Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:9508

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:9508, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.180.570/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.180.570/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3839332)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,appellante,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [A] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend te Bleiswijk.

ECLI:NL:GHARL:2019:9508:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.180.570/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3839332)
arrest van 5 november 2019

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,appellante,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [A] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend te Bleiswijk.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 29 september 2015 dat de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 november 2015,- de memorie van grieven,- de memorie van antwoord (met producties),- een akte van de zijde van [geïntimeerde] van 26 september 2017 (met producties),- een antwoordakte van de zijde van Dexia.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
Dexia vordert in het hoger beroep het bestreden vonnis te vernietigen en (i) de vordering van Dexia alsnog toe te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, of (ii) de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland ter verdere afdoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep.
3

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [geïntimeerde] zijn de volgende zes effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) gesloten.
6

colA

colB

colC

colD

colE

colF

Nr.

Contractnr.

Naam

Afsluitdatum

Duur

Leasesom

1.

[00000]

Triple Effect

21-03-1998

3 jaar

fl. 17.707,44

2.

[00001]

Feestplan ®

05-09-1997

10 jaar

fl. 10.255,56

3.

[00002]

Feestplan ®

13-10-2000

10 jaar

fl. 10.143,19

4.

[00003]

Feestplan II ®

24-04-1998

10 jaar

fl. 9.905,68

5.

[00004]

WinstVerdubbelaar ®

06-09-1996

5 jaar

fl. 19.536,62

6.

[00005]

WinstVer10Dubbelaar ®

21-09-2000

5 jaar

fl. 40.118,10

3.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de onderstaande resultaten.
4

colA

colB

colC

colD

Nr.

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

1.

[00000]

20-03-2001

€ 393,51

2.

[00001]

09-10-2007

€ 408,16 (negatief)

3.

[00002]

12-10-2010

€ 1.690,50 (negatief)

4.

[00003]

22-04-2008

€ 13,10

5.

[00004]

05-09-2001

€ 15.383,34

6.

[00005]

29-12-2005

€ 1.815,54 (negatief)

3.4.
[geïntimeerde] heeft op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 15.872,70 aan Dexia betaald. Er is in totaal een bedrag van € 1.225,92 aan dividenden aan [geïntimeerde] uitgekeerd.
3.5.
De echtgenote van [geïntimeerde] , [B] , heeft bij brieven van 23 oktober 2004, ten aanzien van overeenkomsten 3 en 6 een beroep gedaan op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW jo. artikel 1:88 lid 1 sub d BW, en bij brief van 21 december 2005, ten aanzien van overeenkomsten 2, 3, 4 en 6 een beroep gedaan op deze vernietigingsgrond, omdat zij voor het afsluiten van die overeenkomsten geen toestemming heeft gegeven.
3.6.
Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogenoemde "Duisenberg-regeling" welke tot stand is gekomen tussen Dexia en een aantal belangenorganisaties van afnemers van haar effectenleaseovereenkomsten op grond van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM) algemeen verbindend verklaard. [geïntimeerde] heeft door middel van een "opt-out"-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.
3.7.
In de rechtspraak, uiteindelijk leidend tot het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), is het zogenoemde "hofmodel" ontwikkeld voor de beoordeling van effectenleasezaken als de onderhavige.
3.8.
Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [geïntimeerde] aan Dexia laten weten dat [geïntimeerde] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.
3.9.
Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [geïntimeerde] aangeschreven met het verzoek om aan te tonen dat hij conform het hofmodel nog recht zou hebben op schadevergoeding. Indien [geïntimeerde] zou menen geen recht meer te hebben op enige schadevergoeding, kon de bijgevoegde "waiver" worden ondertekend en geretourneerd. [geïntimeerde] heeft de waiver niet ondertekend en geretourneerd.
beslissing

4

4.1.
Dexia heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd om voor recht te verklaren dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten 1 t/m 6 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.
4.2.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 september 2015 de vordering van Dexia afgewezen, omdat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [geïntimeerde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, hetgeen betekent dat thans niet als vaststaand kan worden aangenomen dat Dexia ten aanzien van de in het geding zijnde overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niet meer dan het door haar bij conclusie van repliek genoemde bedrag aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Er bestaat daardoor volgens de kantonrechter evenmin aanleiding om thans op de voorgelegde geschilpunten te beslissen. De kantonrechter heeft Dexia in de proceskosten veroordeeld.
overwegingen

5

5.1.
Deze procedure betreft een zogenaamde 'waiver'-procedure, inhoudende dat Dexia in rechte vastgesteld wil zien dat [geïntimeerde] in rechte niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van de tussen partijen gesloten effectenleaseovereenkomsten.
5.2.
Dexia heeft in hoger beroep één grief opgeworpen. Dexia stelt zich in die grief op het standpunt dat de in het geding zijnde geschilpunten in (hogere) jurisprudentie reeds zijn uitgekristalliseerd, zodat de kantonrechter ten onrechte heeft geweigerd een inhoudelijk oordeel te vellen over de vordering van Dexia. Het hof volgt Dexia in haar stelling dat de (hogere) jurisprudentie zich met betrekking tot de in de onderhavige zaak voorliggende punten, inmiddels voldoende heeft uitgekristalliseerd. Dit brengt met zich dat de grief van Dexia terecht is voorgedragen. Of dat tot vernietiging van het vonnis zal leiden, zal uit de verdere beoordeling blijken.
5.3.
Het slagen van de grief van Dexia heeft tot gevolg dat in verband met de positieve zijde van devolutieve werking van het hoger beroep de door de kantonrechter niet behandelde of verworpen weren van [geïntimeerde] en de niet prijsgegeven stellingen van Dexia alsnog ambtshalve door het hof moeten worden behandeld.
5.4.
Bij de beoordeling van de door Dexia gevorderde verklaring voor recht heeft te gelden dat op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast met betrekking tot die vordering op Dexia rusten. Op [geïntimeerde] ligt vervolgens de verplichting om, wil hij niet dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid. [geïntimeerde] kan ermee volstaan, als verweer tegen de gevorderde verklaring voor recht, duidelijk te maken op welk punt hij nog een vordering pretendeert te hebben. Niet kan worden gevergd dat [geïntimeerde] de vordering in reconventie daadwerkelijk instelt, op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken. Waar enkel stilzitten in het algemeen geen rechtsverwerking meebrengt, zal aan een schuldeiser die draalt met het instellen van zijn vordering, alleen op die grond niet snel zijn vordering kunnen worden ontnomen. Het is immers in beginsel aan de schuldeiser om te bepalen of en wanneer hij zijn vordering in rechte geldend maakt. Tegen deze achtergrond dient te worden bezien of [geïntimeerde] ten aanzien van de in het geding zijnde overeenkomsten (mogelijk) nog een vordering op Dexia heeft.
Aankoop aandelen

5.5.
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat Dexia de in de overeenkomsten genoemde aandelen niet daadwerkelijk heeft gekocht, maar in plaats daarvan opties heeft gekocht. Dit zou betekenen - zo stelt [geïntimeerde] - dat Dexia het voor de aankoop van die aandelen bestemde krediet in feite niet aan [geïntimeerde] beschikbaar heeft gesteld, zodat [geïntimeerde] daar ten onrechte rente over heeft betaald, terwijl voorts de beweerdelijke restschuld zich in feite niet heeft voorgedaan. Een gelijkluidend standpunt is door dit hof in verschillende vergelijkbare zaken verworpen (zie onder meer het arrest van 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1545 en de arresten van 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2661 en ECLI:NL:GHARL:2019:2662), onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:3962), dat in cassatie in stand bleef (ECLI:NL:HR:2016:2828). Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat in de onderhavige zaak tot een andere conclusie moet worden gekomen. Conclusie is dat [geïntimeerde] op dit punt geen vordering heeft op Dexia.
Onjuiste afrekenkoersen

5.6.
Daarnaast heeft [geïntimeerde] zich op het standpunt gesteld dat Dexia hem voor de aangekochte aandelen meer in rekening heeft gebracht dan zij daar zelf voor heeft betaald. Dexia kocht de aandelen (voor veel contracten tegelijk) in plukjes in de loop van de beursdag, berekende de gemiddelde prijs en hanteerde daarbovenop een opslag. Dexia heeft de aankoopprijs plus de opslag als aankoopwaarde van de aandelen bij de afnemer in rekening gebracht, zonder dat daarvoor een contractuele grondslag bestond. De AFM heeft Dexia in 2004 een boete opgelegd voor deze handelswijze, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt daardoor een onnodig hoge lening te hebben verkregen, waarover meer rente betaald moest worden en dat daardoor een hogere restschuld is ontstaan. Dexia heeft het bestaan van de vordering van [geïntimeerde] op dit punt betwist. Daarnaast heeft Dexia gesteld dat een eventuele vordering is verjaard en dat de klachttermijn van artikel 6:89 BW is verstreken.
5.7.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] niet toelicht welke vordering voor hem uit deze kwestie zou kunnen voortvloeien. Hij heeft weliswaar in algemene zin uitgelegd hoe de gang van zaken was, waarbij Dexia een opslag hanteerde bovenop de gemiddelde aankoopwaarde van de aandelen, maar heeft niet uitgewerkt om welke bedragen het daarbij in zijn geval zou kunnen gaan. Aangezien de opslag in ieder geval niet meer kan bedragen dan het verschil tussen de gemiddelde aankoopwaarde en de maximumkoers op die dag, ligt niet in de rede dat het daarbij zou kunnen gaan om substantiële bedragen. Het lag op de weg van [geïntimeerde] om zijn mogelijke vordering, in het kader van zijn verweer in de onderhavige procedure, nader te concretiseren. Nu [geïntimeerde] zijn vordering onvoldoende gesubstantieerd heeft, is niet komen vast te staan dat hij op dit punt nog een vordering op Dexia heeft. Een bespreking van de door Dexia gedane beroepen op verjaring en schending van de klachtplicht in de zin van artikel 6:89 BW behoeven derhalve geen bespreking meer.
Beleggingstechnische gebreken

5.8.
[geïntimeerde] heeft verder betoogd dat de effectenleaseproducten beleggingstechnische gebreken bevatten en Dexia voor die gebreken had moeten waarschuwen. Een gelijkluidend standpunt is door dit hof in verschillende vergelijkbare zaken verworpen (zie onder meer het arrest van 12 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1377, het arrest van 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1545 en de arresten van 26 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2661 en ECLI:NL:GHARL:2019:2662). [geïntimeerde] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat in zijn zaak anders geoordeeld moet worden. Ook in het onderhavige geval waren de risicovolle eigenschappen van het effectenleaseproduct, de door [geïntimeerde] genoemde beleggingstechnische gebreken, duidelijk kenbaar uit de overeenkomst en de bijbehorende voorwaarden. Dexia was daarom niet gehouden [geïntimeerde] ook hiervoor indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen alvorens de overeenkomst aan te gaan. Ook op dit punt heeft [geïntimeerde] geen vordering op Dexia.
Advisering door Dexia

5.9.
Ten aanzien van overeenkomsten 2 en 4 (zie punt 96. van de conclusie van antwoord) heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij werd benaderd door een medewerker van Legio-Lease (rechtsvoorganger van Dexia), dat deze meerdere keren bij hem op kantoor is geweest, hem verzekerde dat het aangaan van deze effectenleaseovereenkomsten een uitstekende vorm van sparen was waaraan geen risico's waren verbonden en dat het een hoger rendement gaf dan gewoon sparen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij ervan uitging dat Legio-Lease hem aldus een deskundig advies gaf dat in zijn belang was. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725; Van Uden/NBG), stelt [geïntimeerde] dat er een algemeen geldende, minder grote inspanningsverplichting voor een afnemer geldt die is geadviseerd.
5.10.
Het hof overweegt als volgt. Genoemd arrest ziet op advisering door een tussenpersoon. Dit geldt ook voor de na de conclusie van antwoord van [geïntimeerde] gewezen arresten van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en ECLI:NL:HR:2016:2015). Wanneer een afnemer van een financieel product zich laat adviseren door een financieel dienstverlener als tussenpersoon, mag hij er vanuit gaan dat deze onafhankelijk en deskundig is. De afnemer behoeft dan minder snel bedacht te zijn op en behoeft zich minder snel uit eigener beweging te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot de aanbieder van het effectenleaseproduct zelf, zo volgt uit de hiervoor genoemde arresten. [geïntimeerde] werd geadviseerd door een adviseur in dienst van Dexia, en diende er dus rekening mee te houden dat zo'n adviseur ernaar streeft de eigen producten te verkopen. De stelling van [geïntimeerde] dat Dexia hem meer verschuldigd is dan hem reeds op grond van het zogenoemde hofmodel toekomt, omdat Dexia zelf heeft geadviseerd de effectenleaseovereenkomsten aan te gaan, gaat dan ook niet op. De advisering door Dexia zelf als aanbieder wordt geacht te zijn verdisconteerd in de standaard schuldverdeling, zoals die naar aanleiding van de in rechtsoverweging 3.7. bedoelde rechtspraak is ontwikkeld. Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] ter zake van dit punt geen vordering op Dexia heeft.
Vernietiging van de overeenkomsten op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW

5.11.
[geïntimeerde] stelt nog een vordering op Dexia te gelde te kunnen maken op grond van onverschuldigde betaling, omdat zijn echtgenote ten aanzien van de in het geding zijnde overeenkomsten tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW jo. artikel 1:88 lid 1 sub d BW.
5.12.
Dexia heeft zich ten aanzien van de overeenkomsten op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid om de vernietiging in te roepen op het moment van vernietiging door de echtgenote al was verjaard.
5.13.
Het hof stelt het volgende voorop. De rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan. Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk - subjectief - bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was deze te vernietigen (Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast draagt van de feiten of omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [geïntimeerde] en zijn echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet al te zware eisen mogen worden gesteld (Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106). Volgens vaste rechtspraak wordt bovendien aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn. Vermoed wordt dat dat de echtgenote van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is vervolgens aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (Hoge Raad d.d. 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en ECLI:NL:HR:2012:BU6508 alsmede Hoge Raad d.d. 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).
5.14.
In hoger beroep staat niet (langer) ter discussie dat de - in rechtsoverweging 3.7 bedoelde - collectieve procedure stuitende werking heeft gehad voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000, dan wel overeenkomsten die vóór die datum zijn gesloten maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst, en dat, om de stuitende werking van die procedure te behouden, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten diende te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht (vgl. Hoge Raad d.d. 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).
5.15.
Het hof constateert dat de echtgenote van [geïntimeerde] bij brieven van 23 oktober 2004 alleen ten aanzien van overeenkomsten 3 en 6 en bij brief van 21 december 2005 ten aanzien van overeenkomsten 2, 3, 4 en 6 een beroep heeft gedaan op bedoelde vernietigingsgrond, omdat zij voor het afsluiten van die overeenkomsten geen toestemming heeft gegeven. Zoals door Dexia is aangevoerd, is niet gebleken dat de echtgenote van [geïntimeerde] ten aanzien van overeenkomsten 1 en 5 een beroep heeft gedaan op de vernietigingsgrond van artikel 1:89 BW jo. artikel 1:88 lid 1 sub d BW, zodat het beroep daartoe ten aanzien van die overeenkomsten is verjaard. Daarbij komt dat overeenkomst 1 door de echtgenote van [geïntimeerde] is meeondertekend, zodat ook om die reden aan haar geen beroep op voornoemde vernietigingsgrond toekomt.
5.16.
Aangezien de echtgenote van [geïntimeerde] bij brieven van 23 oktober 2004 dan wel bij brief van 21 december 2005 de vernietiging heeft ingeroepen van de ná 13 maart 2000 gesloten overeenkomsten 3 en 6, is de vernietigingsbevoegdheid als gevolg van de collectieve actie gestuit. Ten aanzien van overeenkomsten 3 en 6 heeft dan ook te gelden dat [geïntimeerde] mogelijk nog een vordering op Dexia te gelde kan maken vanwege de door de echtgenote ingeroepen vernietiging van deze effectenleaseovereenkomsten. Dit brengt met zich dat de in deze procedure door Dexia gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is.
5.17.
Voor wat betreft de door de echtgenote van [geïntimeerde] bij brief van 21 december 2005 ingeroepen vernietiging van de vóór 13 maart 2000 gesloten overeenkomsten 2 en 4 heeft te gelden dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid niet zonder meer als gevolg van de collectieve actie is gestuit. Het beroep op verjaring kan ten aanzien van die overeenkomsten daarom slagen. Echter, aangezien de door Dexia gevorderde verklaring voor recht gelet op het onder 5.16. overwogene reeds niet toewijsbaar is en [geïntimeerde] in deze procedure geen (reconventionele) vordering heeft ingesteld, is voor een beoordeling van dit punt, alsmede de stellingen en verweren ten aanzien van de advisering door Hoevelaken Advies B.V., de resterende termijnen, de verrekening van het batig saldo en de buitengerechtelijke kosten in deze procedure geen plaats. Een dergelijke beoordeling zal alsnog in de (eventueel) door [geïntimeerde] aanhangig te maken procedure aan de orde kunnen komen
beslissing

6

6.1.
De grief is weliswaar terecht voorgesteld, maar kan niettemin niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, zodat deze zal worden bekrachtigd.
6.2.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Die kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op:
- verschotten (griffierecht) € 311,-- salaris advocaat € 1.074,- conform het liquidatietarief (1 punt x tarief II)
6.3.
Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.7.
Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 september 2015;

veroordeelt Dexia in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. J.H. Kuiper en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.