ [D] ” hadden kunnen kopen en daarvoor in 2009, althans in de eerste helft van 2010, een ligplaatsvergunning hadden kunnen aanvragen. Die aanvraag zou – net als in de beslissing op bezwaar bij besluit van 3 november 2009 met betrekking tot woonark “ [D] ” en bij besluit van 18 mei 2010 voor de nieuwbouw woonark is gedaan – door het college van B&W zijn getoetst aan de APV. [appellanten] c.s. hebben geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat ondanks die beslissingen de woonschepenverordening toen al in werking was getreden of anderszins die ligplaatsvergunning niet door het college van B&W zou zijn verleend. Het beroep van [appellanten] c.s. op de uitkomst van de procedure tegen de ligplaatsvergunning voor de nieuwbouw woonark faalt. De nieuwbouw woonark is groter en hoger dan een met de woonark “ [D] ” vergelijkbare tweedehands woonark. Zo is op de nieuwbouw een extra woonlaag ingetekend waardoor de nieuwbouw ook hoger is. Bovendien hebben [appellanten] c.s. ervoor gekozen de bouw van de woonark uit te stellen en toen omwonenden eerst na ruim 2 jaar met de ligplaatsvergunning voor die grotere en hogere nieuwbouw woonark bekend raakten, hebben zij bezwaren ingediend. Deze bezwaren zijn uiteindelijk in 2016 inhoudelijk beoordeeld met inachtneming van de pas op 16 april 2014 gedane uitspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:1331) dat de woonboot als een bouwwerk dient te worden aangemerkt en aanvragen daardoor moeten worden getoetst aan de eerst op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als [appellanten] c.s. in 2009, althans in de eerste helft van 2010, de ligplaatsvergunning voor een door hen gekochte vergelijkbare tweedehands woonark hadden aangevraagd en op basis van de APV hadden verkregen, zou die gekochte woonark kort daarna op de ligplaats zijn aangelegd. Als daartegen bezwaren zouden zijn ingediend, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk dat die bezwaren niet aan de APV maar aan de Wabo zouden zijn getoetst, nu de Raad van State veel later, in 2014, heeft uitgemaakt dat een woonark (in beginsel) als een bouwwerk moet worden beschouwd.
4.16
De rechtbank heeft in r.ov. 2.13 van het eindvonnis de schadepost betreffende het scheepstoebehoren afgewezen. De rechtbank heeft vooropgesteld dat [appellanten] c.s. de woonark “ [D] ” als tweedehands woonark zonder ligplaatsvergunning hebben gekocht en dat in die koop het scheepstoebehoren was inbegrepen. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat [appellanten] c.s. in het licht van het verweer van de Gemeente niet hebben onderbouwd waarom bij de vergelijkbare tweedehands woonarken zonder ligplaats dat scheepstoebehoren niet zou zijn inbegrepen of waarom de totale prijs voor een vergelijkbare tweedehands woonark met nog aan te kopen tweedehands scheepstoebehoren hoger zou zijn dan de koopprijs van de woonark “ [D] ”.
4.17
Met komen [appellanten] c.s. tegen deze beslissing op. Zij voeren aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat scheepstoebehoren niet bij de aankoop van een woonark is inbegrepen, dat alleen bij de woonark “ [D] ” het scheepstoebehoren in de koopprijs
was begrepen, omdat de ligplaats verdween en dat uit de door de Gemeente overgelegde advertenties voor tweedehands woonarken niet blijkt dat scheepstoebehoren wordt meegeleverd. Ook in hoger beroep achten [appellant] het bedrag van € 10.000,- redelijk.

4.18
Het hof overweegt als volgt. De door [appellanten] c.s. gestelde – en door de Gemeente betwiste – algemene bekendheid is door [appellanten] c.s. niet onderbouwd en het hof ook anderszins niet gebleken. De Gemeente heeft ook in hoger beroep aangevoerd, hetgeen [appellanten] c.s. onbetwist hebben gelaten, dat scheepstoebehoren bij een tweedehands woonark nauwelijks enige economische waarde heeft. [appellanten] c.s. hebben ook niet toegelicht waarom bij tweedehands woonarken zonder ligplaats geen scheepstoebehoren geleverd wordt. Verder hebben [appellanten] c.s. ook in hoger beroep het hiervoor gevorderde bedrag aan schade niet onderbouwd. Voor zover het is gebaseerd op nieuw aan te schaffen scheepstoebehoren voor de door hen gewenste nieuwbouw woonark, is dat bedrag op een onjuist uitgangspunt gebaseerd. faalt derhalve.
4.19
De rechtbank heeft in r.ov. 2.14 van het eindvonnis de gevorderde woonlasten afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] c.s. niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij hogere woonlasten hebben gehad doordat de ligplaatsvergunning aanvankelijk was geweigerd. [appellanten] c.s. betogen met dat zij bij aanschaf van de woonark “ [D] ” medio 2009 geen woonlasten zouden hebben gehad. Kennelijk betogen [appellanten] c.s. hiermee dat zij vanaf dat moment op de woonark “ [D] ” hadden kunnen wonen. Ook deze grief treft geen doel. Ter zitting hebben [appellanten] c.s. toegelicht dat zij in 2009 een woonhuis in eigendom hadden en daarin woonden. In 2010 hebben zij die woning in de verkoop gedaan, waarna eerst in 2012 een aanvaardbare koper is gevonden. Onder deze omstandigheden is onvoldoende onderbouwd dat [appellanten] c.s. schade bestaande uit hogere woonlasten hebben geleden.
4.20
Met , door [appellanten] c.s. per abuis eveneens genummerd als grief 5, komen [appellanten] c.s. op tegen de afwijzing van de architectkosten in r.ov. 2.9 en 2.10 in het eindvonnis. Deze kosten hangen samen met de door [appellanten] c.s. gemaakte keuze voor een nieuwbouw woonark. Die keuze is echter niet de basis voor de schadevergoeding en deze kosten zouden ook niet zijn gemaakt als [appellanten] c.s. een vergelijkbare tweedehands woonark hadden gekocht. treft daarmee geen doel.
beslissing

5

5.1
De grieven falen. [appellanten] c.s. zullen in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van 13 augustus 2014 niet-ontvankelijk worden verklaard. Het tussenvonnis en het eindvonnis zullen worden bekrachtigd. [appellanten] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij het salaris van de advocaat wordt gebaseerd op tarief VI, 2 punten.
De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [appellanten] c.s. in hun beroep tegen het tussenvonnis van 13 augustus 2014 van de rechtbank Noord-Nederland niet-ontvankelijk;bekrachtigt het tussenvonnis van 7 oktober 2015 en het eindvonnis van 13 april 2016 van de rechtbank Noord-Nederland,
veroordeelt [appellanten] c.s. in de proceskosten van de Gemeente tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 7.838,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. L. Janse en mr. D.J. Keur en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 5 november 2019.