Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:8168

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:8168, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.263.043/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.263.043/01

beslissing van 8 oktober 2019

op het schriftelijke verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,verzoeker in het wrakingsincidenthierna: verzoeker,advocaat: mr. J.T.E. Vis, kantoorhoudend te Amsterdam,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

mrs. T.H. Bosma, L.J. Bosch en A.H. toe Laer

raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,verweerders in het wrakingsincident.

ECLI:NL:GHARL:2019:8168:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.263.043/01

beslissing van 8 oktober 2019

op het schriftelijke verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,verzoeker in het wrakingsincidenthierna: verzoeker,advocaat: mr. J.T.E. Vis, kantoorhoudend te Amsterdam,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

mrs. T.H. Bosma, L.J. Bosch en A.H. toe Laer

raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,verweerders in het wrakingsincident.
1

1.1
In het hoger beroep in de strafzaak met parketnummer 21-003178-19 is - kort gezegd - bij beschikking van 15 juli 2019 op verzoek van de advocaat-generaal de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van verzoeker (in die zaak verdachte) verlengd en is het verzoek van verdachte tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

1.2
Verzoeker heeft bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 juli 2019, een schriftelijk verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheren.

1.3
Mrs. Bosma, Bosch en Toe Laer hebben niet in de wraking berust. Mr. Bosma heeft (mede namens mrs. Bosch en Toe Laer), bij verweerschrift van 19 augustus 2019, ingekomen ter griffie van het hof op 26 augustus 2019, op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.4
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 24 september 2019 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen, bijgestaan door mr. Vis. Verzoeker en mr. Vis hebben het verzoek mondeling toegelicht. De pleitaantekeningen van mr. Vis maken deel uit van de stukken.

overwegingen

2

2.1
Verzoeker heeft bij zijn wrakingsverzoek naar voren gebracht dat niet de beslissing tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding en de afwijzing van het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis, maar de in die beslissing opgenomen bewoordingen bij hem de gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid hebben gewekt. Immers, blijkens die bewoordingen zijn door mrs. Bosma, Bosch en Toe Laer ten aanzien van het primair tenlastegelegde ernstige bezwaren aangenomen terwijl verzoeker door de rechtbank van dat onderdeel van de tenlastelegging gemotiveerd was vrijgesproken. Daardoor is bij verzoeker de vrees ontstaan dat deze raadsheren bij de inhoudelijke c.q. verdere beoordeling van zijn zaak niet onbevangen zullen zijn. Dit temeer nu verzoeker is gebleken dat genoemde samenstelling bij de genomen beslissing niet de beschikking heeft gehad over het inhoudelijke dossier. Weliswaar is de procesfase die heeft geleid tot de beslissing van 15 juli 2019 reeds geëindigd, maar niet is uitgesloten dat (één van) deze raadsheren deel (zal) zullen nemen aan een volgende raadkamerzitting of aan de inhoudelijke behandeling. Verzoeker stelt om die reden belang te hebben bij het door hem ingediende wrakingsverzoek.
2.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop.Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens één van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
2.3
Het is daarbij niet aan de wrakingskamer om de beslissingen die geleid hebben tot de verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van verzoeker en de afwijzing van het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis van verzoeker, inhoudelijk te toetsen. Het middel van wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid, indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing, kan slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Daarbij merkt de wrakingskamer nog op dat de vragen die bij de beoordeling van de verzoeken tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding en de opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis aan de orde komen, niet dezelfde vragen zijn als de vragen die de rechter in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv dient te beantwoorden. Die eerstgenoemde vragen gaan immers uit van een voorlopige beoordeling van relevante omstandigheden.
2.4
In deze zaak vindt de wraking haar grond in de motivering van een beslissing die is gegeven na afloop van een raadkamerprocedure. In die daarmee voltooide procedure is dan ook geen plaats meer voor een wrakingsverzoek.
2.5
Voor wat betreft de in de onderbouwing van het wrakingsverzoek aangevoerde (toekomst)visie op het (mogelijk) verdere verloop van de strafzaak, moet het volgende worden opgemerkt. Aangezien de inhoudelijke c.q. nadere raadkamerbehandeling van de strafzaak van verzoeker nog niet is aangevangen en (nog) niet duidelijk is welke raadsheren daaraan zullen deelnemen, is het door verzoeker gedane wrakingsverzoek prematuur. Ook om die reden ligt het wrakingsverzoek voor afwijzing gereed.
beslissing

3

Het gerechtshof (wrakingskamer):wijst het verzoek tot wraking van mrs. Bosma, Bosch en Toe Laer af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, J.D.S.L. Bosch en W. Foppen, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019 en ondertekend door de voorzitter en de griffier.