Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:8267

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:8267, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.198.783/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.198.783/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/118121 / HA ZA 12-55)
arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2019:8267:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.198.783/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/118121 / HA ZA 12-55)
arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

1

wonende te [A] ,hierna: ,
2. [appellante] ,

wonende te [A] ,hierna: ,appellanten,in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. W.S. Santema, kantoorhoudend te Sneek,
tegen

1

wonende te [A] ,hierna: ,
2. [geïntimeerde2]

wonende te [A] ,hierna te noemen: ,rechtsopvolgers onder bijzondere titel van Barnell Vastgoed B.V. (hierna Barnell), gevestigd te [A] , in eerste aanleg gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,geïntimeerden,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. A.H. van der Wal, kantoorhoudend te Leeuwarden.
1

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 april 2018 hier over.
1.2
Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 24 september 2018 en op 11 december 2018 een getuigenverhoor plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken. Ten behoeve van het getuigenverhoor van 24 september 2018 is van de zijde van [geïntimeerden] c.s. een verklaring van de heer [B] gedateerd 14 september 2018 bij akte in het geding gebracht. Deze akte maakt onderdeel uit van het procesdossier.
1.3
Daarna is door [geïntimeerden] c.s. een memorie na enquête genomen en door [appellanten] c.s. een antwoordmemorie na enquête.
1.4
Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
overwegingen

2

2.1
Bij tussenarrest van 3 april 2018 heeft het hof [geïntimeerden] c.s. toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [appellanten] c.s. de overeenkomst van 30 januari 2003 aldus dienden op te vatten dat onder het “huidige gebruik van de steeg” zoals weergegeven in de overeenkomst van 30 januari 2003 (tevens) het stallen van fietsen en containers in de steeg wordt begrepen. Dit in verband met het beroep van [geïntimeerden] c.s. op de overeenkomst van 30 januari 2003 en het daaruit door overgang verkregen persoonlijke recht tot het stallen van fietsen en containers (rov. 4.21).
2.2
Door [geïntimeerden] c.s. is één getuige voorgebracht: de heer [C] . Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst was de heer [C] statutair bestuurder van Barnell. Barnell was op dat moment onder andere eigenaresse van [a-straat] 9 en 9a. Verder is door [geïntimeerden] c.s. een verklaring van [B] overgelegd, de bewoner van [a-straat] 11. In de contra-enquête zijn door [appellanten] c.s. drie getuigen voorgebracht: de heer [appellant] , mevrouw [appellante] en de heer [D] . De heer [D] was als architect betrokken bij de verbouwing van het pand van [appellanten] c.s. aan de [b-straat] 50.
2.3
Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerden] c.s. niet in het opgedragen bewijs geslaagd. Het hof overweegt als volgt:
2.4
De bepaling in de overeenkomst van 30 januari 2003 waar het in de bewijsopdracht om draait luidt als volgt: De overeenkomst van 30 januari 2003 is opgesteld naar aanleiding van een bespreking die kort daarvoor had plaatsgevonden. Bij die bespreking waren aanwezig: de heer en mevrouw [appellanten] , de architect de heer [D] en de heer [C] . Aanleiding voor de bespreking was het bouwplan van de familie [appellanten] . De aanwezigen bij de bespreking zijn allemaal als getuige gehoord en hebben allemaal verklaard, ook de heer [C] , dat niet is gesproken over de plaatsing van fietsen en containers in de steeg. De heer [C] verklaart op dit punt Vervolgens is de tekst van de overeenkomst opgesteld door de architect van [appellanten] c.s. In de tekst van de overeenkomst komt ook geen enkele verwijzing naar het stallen van fietsen en containers voor, enkel naar het feit dat de steeg de ingang is voor de woning aan de [a-straat] 9a. In het verleden had [a-straat] 9a namelijk ook een ingang aan de [a-straat] maar die is door een verbouwing in 1996 komen te vervallen. Als gevolg daarvan is de situatie met betrekking tot de steeg gewijzigd. Nu uit de tekst van de overeenkomst niet zonder meer volgt dat onder het huidige gebruik ook het stallen van fietsen en containers wordt verstaan en dit in de bespreking voorafgaand aan het opstellen van de overeenkomst ook niet ter sprake is gekomen, kan uit de getuigenverklaringen, ook niet in onderlinge samenhang beschouwd, worden afgeleid dat [appellanten] c.s. redelijkerwijs dienden te begrijpen dat met het huidige gebruik niet alleen werd bedoeld het feit dat [a-straat] 9a de steeg als ingang naar de woning gebruikte maar ook het stallen van fietsen en containers. Ook overigens zijn door [geïntimeerden] c.s. geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan [appellanten] c.s. redelijkerwijs dienden te begrijpen dat met het huidige gebruik ook het stallen van fietsen en containers werd bedoeld.
2.5
Aangezien [geïntimeerden] c.s. niet in het opgedragen bewijs zijn geslaagd, slaagt de eerste grief van [appellanten] c.s.
2.6
Rest de beoordeling van tweede grief van [appellanten] c.s. Deze grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat redelijkheid en billijkheid zich tegen het verbieden van het stallen van fietsen en vuilcontainers in de steeg verzetten. In hoger beroep hebben [geïntimeerden] c.s. nog aangevoerd dat sprake is van misbruik van bevoegdheid door [appellanten] c.s.
2.7
Het hof oordeelt als volgt:
2.8
Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben en de eigenaar is met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken (artikel 5:1 BW). Deze vrijheid is evenwel niet absoluut of onbeperkt. Begrenzingen en beperkingen van het recht van de eigenaar kunnen zijn gelegen in de rechten van anderen, wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven privaat- en publiekrecht (artikel 5:1 lid 2 BW). In het laatste geval kan gedacht worden aan misbruik van bevoegdheid.
2.9
Het gaat hier om het gebruik – plaatsen van fietsen en containers – van de aan [appellanten] c.s. toebehorende steeg, zonder recht of titel en zonder instemming van [appellanten] c.s. De steeg is eigendom van [appellanten] c.s. zodat zij het gebruik van de steeg door derden, waaronder [geïntimeerden] c.s., niet hoeven te tolereren. Door [geïntimeerden] c.s. is aangevoerd dat zij hun fietsen en containers nergens anders kunnen stallen dan in de steeg en dat [appellanten] c.s. hiervan geen overlast en/of hinder ondervinden omdat [appellanten] c.s. het tweede deel van de steeg, waar de fietsen en containers staan, niet gebruiken. [appellanten] c.s. heeft daar tegenover gesteld dat zij last hebben van de fietsen en containers en dat zij de steeg netjes willen houden.
2.10
Het hof heeft tijdens de comparitie ter plaatse geconstateerd dat het gaat om een lange steeg en dat zolang [geïntimeerden] c.s. hun drie fietsen en containers voorbij de voordeur van [appellanten] c.s. plaatsen (die zich halverwege de steeg bevindt), [appellanten] c.s. daarvan geen hinder ondervinden anders dan dat het ontsierend is. Daarbij hebben [geïntimeerden] c.s. er ook belang bij dat de steeg goed toegankelijk is, omdat het hun enige uitweg is. Het gaat hier om een weging van enerzijds het met de inbreuk gediende belang van [geïntimeerden] c.s. en anderzijds het geschade belang van [appellanten] c.s. en de vraag of [appellanten] c.s. in dat licht in redelijkheid niet tot uitoefening van hun eigenaarsbevoegdheid mochten komen. Hoewel het hof begrip heeft voor het standpunt van [geïntimeerden] c.s., met name ook nu zij in de huidige situatie inpandig geen ruimte lijken te hebben voor het plaatsen van fietsen en containers en [appellanten] c.s. geen hinder ondervinden als de fietsen en containers voorbij hun voordeur worden geplaatst, is deze constatering alleen onvoldoende om het oordeel te kunnen dragen dat [appellanten] c.s. in redelijkheid niet tot uitoefening van hun bevoegdheid kunnen overgaan door [geïntimeerden] c.s. het gebruik van de steeg voor het stallen van fietsen en containers te ontzeggen. Van onevenredigheid tussen het belang van [appellanten] c.s. om de steeg geheel vrij te houden en het belang van [geïntimeerden] c.s. om daar fietsen te kunnen plaatsen is geen sprake. Daarbij is voor het hof mede van belang dat door [geïntimeerden] c.s. onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er echt geen andere mogelijkheid is om de fietsen en containers te plaatsen, bijvoorbeeld door (bouwkundige) aanpassingen in de woning. Bovendien is de huidige situatie ontstaan – zoals onweersproken door [appellanten] c.s. is gesteld – door de interne verbouwing van [a-straat] 9 en [b-straat] 50, waarmee de toenmalige eigenaar van die panden de situatie zelf zo heeft gecreëerd. Dit betekent dat ook de tweede grief van [appellanten] c.s. slaagt.
2.11
Het vorenstaande brengt mee dat het onderdeel 6.1 van het (dictum van het) vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. [appellanten] c.s. hebben verzocht om aan het verbod een dwangsom te verbinden. Het hof ziet geen aanleiding de dwangsom anders vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan. Verder is niet gesteld noch gebleken dat [geïntimeerden] c.s. haar pand (deels) verhuurt, zodat het hof de vordering voor zover die betrekking heeft op huurders afwijst.
beslissing

3

3.1
De grieven slagen en het bestreden vonnis zal voor wat betreft onderdeel 6.1 worden vernietigd en kan voor het overige in stand blijven.
3.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
- exploot kosten € 92,82- griffierecht € 299,-- getuigentaxen nihil- salaris advocaat € 3.222,- (tarief II € 1.074,- maximaal 3 punten in dit tarief).
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

beslissing

4

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen (onderdeel 6.1) en doet in zoverre opnieuw recht;

verbiedt [geïntimeerden] c.s. om bouwmaterialen en andere zaken (zoals fietsen en containers) in de steeg te stallen en/of opgeslagen te houden, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat [geïntimeerden] c.s. in gebreke blijven hun zaken te verwijderen, met een maximum van € 5.000,-;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. vastgesteld op € 391,82 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. L. Janse en mr. K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op8 oktober 2019.