Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:9509

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:9509, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.194.628/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.194.628/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 139181)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [A] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. P. Koops, kantoorhoudend te Assen,
tegen

ECLI:NL:GHARL:2019:9509:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.194.628/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 139181)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [A] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. P. Koops, kantoorhoudend te Assen,
tegen

1

wonende te [A] , hierna: ,2. ,wonende te [B] , Duitsland,hierna: ,geïntimeerden,in eerste aanleg: gedaagden,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. G. Machiels, kantoorhoudend te Stadskanaal.
1

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 september 2018 hier over.

1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
-

de akte houdende producties d.d. 8 januari 2019 van [appellant] ;

het proces-verbaal van het getuigenverhoor in enquête d.d. 20 maart 2019;

het proces-verbaal van het getuigenverhoor in contra-enquête d.d. 26 september 2019.

1.3
Na afloop van het verhoor in contra-enquête hebben partijen arrest gevraagd, waarna het hof arrest heeft bepaald op het al door partijen overgelegde procesdossier aangevuld met de onder rov. 1.2 vermelde stukken.
overwegingen

2

2.1
In het tussenarrest is overwogen dat [appellant] naar verkeersopvattingen het recht van buurweg bezit, welk recht onder meer omvat dat over het pad met fietsen en een auto wordt gereden en dat dit bezit het voor tegenbewijs vatbare vermoeden oplevert dat van de door [appellant] gestelde bestemming tot een buurweg sprake is en dat [geïntimeerden] c.s. tegen dit vermoeden tegenbewijs mogen leveren.
2.2
[geïntimeerden] c.s. hebben vervolgens twee getuigen doen horen, te weten mw. [C] (hierna: [C] ) en de heer [D] (hierna: [D] ), die beiden in de periode van 15 september 1994 tot 1 augustus 1996 de woning op het perceel [a-straat] 10 hebben bewoond.
2.3
Getuige [C] heeft samengevat verklaard dat haar tante [E] tot 15 september 1994 de woning [a-straat] 10 heeft bewoond, dat zij daar al van kinds af aan komt en dat zij niet beter weet dat aan het begin van het pad altijd een bordje heeft gestaan met opschrift “eigen weg”. Zij heeft verder verklaard dat het gebruik van het pad altijd in relatie heeft gestaan met de functie van het pand [a-straat] 12 als schoolgebouw. Tot slot heeft de getuige verklaard dat zij, samen met [D] , zich voorafgaand aan de bewoning van [a-straat] 10 heeft verdiept in de situatie van het pad, mede om reden van privacy en de bepaling van de waarde van het perceel, en dat haar tante haar in dat verband heeft gezegd dat er geen rechten op dat pad zaten zoals erfdienstbaarheden en dergelijke.
2.4
Getuige [D] heeft samengevat verklaard dat hij dertig jaar geleden voor het eerst met getuige [C] is meegegaan voor bezoekjes aan haar tante, dat het pad niet anders heeft ervaren dan als een rustig pad en dat er bij het begin van het pad er altijd een bordje heeft gestaan met opschrift “eigen weg”. De getuige heeft verder verklaard dat hij in verband met de verhuizing naar [a-straat] 10 heeft uitgezocht of er rechten van derden waren op het pad en ook aan mw. [E] heeft gevraagd naar rechten van anderen, waaronder de toenmalige buurman [F] , op het pad. Volgens de getuige heeft mw. [E] toen gezegd dat alleen gebruik was toegestaan om de kinderen langs het pad heen te gaan, toen het naburig pand nog een schoolgebouw was. Getuige [D] heeft tot slot verklaard dat hij in 1996 een felle discussie heeft gehad met buurman [F] over de aanwezigheid naast het pad van een bordje met opschrift “peuterspeelzaal” en dat hij wilde dat [F] dat bordje weg haalde omdat [F] daar geen recht op had.
2.5
[appellant] heeft in contra-enquête één getuige doen horen, te weten [F] , die van volgens zijn verklaring van december 1990 tot februari 2007 eigenaar is geweest van het perceel [a-straat] 12. Deze getuige heeft - voor zover relevant - samengevat verklaard dat in de akte waarmee het perceel aan hem is geleverd, is vermeld dat hij op het pad een recht van overpad had, dat het pad door hem ook gebruikt werd, zowel privé als zakelijk, en dat nimmer discussie is geweest met welke eigenaar van [a-straat] 10 dan ook over het gebruik dat werd gemaakt van het pad, dan wel het recht daartoe. De getuige heeft verklaard dat het pad vrijwel dagelijks door zijn ouders werd gebruikt in de periode dat die gedurende een jaar in het gebouw woonden waarin de kinderopvang was gevestigd, twee a drie keer per dag door de kinderopvang en dagelijks ten behoeve van zijn installatiebedrijf. Getuige [F] heeft verder verklaard niet uit te sluiten dat het bordje met opschrift “eigen weg” er al in december 1990 stond, maar dat hem dat niet heeft beziggehouden omdat hij recht van overpad had. Getuige [F] heeft daarbij de akte van 7 december 1990 gepresenteerd, die als bijlage bij zijn verklaring is gevoegd.
2.6
In het tussenarrest is overwogen dat onomstreden is dat het pad vanaf 1919 tot 30 oktober 1973 op basis van een daartoe gevestigde erfdienstbaarheid tot toegang en tot uitweg heeft gediend. Uit de verklaringen van de getuigen [C] en [D] blijkt niet dat na 30 oktober 1973 de eigenaar dan wel de gebruikers van het achterplein op het perceel [a-straat] 12 de toegang daartoe (het pad) een strobreed in de weg is gelegd. Het pad is na 30 oktober 1973 ook langdurig en met grote herhaling gebruikt, tot 1990 door de school en daarna ten behoeve van de peuterspeelzaal, [F] in privé en de door hem in het voormalige schoolgebouw gevestigde installatiebedrijf, zo blijkt uit de door [F] afgelegde getuigenverklaring.
2.7
Voor zover [geïntimeerden] c.s. wijzen op het bordje met opschrift “eigen weg” geldt het volgende. Uit de verklaringen van de getuigen [C] en [D] kan worden afgeleid dat dat bordje er al heel lang staat, mogelijk al vele tientallen jaren. De plaatsing van dit bordje doet aan, anders dan [geïntimeerden] c.s. menen, aan het bezit van het recht van buurweg niet af. Uit de verklaringen van deze getuigen kan immers niet volgen dat dit bordje is geplaatst vóórdat het pad als buurweg kon worden aangemerkt of als gevolg van (stilzwijgende) toestemming van de (toenmalige) eigenaren van [a-straat] 12 (d.i. tot 7 december 1990 de gemeente en nadien [F] ) om de bestemming tot buurweg op te heffen. Evenmin kan daaruit volgen dat die eigenaren na plaatsing van dat bordje (stilzwijgend) ermee hebben ingestemd het pad niet meer als buurweg te gebruiken (vgl. HR 13 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:AN8284). Getuige [F] heeft onder ede ook in een andere richting verklaard, zoals hiervoor weergegeven, terwijl uit de akte van 7 december 1990 moet worden afgeleid dat de gemeente omtrent het pad toentertijd meende te kunnen beschikken over een recht van overpad.
2.8
Wat de getuigen [C] en [D] hebben verklaard over wat mw. [E] hen ooit heeft gezegd over het ontbreken van een recht van anderen op het pad legt onvoldoende gewicht in de schaal. Immers, daaruit volgt niet dat mw. [E] zich ooit tegenover de eigenaren van [a-straat] 12 heeft opgesteld dat hun gebruik van het pad enkel steunde op een gedogen of eigenmachtig optreden. [F] heeft onder ede ook ontkend, terwijl in de schriftelijke verklaring van [G] , het toenmalige hoofd van de school, daarvoor evenmin een aanwijzing is te vinden.
2.9
Getuige [F] heeft verder onder ede verklaard dat hij ook wel incidenteel onderhoud aan het pad heeft gepleegd en het pad ten behoeve van mw. [E] enkele keren sneeuwvrij heeft gemaakt, conform de in de akte van 7 december 1990 opgenomen verplichting daartoe. In wat [geïntimeerden] c.s. hebben aangevoerd, is geen aanknopingspunt te vinden dat dit voor onjuist moet worden gehouden. Onomstreden is voorts dat zowel [F] als zijn rechtsvoorganger (d.i. de gemeente) zich steeds als rechthebbende op de weg hebben beschouwd.
2.10
De slotsom is het door [geïntimeerden] c.s. bijgebrachte bewijs van onvoldoende gewicht is om het in rov. 2.1 bedoelde vermoeden te ontzenuwen. Dit leidt tot de conclusie dat vóór 1992 een buurweg is ontstaan en dat [appellant] als eigenaar van het perceel [a-straat] 12 rechthebbende is op die buurweg. De daartoe strekkende verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.
beslissing

3

3.1
Zoals al overwogen in het arrest van 25 september 2018 falen de grieven tegen het vonnis van 3 februari 2016, voor zover die het vervallen en het herstel van de destijds bij akte gevestigde erfdienstbaarheid en verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring betreffen. De bij wege van eisvermeerdering gevorderde verklaring voor recht aangaande het bestaan van een buurweg is, zoals overwogen, echter toewijsbaar op de wijze zoals die in het dictum zal worden geformuleerd, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd, behoudens voor zover [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten is veroordeeld.
3.2
Nu beide partijen in hoger beroep over en weer in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
beslissing

4

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 februari 2016, behoudens voor zover daarbij [appellant] uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld in de proceskosten, bekrachtigt dit vonnis in zoverre en doet voor het overige opnieuw recht;
verklaart voor recht dat het pad, deel uitmakend van het perceel E 213 ( [a-straat] 10) en gelegen naast het perceel B 3878 ( [a-straat] 12), geldt als een buurweg tussen de eigenaren van perceel B 3878 en perceel E 213;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. J.H. Kuiper en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.