Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:8265

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:8265, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.177.811/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.811/01(zaaknummer rechtbank Overijssel 3651543 CV 14-9507)
arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen, kantoorhoudend te Almelo,
tegen

Sociale Verzekeringsbank,

gevestigd te Amstelveen,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. G.C. Kruijswijk, kantoorhoudend te Bergen (Noord-Holland).

ECLI:NL:GHARL:2019:8265:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.811/01(zaaknummer rechtbank Overijssel 3651543 CV 14-9507)
arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen, kantoorhoudend te Almelo,
tegen

Sociale Verzekeringsbank,

gevestigd te Amstelveen,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. G.C. Kruijswijk, kantoorhoudend te Bergen (Noord-Holland).
1

1.1
In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op 13 februari 2018 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken. Ter voorbereiding op de comparitie heeft [appellant] een drietal schriftelijke verklaringen in het geding gebracht.
1.2
Na de comparitie heeft SVB een ‘akte houdende overlegging producties onder protest' (met producties 64 t/m 72) genomen en heeft [appellant] een 'antwoord akte houdende uitlating producties' (met producties 73 t/m 75) genomen.
1.3
Vervolgens heeft schriftelijk pleidooi plaatsgevonden. Ter voorbereiding op dit pleidooi heeft SVB een akte overlegging producties (met producties 76 en 77) genomen en heeft [appellant] een akte vermeerdering van eis (met producties 78 en 79 genomen). Daarna hebben de advocaten van partijen hun pleitnotities, met daarin een reactie op de pleitnotities van de ander, overgelegd.
1.4
Ten slotte hebben partijen de aanvullende processtukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2

2.1
De kantonrechter heeft in r.o. 3 (3.1 tot en met 3.21) van het vonnis van 30 juni 2015 de feiten vastgesteld. De zijn tegen de feitenvaststelling gericht. Uit de toelichting op de grieven volgt dat [appellant] de door de kantonrechter vastgestelde feiten als zodanig niet ter discussie stelt, maar bezwaar heeft tegen de duiding die de kantonrechter aan de feiten geeft. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de advocaat van [appellant] dat, desgevraagd, ook met zoveel woorden aangegeven. Het hof zal, omdat de feiten zelf niet worden bestreden, uitgaan van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Bij de bespreking van de overige grieven zal het hof de in de toelichting op de grieven I tot en met VI vermelde kritiek op de duiding van de feiten door de kantonrechter betrekken. Met betoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte een bepaalde volgens hem relevante omstandigheid buiten beschouwing heeft gelaten. De grief faalt, omdat [appellant] met de grief miskent dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. Het hof zal met wat [appellant] in de toelichting op deze grief aanvoert rekening houden bij de bespreking van de andere grieven.
2.2
De door de kantonrechter vastgestelde feiten komen, aangevuld met wat andere feiten, op het volgende neer.
2.3
[appellant] , geboren [in] 1957, is in de periode van 1986 tot 1993 bij SVB in dienst geweest. Per 1 februari 1999 is [appellant] opnieuw bij SVB in dienst getreden. Op het laatst werkte [appellant] in de vestiging te Deventer in de functie van medewerker [---] voor 36 uur per week tegen een salaris van € 3.136,00 bruto per maand exclusief bijkomende vergoedingen (vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering).

2.4
In de tussen partijen opgemaakte arbeidsovereenkomst van 1 februari 1999 is in artikel 4 de CAO voor de Sociale Verzekeringsbank toepasselijk verklaard en in artikel 5 de interne regeling 'Handboek Sociale Zaken', later genoemd 'Handboek Human Resources'. In hoofdstuk 21 van dat handboek zijn het binnen SVB geldende beoordelingssysteem beschreven en de procedures die een werknemer kan volgen indien hij het niet eens is met een beoordeling.

2.5
In 2010 heeft binnen SVB een reorganisatie plaatsgevonden, waarbij (onder meer) de afdeling belast met de uitvoering van de AOW en Anw werd samengevoegd met de afdeling belast met de uitvoering van de AKW. [appellant] , die zich richtte op AOW en Anw-zaken, kreeg als gevolg van deze reorganisatie een andere leidinggevende, de heer [B] , [---] .

2.6
Per brief van 17 augustus 2010 is [appellant] schriftelijk berispt, conform artikel 20 van de CAO, in verband met het verwijderen van relevante documenten uit een klantendossier, waaronder een klacht van die klant, het onterecht afboeken van een vordering als zijnde terugbetaald door de klant en het niet afhandelen van een klacht.
2.7
In het beoordelingsgespreksformulier van 22 december 2010 is het functioneren van [appellant] beoordeeld met een cijfer 3 op een bereik van 1 tot 6, wat neerkomt op een 'matige prestatie’. De voornaamste reden blijkt tijdigheid te zijn, of beter: het gebrek daaraan. In het formulier is daarover opgenomen dat dossiers te vaak over de normtijd heen gaan waardoor de klanten van SVB te lang moeten wachten op uitsluitsel. In het formulier is tevens opgenomen dat [appellant] goede kwaliteit levert en dat hij zijn collega's met zijn deskundigheid op het gebied van buitenlandse zaken bijstaat, flexibel is en bereid is diensten over te nemen. De eindscore op het gebied van algemeen persoonlijk functioneren wordt in vergaande mate omlaaggehaald door voormelde berisping. heeft het formulier niet voor akkoord ondertekend.

2.8
Op 16 december 2011 heeft opnieuw een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Uit het daarvan opgemaakte gespreksformulier blijkt dat het functioneren opnieuw werd gewaardeerd met een matige prestatie, veroorzaakt doordat de productie van [appellant] onder het gemiddelde lag van andere servicemedewerkers, dat de tijdigheid is verbeterd in die zin dat er weinig zaken over de normtijd gingen, maar dat daarbij te gretig gebruik is gemaakt van de mogelijkheid te verlengen. Verder is in het formulier vermeld dat de indicatiecijfers een teruglopende kwaliteit aangeven. De deskundigheid van [appellant] werd als voldoende beoordeeld: de verstrekte informatie aan klanten is volledig en communicatie is op maat gesneden. [appellant] heeft het formulier op 28 december 2011 voor akkoord ondertekend.
2.9
Vanaf 2012 maakten de AKW-zaken ook onderdeel uit van het takenpakket van [appellant] . [appellant] heeft een training gevolgd voor het kunnen behandelen van AKW-zaken.

2.10
Op 12 december 2012 is het functioneren van [appellant] in 2012 beoordeeld. Het functioneren is beoordeeld met het cijfer 2, wat neerkomt op een slechte prestatie. Ter toelichting op die eindbeoordeling is daarover in het formulier vermeld: “”In het formulier is opgenomen dat de inzet van [appellant] op AKW-zaken onvoldoende is, dat hij de nieuwe wet “schijnbaar niet serieus genoeg” neemt, dat hij ten onrechte geen hulp vraagt aan collega's, dat de kwaliteit redelijk op orde is, maar dat [appellant] met name in AKW-zaken foutjes maakt, dat de tijdigheid van afhandeling van AKW-zaken zwaar onvoldoende is en dat [appellant] aanwijzingen om de tijdigheid te verbeteren niet (voldoende zichtbaar) heeft opgevolgd. Dienstverlening, met name de telefonische afhandeling van klantvragen, wordt ruim voldoende gewaardeerd en ten aanzien van de productie is aangegeven dat [appellant] over de gehele periode heeft voldaan aan de gemaakte afspraak en dat deze de laatste maanden (september/oktober) een stijgende lijn laat zien. Over het “Algemeen Persoonlijk Functioneren” is opgemerkt:“[appellant] heeft het verslag niet (voor akkoord) ondertekend.

2.11
Op 21 juni 2013 is tussen [appellant] en [B] gesproken over de bij [B] levende zorgen over de behandeling door [appellant] van AKW-zaken. In dat gesprek is aan de orde gekomen het voorstel van [appellant] om drie dagen per week AKW-zaken op te pakken en daarover wekelijks te rapporteren.

2.12
Op 26 augustus 2013 is opnieuw tussen [appellant] en [B] gesproken over [appellant] ' prestaties aangaande AKW-zaken. In het daarvan opgemaakte gespreksverslag is opgenomen dat de uitstroom in AKW-zaken achterblijft en de tijdigheid niet in orde is, dat [B] twijfelt of [appellant] zich wel wil ontwikkelen en dat, indien [appellant] dat wil, hij de kans krijgt zich te ontwikkelen in de richting van integraal servicemedewerker conform het daartoe opgestelde plan van aanpak. In dat verslag is tot slot vermeld:“” Dit verslag is ondertekend door [B] en [appellant] . Op die datum is ook een plan van aanpak besproken met als einddoel: "". In dat plan van aanpak zijn 'tussenstappen', 'werkwijzen/afspraken' en 'afgesproken acties' neergelegd.

2.13
Na het vertrek van [B] in het najaar van 2013, is de heer [C] (hierna: [C] ), locatiemanager, de leidinggevende van [appellant] geworden.
2.14
Op 6 november 2013 heeft [C] met [appellant] een evaluatiegesprek gehouden. In het daarvan opgemaakte verslag is onder meer opgenomen: “” Verder is vastgelegd dat is besproken dat het resultaat op alle vlakken (uitstroom, integraliteit, kwaliteit en tijdigheid) de laatste weken terugloopt, dat [appellant] onjuiste verslagleggingsmethoden gebruikt en dat ook in de AOW- en Anw-zaken problemen ontstaan met betrekking tot de tijdigheid. Tot slot is vermeld: “”. Dit verslag is mede door [appellant] ondertekend.

2.15
Op 3 december 2013 is tussen [D] (als [---] plaatsvervangend leidinggevende) en [appellant] besproken dat de productiviteit en integraliteit een verbetering laten zien, maar dat de ontwikkeling bij de behandeling van AKW-zaken opnieuw achter blijft. [D] heeft daarop zijn zorg uitgesproken over de toekomst van [appellant] .

2.16
Per koeriersbrief van 19 december 2013 heeft SVB [appellant] aangeschreven dat hij zonder overleg en toestemming niet op zijn werk is verschenen, dat zulks niet acceptabel is en dat hij op 20 december 2013 op zijn werk dient te verschijnen op straffe van een disciplinaire maatregel. Aan deze sommatie heeft [appellant] gevolg gegeven.

2.17
Op 15 januari 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden over de constatering door SVB dat [appellant] en een collega, mevrouw [E] , onder elkaars account werkzaamheden hebben verricht, waarmee volgens SVB de regels met betrekking tot 'security awareness' worden overtreden en wat volgens SVB als een ernstige overtreding van de integriteitsregels kwalificeert.

2.18
In een na het gesprek van 15 januari 2014 opgemaakte notitie hebben [D] en [C] het door hen ervaren functioneren van [appellant] geresumeerd. In die notitie is onder meer vermeld dat de eindbeoordeling over het functioneren over het jaar 2013 zal uitkomen op een score van 2, wat inhoudt dat het functioneren (opnieuw) als onvoldoende wordt beoordeeld. [D] en [C] menen dat het niet haalbaar is dat het functioneren van [appellant] zo zal verbeteren dat hij naar behoren zal gaan functioneren. In die notitie is verder onder meer vermeld: “

2.19
Per brief van 15 januari 2014, waarmee de inhoud van het gesprek van 15 januari 2014 is bevestigd, heeft SVB - in de persoon van [F] , [---] - aan [appellant] medegedeeld dat SVB [appellant] , in verband met zijn overtreding van haar integriteitregels en haar oordeel dat hij zijn onvoldoende functioneren niet naar tevredenheid zal verbeteren, tot nader order vrijstelt van het verrichten van werkzaamheden met behoud van loon, onder uitnodiging aan [appellant] om SVB in gesprek te komen over een minnelijke beëindiging van het dienstverband.

2.20
Partijen hebben daarna vergeefs onderhandeld over een beëindigingsovereenkomst.

2.21
Per brief van 31 maart 2014 heeft SVB de arbeidsovereenkomst met [appellant] tegen 1 juni 2014 opgezegd. In de brief is daartoe onder meer vermeld:.” 2.22 In verband met de beëindiging van het dienstverband met [appellant] heeft de SVB, die eigen risicodrager is, tot en met juli 2017 aan [appellant] een bedrag betaald van € 89.884,62 bruto aan WW-uitkering en een bedrag van € 7.742,87 bruto aan bovenwettelijke uitkering. In de periode van augustus 2017 tot en met november 2019 betaalt de SVB aan [appellant] aan bovenwettelijke aansluitende uitkering een bedrag van € 65.982,71 bruto.

2.23
Bij dagvaarding van 18 augustus 2014 heeft [appellant] in kort geding gevorderd - samengevat - zijn wedertewerkstelling onder doorbetaling van salaris van 1 juni 2014, met bijkomende vorderingen. Bij vonnis van 9 september 2014 heeft de kantonrechter de daartoe gevorderde voorlopige voorziening afgewezen. Bij arrest van 17 februari 2015 heeft dit hof het vonnis van 9 september 2014 vernietigd voor zover het betreft de veroordeling in de proceskosten en het vonnis voor het overige bekrachtigd.
beslissing

3

3.1
[appellant] heeft SVB gedagvaard voor de kantonrechter. Hij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat SVB de arbeidsovereenkomst met hem kennelijk onredelijk heeft beëindigd. Hij heeft verder primair gevorderd dat SVB wordt bevolen het dienstverband met hem te herstellen en hij heeft een aantal met die vordering samenhangende vorderingen (loondoorbetaling en dergelijke) ingesteld. Subsidiair heeft hij gevorderd dat SVB wordt veroordeeld tot betaling aan hem van € 132.084,- bruto aan vergoeding naar billijkheid, te vermeerderen met € 3.861,03 bruto aan pensioenschade, € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 23.568,- (inclusief BTW) aan kosten van juridische bijstand, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding en met€ 6.500,- aan werkelijk gemaakte juridische kosten, dan wel € 932,- op basis van rapport Voorwerk II.Aan deze vorderingen heeft hij ten grondslag gelegd dat het hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, omdat de opzegging is gebaseerd op een voorgewende of valse reden en omdat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van SVB bij opzegging van de arbeidsovereenkomst.
3.2
SVB heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant] . Zij heeft aangevoerd dat [appellant] langdurig disfunctioneerde en dat in dit disfunctioneren geen verbetering is ontstaan, hoewel zij [appellant] ruimschoots de gelegenheid en de middelen heeft geboden zijn functioneren te verbeteren. Er was dan ook een gerechtvaardigde reden voor het ontslag. Volgens SVB is de beëindiging van het dienstverband, gelet op de wederzijdse belangen, niet onevenredig. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat [appellant] naast zijn WW-uitkering aanspraak heeft op een ruime bovenwettelijke (aansluitende) uitkering.
3.3
De kantonrechter heeft in het vonnis van 30 juni 2015 de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.De kantonrechter is voorbijgegaan aan de stelling van [appellant] dat de beoordelingen en andere vastleggingen van SVB over het functioneren van [appellant] geen reëel beeld hebben ingehouden en aan diens stelling dat de berisping van 17 augustus 2010 een rol heeft gespeeld bij de beoordelingen over 2011 en later. Volgens de kantonrechter heeft [appellant] ook niet aangetoond dat er een verband bestaat tussen zijn functioneren enerzijds en de reorganisatie in 2010, een gebrekkig functionerend ICT-systeem en de belasting met arbeidsintensieve zaken anderzijds.Het verwijt van [appellant] dat SVB zich onvoldoende heeft ingespannen om het functioneren van [appellant] te verbeteren houdt volgends de kantonrechter geen stand. De kantonrechter oordeelt dat in het kader van de weging van het functioneren van [appellant] rekening mag worden gehouden met de incidenten uit december 2013 betreffende het ICT-account en het opnemen van een verlofdag en is ook van oordeel dat het feit dat [appellant] kennelijk in privé de beschikking heeft over privacygevoelige gegevens van klanten van SVB en deze gegevens in de procedure gebruikt steun biedt voor de stelling van SVB dat [appellant] ’ houding en gedrag tekortschiet. Van een voorgewende of valse reden is dan ook geen sprake, aldus de kantonrechter, die ook van oordeel is dat de gevolgen van de opzegging voor [appellant] niet te ernstig zijn in vergelijking met de belangen van SVB bij de opzegging. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] aanspraak kan maken op een bovenwettelijke (aansluitende) uitkering.
4

4.1
[appellant] heeft na de comparitie van partijen zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu subsidiair een hogere schadevergoeding dan aanvankelijk, te weten € 306.432,84 bruto aan gederfd inkomen, € 3.861,03 + p.m. aan pensioenschade, € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 40.131,69 aan kosten van rechtskundige bijstand van 9 september 2015 tot en met 23 april 2019.
4.2
SVB heeft geen bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Bij gelegenheid van het pleidooi is zij zonder voorbehoud ingegaan op de vermeerderde eis. Gezien dat laatste zal het hof, hoewel de eis na de memorie van grieven is vermeerderd en de vermeerdering is te beschouwen als een nieuwe grief terwijl [appellant] onvoldoende heeft toegelicht waarom hij zijn eis niet eerder heeft vermeerderd, recht doen op de vermeerderde eis.
5.1
Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat op de vorderingen van [appellant] op grond van het overgangsrecht van de WWZ nog het oude recht - in dit geval in het bijzonder artikel 7:681 BW (oud) - van toepassing is. Op grond van deze bepaling is het aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat het hem verleende ontslag kennelijk onredelijk is, bijvoorbeeld omdat het is gebaseerd op een voorgewende of valse reden en/of omdat de gevolgen voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij opzegging (het gevolgencriterium). Ten aanzien van de valse reden geldt wel dat van de werkgever kan worden gevergd dat hij bij zijn betwisting van de stellingen van de werknemer voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter staving van de opgegeven ontslagreden om de werknemer voor zijn bewijslevering aanknopingspunten te verschaffen. Laat de werkgever na voldoende aanknopingspunten als hiervoor bedoeld te verschaffen, dan staat het de rechter vrij daaraan de slotsom te verbinden dat de werkgever niet voldoende heeft weersproken dat het ontslag kennelijk onredelijk is, zodat (tegen)bewijs niet meer aan de orde komt en aanstonds van de onredelijkheid van het ontslag kan worden uitgegaan (vgl. HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3643).
5.2
Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het betoog van [appellant] in de inleiding van zijn memorie van grieven, inhoudende dat de werkgever dient te stellen en te bewijzen dat de werknemer niet functioneert, niet juist is. Voor zover in dat betoog een moet worden gelezen, faalt deze grief. 5.3 Met het voorgaande is ook het protest van SVB tegen de aan haar door het hof gegeven opdracht om aanvullende informatie te verstrekken, geadresseerd. Deze opdracht, die het hof op grond van artikel 22 Rv kan geven, vindt zijn grond in wat het hof heeft overwogen over de verzwaarde stelplicht van SVB ten aanzien van het door [appellant] gedane beroep op de valse reden. Het betoog van SVB dat het hof met het verzoek om informatie te ver gaat, steunt op de gedachte dat de rechter in het kader van een vordering op grond van kennelijk onredelijk ontslag onder het oude recht diende te volstaan met een marginale toetsing. Die gedachte is onjuist, zeker in een geval als dit waarin aan de vordering ten grondslag is gelegd dat het ontslag berust op een valse reden en de opzegging niet is getoetst door het UWV.
5.4
Met komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een valse of voorgewende reden. De grieven hangen met elkaar samen en leggen het geschilpunt over de valse reden in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven, en daarmee het geschilpunt, tezamen behandelen. Het hof zal daarbij betrekken wat [appellant] in de toelichting op de grieven I tot en met VII en in de inleiding van de memorie van grieven over het geschilpunt naar voren heeft gebracht.
5.5
SVB heeft de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd in de brief van 31 maart 2014 (r.o. 2.21). Voor de reden van het ontslag verwijst SVB naar de beoordelingen van 2010 tot en met 2013 en de verslagen van gesprekken tussen [appellant] en zijn leidinggevende(n). Uit deze beoordelingen en verslagen volgt volgens SVB dat de productie van [appellant] tekortschiet (1), dat hij niet voldoet aan de eis van tijdigheid (2) en dat hij tekortschiet op het punt van ontwikkeling, houding en gedrag (3).
5.6
SVB heeft de beoordelingsformulieren over 2010 (r.o. 2.7), 2011 (r.o. 2.8) en 2012 (r.o. 2.10) overgelegd. Partijen twisten over de betekenis van deze beoordelingen. Het hof stelt vast dat [appellant] het beoordelingsformulier over 2011 zonder voorbehoud en voor akkoord heeft ondertekend. Het hof stelt verder vast dat gesteld noch gebleken is dat [appellant] gedurende zijn actieve dienstverband bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud van de beoordelingsformulieren en evenmin dat hij op aanvulling of correctie van die formulieren heeft aangedrongen. [appellant] heeft ook niet de in de toepasselijke CAO voorziene weg van bezwaar tegen de beoordelingen gevolgd. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door toedoen van SVB deze mogelijkheden niet heeft benut. Als [appellant] al bang was voor repercussies wanneer hij actie zou ondernemen tegen in zijn ogen onjuiste beoordelingen, heeft [appellant] niet onderbouwd dat SVB die angst heeft veroorzaakt. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen is ook gebleken dat [appellant] de mogelijkheid had om de door zijn leidinggevende gebruikte informatie over productie en tijdigheid van [appellant] te controleren. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat heeft gedaan en dat daarbij is gebleken dat die gegevens niet klopten. [appellant] heeft nog aangevoerd dat de computersystemen van SVB gebrekkig en kwetsbaar waren. Dat heeft geleid tot grote problemen bij de uitvoering, waarvan veel uitkeringsgerechtigden de dupe zijn geworden. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat de gegevens uit de systemen correct zijn, aldus [appellant] . Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog, omdat het onvoldoende is onderbouwd. Ook indien in de relevante periode sprake was van automatseringsproblemen waardoor veel fouten werden gemaakt in de uitvoeringspraktijk, betekent dat niet dat ook de managementsystemen, waarmee de productie, tijdigheid en kwaliteit van de werknemers werden gemeten, onbetrouwbaar waren. Dat dit het geval is, heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt aan de hand van concrete voorbeelden van gemaakte fouten. [appellant] heeft in zijn algemeenheid aangegeven dat hij zijn leidinggevende in gesprekken heeft gewezen op onjuiste cijfers, maar hij heeft dat niet geconcretiseerd, door aan te geven wanneer die gesprekken hebben plaatsgevonden en welke cijfers het betrof. Dat had, gelet op wat hiervoor is overwogen over stelplicht en bewijslast, wel op zijn weg gelegen. Het hof zal daarom het uitgangspunt hanteren dat de in de formulieren vermelde gegevens juist zijn.
5.7
SVB heeft na de comparitie van partijen gegevens over (onder meer) de productie en de tijdigheid betreffende [appellant] in het geding gebracht. SVB heeft de gegevens betreffende [appellant] vergeleken met de gegevens betreffende drie collega's van [appellant] met eenzelfde functie en vergelijkbare leeftijd en werkervaring. Daargelaten of SVB met het verstrekken van deze gegevens heeft voldaan aan de opdracht van het hof - het hof komt op dit punt hierna terug - valt het volgende op:- de productie van [appellant] laat in de jaren 2010 tot en met 2013 een stijgende lijn zien. De zogenaamde uitstroomuren (het aantal behandelde zaken in een jaar vermenigvuldigd met de standaardtijd per zaak) nemen toe van 669 in 2010 naar 1124 in 2013. In 2012 voldoet [appellant] met 1106 uitstroomnormen ruimschoots aan de voor hem geldende norm van 950. In de beoordeling over 2012 is ook vermeld dat [appellant] aan de productie voldoet. In 2013 is het aantal uitstroomuren (licht) gestegen naar 1124. Dat [appellant] dan niet aan de norm voldoet, is het gevolg van het feit dat de norm dan 1.360 uitstroomuren bedraagt;- ten aanzien van de tijdigheid geldt dat [appellant] in 2010 ruimschoots, in 2011 net, in 2012 net niet en in 2013 prima aan de norm (maximaal 4% te laat) voldeed. Wel is er een verschil tussen AOW/Anw en AKW zaken, in die zin dat [appellant] voor AKW zaken het maximum van 4% in 2012 fors (10%) en in 2013 ruim (5,49%) overschrijdt;- de drie in het overzicht betrokken collega's van [appellant] scoren (aanzienlijk) beter dan [appellant] op het punt van productie en tijdigheid.5.8 De gegevens bieden steun voor de stelling van [appellant] dat hij ten aanzien van de productie niet ernstig tekortschoot. In 2012 voldeed hij aan de norm en zijn productie is in 2013 nog wat gestegen. Omdat de norm veel sterker is gestegen, haalde hij in dat jaar de norm niet. Een en ander wordt bevestigd door de informatie uit de beoordelingen. In 2010 wordt het onderwerp productie niet apart benoemd. In 2011 wel. In het beoordelingsformulier wordt opgemerkt dat de productie van [appellant] bijna 15% onder het gemiddelde ligt en dat hij daarmee de met hem gemaakte afspraak (het gemiddelde) niet heeft gehaald. Wel wordt opgemerkt dat [appellant] "."In 2012 wordt in het beoordelingsformulier vermeld dat [appellant] "overall gezien" voldoende heeft gepresteerd op dit gebied, maar dat de stijgende lijn wel zal moeten worden doorgetrokken.
5.9
Voor wat betreft het tekortschieten ten aanzien van tijdigheid geldt wanneer de overgelegde cijfers worden bezien mutatis mutandis wat voor de productie geldt. [appellant] voldeed in de jaren 2010 tot en met 2013 per saldo aan de norm. Wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen AOW/Anw zaken en AKW zaken haalde hij in 2012 en 2013 voor AKW zaken de norm niet, waarbij hij in 2013 wel aanzienlijk beter presteerde dan in 2012. Uit de beoordelingen volgt dat [appellant] in 2010 en 2011 niet is aangesproken op tekortschieten ten aanzien van de tijdigheid. Dat is in 2012 anders. In het formulier over dat jaar is vermeld:""
5.10
In de beoordelingen van [appellant] is over de kwaliteit van diens werk het volgende opgemerkt:- beoordeling 2010: ""; - beoordeling 2011: ""- beoordeling 2012:""Deze opmerkingen over de kwaliteit in de beoordelingen lijken overeen te komen met de door SVB verstrekte kwantitatieve gegevens over [appellant] en drie collega's van hem.
5.11
De slotsom is dat uit de beoordelingen en uit de kwantitatieve gegevens volgt dat het functioneren van [appellant] tot en met 2013 op het punt van kwantiteit en tijdigheid zeker niet uitstekend was, maar ook weer niet ver onder de maat. Van belang is dat de kwaliteit van het door [appellant] geleverde werk aan de vereisten voldeed en dat aannemelijk is dat [appellant] verhoudingsgewijs veel ingewikkelde zaken afdeed, waardoor eveneens aannemelijk is dat hij meer tijd dan gemiddeld diende te besteden aan de afwikkeling van de hem toebedeelde zaken. Aan deze conclusie doet niet af dat uit de overgelegde kwantitatieve gegevens van een drietal collega's van [appellant] volgt dat twee van deze collega's veel beter lijken te presteren dan [appellant] en de derde collega het iets beter doet. Dat drie collega's het (veel) beter doen dan [appellant] betekent niet zonder meer dat [appellant] onder de maat presteert. Om die conclusie te trekken is informatie nodig betreffende alle collega's van [appellant] . Die informatie heeft SVB, hoewel het hof haar daar wel de gelegenheid voor geboden, niet verstrekt. Het hof vindt het betoog van SVB dat het niet mogelijk is die informatie te verstrekken niet overtuigend. Het hof kan niet inzien waarom het voor SVB bijvoorbeeld niet mogelijk is om een totaaloverzicht van alle door [appellant] en zijn collega's afgedane zaken te produceren, waaruit volgt hoeveel zaken in totaal zijn afgedaan, van welke categorieën, hoeveel zaken tijdig waren, hoeveel zaken over de datum en dergelijke. Aan de hand van zo'n overzicht zouden, in combinatie met gegevens over het aantal medewerkers van SVB, conclusies kunnen worden getrokken over de gemiddelde (en mediane) prestaties op het gebied van kwantiteit en tijdigheid van de medewerkers van SVB en zouden de prestaties van [appellant] kunnen worden vergeleken met de gemiddelde en/of mediane prestaties van medewerkers van SVB in plaats van met drie medewerkers (waarvan er mogelijk twee excellent presteerden).

5.12
Het hof neemt bij de beoordeling van de prestaties van [appellant] in aanmerking dat de organisatie van SVB vanaf 2010 sterk is gewijzigd en dat dit ook gevolgen had voor de werkzaamheden van [appellant] . Waar [appellant] zich aanvankelijk alleen hoefde bezig te houden met de uitvoering van de AOW en Anw, diende hij vanaf de verandering ook AKW-zaken te behandelen. Zeker voor een oudere werknemer met een langdurig dienstverband, die eenzijdig ervaring heeft opgedaan in het behandelen van zaken van de andere categorie, is een dergelijke verandering ingrijpend. Het is te verwachten dat een dergelijke oudere werknemer meer tijd dan gemiddeld nodig heeft om te wennen aan de nieuwe situatie en om in die nieuwe situatie weer optimaal te presteren. Van SVB mocht verwacht worden dat zij [appellant] de tijd gaf om te wennen aan de nieuwe situatie en om zich in die situatie te verbeteren.
5.13
In het licht van wat het hof hiervoor heeft overwogen, heeft SVB het betoog van [appellant] dat de opzegging ten onrechte is gebaseerd op het tekortschieten in de productie (ontslaggrond 1) en het niet voldoen aan de tijdigheid (ontslaggrond 2), onvoldoende weersproken.

5.14
SVB heeft ook aangevoerd dat [appellant] is tekortgeschoten op het punt van ontwikkeling, houding en gedrag (ontslaggrond 3). Het gaat er SVB daarbij om dat [appellant] onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn functioneren te verbeteren en dat eind 2013 ook sprake is geweest van een ernstig incident op het gebied van de integriteit. Het hof merkt terzijde - [appellant] heeft er geen punt van gemaakt - op dat deze ontslaggrond in de opzeggingsbrief niet wordt vermeld. In die brief is alleen, onder verwijzing naar zijn beoordelingen in de afgelopen jaren, vermeld dat [appellant] onvoldoende functioneert en zich niet verbetert.
5.15
Voor wat betreft het integriteitsincident van januari 2014 (vgl. rov. 2.17) stelt het hof allereerst vast dat [appellant] niet heeft bestreden dat hij in strijd met de integriteitsregels van SVB heeft gehandeld. Het hof stelt ook vast dat SVB [appellant] niet vanwege alleen de schending van de integriteitsregels heeft ontslagen en niet heeft bestreden dat zij diens collega, Mevrouw [E] , die samen met hem de regels heeft overtreden, geen ontslag heeft aangezegd vanwege de overtreding. Evenmin is gesteld of gebleken dat tegen mevrouw [E] naar aanleiding van het incident disciplinaire maatregelen zijn getroffen. Uit wat partijen over en weer hebben gesteld over het incident volgt dat [appellant] en [E] weliswaar hebben gehandeld in strijd met regels op het gebied van de 'security awareness', maar dat zij dat niet hebben gedaan om zichzelf of anderen te bevoordelen, maar om hun werkzaamheden voor SVB beter te kunnen verrichten. In dat licht bezien heeft SVB, ook wanneer in aanmerking wordt genomen dat [appellant] eerder een waarschuwing heeft gehad, onvoldoende weersproken dat het incident van januari 2014 op zichzelf een voldoende grond vormde voor het ontslag.
5.16
In deze procedure heeft [appellant] , zoals de kantonrechter ook heeft vastgesteld, (privacy)gevoelige informatie uit de systemen van SVB in het geding gebracht. Deze actie van [appellant] heeft, wat daar verder ook van zij, plaatsgevonden (ruimschoots) na het ontslag en kan dan ook niet met terugwerkende kracht aan het ontslag ten grondslag worden gelegd. Voor zover SVB deze handelwijze van SVB mede aan het ontslag ten grondslag legt, volgt het hof haar daarin niet.
5.17
Ten aanzien van het onvoldoende (mede)werken aan het verbeteren van zijn functioneren door [appellant] stelt het hof vast dat uit de beoordelingen en verslagen van gesprekken tussen [appellant] en zijn leidinggevende volgt dat SVB steeds heeft laten weten dat [appellant] zich diende te verbeteren, met name op het terrein van de AKW. Ook volgt uit deze beoordelingen en verslagen dat SVB kenbaar heeft gemaakt dat [appellant] zich diende te ontwikkelen in de richting van integraal servicemedewerker en de 'focus' op (ingewikkelde) AOW/Anw-zaken achter zich moest laten. Uit deze stukken volgt ook dat SVB vond dat [appellant] , ondanks diens toezeggingen, op deze punten onvoldoende inzet toonde, gemaakte afspraken niet nakwam en ten onrechte geen hulp vroeg bij collega's. In deze situatie kon SVB, mede gelet op wat hiervoor in rov. 5.12 heeft overwogen over de veranderingen in haar organisatie en de betekenis daarvan voor een oudere en kennelijk weinig flexibele werknemer als [appellant] , naar het oordeel van het hof in augustus 2013 er niet mee volstaan [appellant] zelf in het kader van een 'laatste kans' een plan van aanpak te laten schrijven. Eerdere pogingen van [appellant] om het probleem zelf op te lossen hadden immers niet tot een voor SVB bevredigende uitkomst geleid. SVB had indien zij het functioneren van [appellant] wilde verbeteren zelf een plan van aanpak moeten maken en hem moeten verplichten zich intensief te laten begeleiden/coachen bij het volgen van dit plan van aanpak. Daarbij is van belang dat [appellant] tot dan toe volgens SVB zonder begeleiding onvoldoende resultaten had geboekt in zijn transformatie naar 'SVB-medewerker nieuwe stijl'. Door dat na te laten, maar [appellant] zelf een plan van aanpak te laten schrijven en hem zonder intensieve begeleiding dat plan te laten uitvoeren en hem na enkele maanden op het niet handelen volgens dat plan 'af te rekenen', is SVB naar het oordeel van het hof tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens een oudere werknemer met een langdurig dienstverband als [appellant] .
5.18
De slotsom is dat SVB onvoldoende heeft weersproken dat ook de derde ontslaggrond onvoldoende grondslag heeft. Dat betekent dat het ontslag is gebaseerd op een valse reden en om die reden kennelijk onredelijk is. De daartoe strekkende grieven slagen dan ook.
5.19
Het hof zal nu ingaan op de vraag wat de gevolgen zijn van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag door de vorderingen van [appellant] , die zijn gebaseerd op de kennelijke onredelijkheid, te bespreken.
5.20
[appellant] vordert primair herstel van de dienstbetrekking. Deze vordering is niet toewijsbaar. [appellant] is inmiddels meer dan vijf jaar uit dienst. Gesteld noch gebleken is dat hij in deze jaren de ontwikkelingen op het gebied van de AOW, Anw en AKB heeft bijgehouden en daardoor over voldoende kennis beschikt om zonder grote inspanningen zijn werkzaamheden voor SVB weer kan oppakken, nog daargelaten dat uit wat hiervoor is overwogen al volgt dat [appellant] ook zonder onderbreking van vijf jaren niet (volledig) aan de door SVB aan haar medewerkers te stellen eisen voldeed. Daarbij komt dat evenmin is gebleken dat de verstandhouding tussen [appellant] en SVB zodanig is dat een vruchtbare samenwerking tussen hen te verwachten is.
5.21
Primair vordert [appellant] schadevergoeding. De schadevergoeding bestaat uit drie componenten. De eerste component betreft immateriële schade. Volgens [appellant] is hij door het ontslag in zijn eer en goede naam aangetast. Op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW geeft een aantasting in de eer of goede naam een aanspraak op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Onder schade in eer of goede naam is te verstaan de aantasting van het gevoel voor eigenwaarde en de waardering die men bij anderen geniet. Een onterecht gegeven ontslag kan een aantasting in de eer of goede naam van de ontslagen werknemer betekenen, maar dat is niet per definitie het geval. Het hof stelt vast dat [appellant] niet toelicht waarom het hem verleende ontslag, gelet op zijn situatie, heeft geleid tot een aantasting van zijn eer of goede naam. [appellant] heeft zijn vordering dan ook onvoldoende onderbouwd.
5.22
Dat geldt ook voor de tweede component van de schadevergoedingsvordering van [appellant] , de vergoeding van de kosten van rechtskundige bijstand. Uit de toelichting op deze kosten, onder meer in de conclusie van repliek in eerste aanleg, maakt het hof op dat (in elk geval voor het overgrote deel) het kosten betreft voor de door [appellant] gevoerde procedures. Deze kosten vallen onder het bereik van de in kort geding uitgesproken en in deze bodemprocedure uit te spreken proceskostenveroordeling. Het hof ziet geen enkele reden om in afwijking daarvan SVB te veroordelen in de daadwerkelijk gemaakte kosten. Van een situatie waarin SVB [appellant] tegen beter weten in kennelijk onredelijk heeft ontslagen en [appellant] welbewust op (proces)kosten heeft gejaagd, is geen sprake.
5.23
De derde component betreft schade aan gederfd inkomen/pensioenschade. Bij de bespreking van deze component neemt het hof zijn uitgangspunt in het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4472). In dat arrest overwoog de Hoge Raad dat de in art. 7:681 lid 1 bedoelde schadevergoeding in zoverre een bijzonder karakter heeft "De Hoge Raad overwoog vervolgens dat hoewel de rechter dus een grote mate van vrijheid heeft bij de begroting van de schade, de rechter "
Dit laat overigens onverlet dat art. 6:97 BW de rechter vrij laat de hoogte van de vergoeding uiteindelijk naar billijkheid op een bedrag te begroten

Dat betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat de rechter de vergoeding alleen kan bepalen op basis van een concrete en nauwkeurige schadeberekening.Volgens de Hoge Raad zijn het aantal dienstjaren en de leeftijd van de benadeelde factoren waarmee de rechter bij de begroting van de schade rekening kan houden. In hoeverre de lengte van het dienstverband en de hoogte van de leeftijd van de benadeelde een rol spelen, zal afhangen van de omstandigheden van het concrete geval die tot het oordeel hebben geleid dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Dit betekent dat zij individueel moeten worden meegewogen. Dat de rechter daarbij in het algemeen meer gewicht aan deze factoren toekent naarmate het dienstverband langer heeft geduurd en de leeftijd van de betrokkene hoger is, is volgens de Hoge Raad in overeenstemming met de aard van de aansprakelijkheid en van de schade.
5.24
SVB wijst er op dat [appellant] veel meer vordert dan het bedrag dat hij als transitievergoeding zou hebben ontvangen. Zelfs de door [appellant] ontvangen bovenwettelijke uitkering is al fors hoger dan de transitievergoeding, aldus SVB. Het hof gaat aan dit betoog van SVB voorbij. Niet alleen is onduidelijk welke consequenties SVB aan dit betoog wil verbinden, maar bovendien heeft SVB er zelf voor gekozen om [appellant] voor de inwerkingtreding van de WWZ te ontslaan.
5.25
[appellant] maakt aanspraak op het verschil tussen het inkomen (uit dienstverband) dat hij zou hebben ontvangen wanneer zijn dienstverband bij SVB zou hebben voortgeduurd tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en het inkomen dat hij gedurende deze periode nu ontvangt (uit uitkering, inclusief de bovenwettelijke uitkering). Dat verschil is volgens hem de schade die hij heeft geleden door het ontslag. Hij heeft dat verschil berekend op € 306.432,84 bruto. SVB heeft deze berekening op zichzelf niet bestreden, maar bestrijdt wel dat [appellant] er aanspraak op heeft.
5.26
[appellant] gaat uit van een concrete begroting van de door hem geleden schade door zijn financiële positie in twee situaties - de fictieve situatie zonder ontslag en de werkelijke situatie met ontslag - met elkaar te vergelijken. Hij gaat er daarbij vanuit dat hij aanspraak heeft op volledige vergoeding van zijn schade (hij vordert immers het volledige verschil) en dat hij in de fictieve situatie tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd bij SVB in dienst zou zijn gebleven. Het hof volgt hem niet in deze uitgangspunten. Allereerst is het zeer de vraag of [appellant] zonder het hem nu verleende ontslag tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd bij SVB in dienst zou zijn gebleven. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat SVB kritisch was over het functioneren van [appellant] en wilde dat hij zich zou verbeteren. De kennelijke onredelijkheid van het ontslag is erin gelegen dat SVB [appellant] niet in staat heeft gesteld om met adequate begeleiding zijn functioneren te verbeteren, maar hem na een korte periode van 'aanmodderen' in een verbeteringstraject al heeft ontslagen. Het is twijfelachtig of [appellant] wanneer hij wel adequaat zou zijn begeleid in staat zou zijn gebleken om alsnog aan de eisen van SVB te voldoen. Enerzijds heeft [appellant] het overgrote deel van zijn dienstverband (zeer) naar behoren gefunctioneerd, anderzijds had hij moeite om de door SVB gewenste 'omslag' te maken van de conventionele specialist in de uitvoering van één wet naar de integrale medewerker en om op die manier 'mee te komen' in de veranderende organisatie van SVB. SVB heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar organisatie na het ontslag nog verder is veranderd. Uit wat hiervoor is overwogen, leidt het hof af dat het ook nog maar de vraag is of [appellant] voldoende bereid of in staat was om zich bij dit proces te laten begeleiden en/of om anders te gaan werken dan hij altijd had gedaan. Bovendien heeft [appellant] zelf ook bijgedragen aan zijn ontslag. Hij heeft geen gebruik gemaakt van het aanbod van zijn leidinggevenden om hem te helpen zijn functioneren te verbeteren en hij heeft ook geen hulp gezocht bij zijn collega's. Bovendien heeft hij zich niet gehouden aan de door hem zelf opgestelde verbeteringsplannen en is hij daarover niet eerlijk geweest (vgl. rov. 2.14). Ten slotte hebben ook het verlofincident (rov. 2.16) en het integriteitsincident (rov. 2.17) van respectievelijk december 2013 en januari 2014, minst genomen, niet bijgedragen aan het vertrouwen van SVB in [appellant] . In een situatie waarin [appellant] al onder kritiek stond, heeft hij door zijn houding en handelwijze eraan bijgedragen dat SVB het vertrouwen dat het met [appellant] nog goed zou kunnen komen kennelijk geheel heeft verloren. Ten slotte heeft SVB er terecht op gewezen dat de WW-uitkering van [appellant] gedurende enige tijd is gekort omdat [appellant] niet alle uit de WW voor hem voortvloeiende verplichtingen is nagekomen. Het ligt niet voor de hand om het daaruit voor [appellant] voortvloeiende inkomstenverlies op SVB af te wentelen, zoals in de schadebegroting door [appellant] wel gebeurt.Onder deze omstandigheden ziet het hof, ook gelet op het karakter van de schadevergoeding als een 'pleister op de wonde', geen reden om uit te gaan van volledige vergoeding van de door [appellant] geleden schade berekend naar het verschil tussen zijn werkelijke inkomsten en zijn inkomsten indien hij tot aan de pensioengerechtigde leeftijd bij SVB in dienst zou zijn geweest.
5.27
Alles afwegend - waarbij het hof er rekening mee houdt dat SVB weliswaar kan worden verweten dat zij [appellant] 'te vroeg' heeft ontslagen maar dat haar verder geen ernstig verwijt kan worden gemaakt over de bejegening van [appellant] , dat [appellant] zelf ook diverse verwijten te maken vallen, dat het ontslag gelet op de leeftijd en eenzijdige werkervaring van [appellant] ingrijpend voor hem is, dat [appellant] lange tijd bij SVB in dienst is geweest en het grootste deel daarvan vlekkeloos heeft gefunctioneerd, dat onzeker is of [appellant] zonder dit ontslag tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd voor SVB had kunnen blijven werken en dat [appellant] aanspraak heeft kunnen maken op een ruime bovenwettelijke uitkering - acht het hof een vergoeding van € 45.000,- bruto (een vergoeding van een jaarsalaris, naar boven afgerond) op zijn plaats. Het hof zal dit bedrag toewijzen. Het hof merkt daarbij op dat [appellant] op basis van de subsidiair aan zijn vordering ten grondslag gelegde grond - het ontslag is kennelijk onredelijk vanwege haar gevolgen - gelet op wat het hof hiervoor al heeft overwogen geen aanspraak zou hebben op een hoger schadebedrag, zodat in het midden kan blijven of het ontslag (ook) kennelijk onredelijk is vanwege haar gevolgen.
5.28
De slotsom is dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en alsnog voor recht zal verklaren dat SVB de arbeidsovereenkomst met [appellant] kennelijk onredelijk heeft doen eindigen met veroordeling van SVB tot betaling van een schadevergoeding van € 45.000,- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de inleidende dagvaarding (de gevorderde ingangsdatum). Bij deze stand van zaken zijn partijen over en weer op belangrijke onderdelen in het ongelijk gesteld. [appellant] heeft immers herstel dienstbetrekking en een aantal daarmee samenhangende vorderingen en subsidiair een veelvoud van het door het hof toewijsbaar geoordeelde schadebedrag gevorderd. Het hof ziet daarin reden de proceskosten in beide instanties te compenseren.
beslissing

6


Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 30 juni 2015, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat SVB de arbeidsovereenkomst met [appellant] kennelijk onredelijk heeft doen eindigen;

veroordeelt SVB tot betaling van een schadevergoeding van € 45.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 november 2014 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. H. de Hek en mr. R.E. Weening en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 oktober 2019, in aanwezigheid van de griffier.