Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:7445

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:7445, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-001544-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:7445:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001544-18 Uitspraak d.d.: 13 september 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens de primair ten laste gelegde gekwalificeerde poging tot doodslag tot gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft ook gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 27.539,85 (zevenentwintigduizend vijfhonderdnegenendertig euro en vijfentachtig cent). Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. C.W. Flokstra, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte wegens de primair ten laste gelegde poging tot doodslag veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest en heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 12.504,85 (twaalfduizend vijfhonderdvier euro en vijfentachtig cent).

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

primairhij op of omstreeks 14 april 2017 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand) op en/of in de richting van die [benadeelde] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke voren omschreven poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten poging tot diefstal van (een partij van ongeveer 4000) XTC-pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, en/of (een) (andere) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit (die diefstal) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
subsidiairhij op of omstreeks 14 april 2017 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand) op en/of in de richting van die [benadeelde] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

-

die [benadeelde] met een vuurwapen heeft bedreigd (door met dat vuurwapen in de richting van die [benadeelde] te wijzen) en/of

(daarbij) die [benadeelde] de woorden heeft toegevoegd: "Geef hier!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

(vervolgens) met een vuurwapen, meerdere, althans een kogel(s) (op betrekkelijk korte afstand) op en/of in de richting van die [benadeelde] heeft afgevuurd en/of heeft geschoten,

Partiële vrijspraak

De raadsman heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op het primair ten laste gelegde geweld in relatie tot het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag, te weten een poging tot doodslag vergezeld van of voorafgegaan door een poging tot diefstal van pillen met het oogmerk om aan verdachte straffeloosheid en/of het bezit van de pillen te verzekeren.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat voor het kwalificerende deel van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, welke poging op zichzelf impliciet door verdachte wordt erkend, te weten het oogmerk om door die poging tot doodslag de diefstal van pillen voor te bereiden, gemakkelijk te maken, dan wel om zich het bezit van die pillen te verzekeren, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Het hof zal verdachte daarom van dat deel van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Met betrekking tot het ten laste gelegde opzet van verdachte om [benadeelde] van het leven te beroven overweegt het hof dat verdachte op de terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij, nadat [benadeelde] en hij zojuist van de trap waren gevallen/gerold, hij [benadeelde] in zijn been wilde schieten om daarmee te bewerkstelligen dat hij zou kunnen vluchten. Voordat hij daartoe toen een schot heeft gelost heeft verdachte naar eigen zeggen zichzelf er eerst van vergewist dat het pistool niet met de loop met zijn eigen lichaam in contact was, zodat hij niet zichzelf zou beschieten. Hierin ligt besloten dat verdachte zich er op dat moment bewust van is geweest dat het schieten met het vuurwapen een (groot) risico met zich bracht. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat het schieten met een vuurwapen op/in de richting van iemands lichaam het risico met zich brengt dat die persoon door dat schot het leven kan verliezen. Verdachte is zich daar, volgens zijn eigen verklaring, bewust van geweest. Door vervolgens ondanks het genoemde risico met het vuurwapen gericht op/in de richting van [benadeelde] te schieten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daarmee [benadeelde] van het leven zou beroven. De stelling van verdachte, dat hij meende dat hij in het been van [benadeelde] zou schieten, maakt dit niet anders.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 14 april 2017 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel op die [benadeelde] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 14 april 2017 in een woning in [plaats] met een vuurwapen geschoten waaronder één keer bewust gericht op [benadeelde] . De aanleiding dat verdachte en [benadeelde] in die woning aanwezig waren was, dat verdachte daar toen drieduizend XTC-pillen zou kopen, welke pillen door [benadeelde] naar die woning waren gebracht. Toen verdachte meende dat hem mogelijk door [benadeelde] en/of één van de beide andere aanwezigen zijn geld zou worden afgenomen, besloot hij het vuurwapen dat hij voor zijn eigen beveiliging had meegenomen te gebruiken. Hij heeft het vuurwapen doorgeladen en heeft ermee geschoten. [benadeelde] is op verdachte gedoken en samen zijn zij van de trap van de tweede naar de eerste verdieping gevallen/gerold. Tijdens dit vallen/rollen heeft verdachte tweemaal geschoten en eenmaal op de eerste verdieping beland heeft verdachte bewust gericht op [benadeelde] geschoten. De beide andere in de woning aanwezigen, die bij de transactie met de XTC-pillen betrokken waren, hebben zich direct na het eerste schot in de woning verstopt uit angst dat zij mogelijk geraakt konden worden.Uiteindelijk is [benadeelde] in zijn buik geraakt, waarbij zijn darm en endeldarm zodanig zijn beschadigd dat hij na een aantal operatieve ingrepen verder door het leven zal moeten met een stoma. Daarnaast heeft het gebeuren bij [benadeelde] nog andere sporen nagelaten in die zin dat hij nog immer met psychische problemen kampt. Buurtbewoners en passanten zijn in zoverre getuige geweest van deze gewelddadige gebeurtenis dat zij [benadeelde] op straat hebben aangetroffen nadat hij de woning was uitgegaan en tegen een auto in elkaar was gezakt.
Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Het opzettelijk een ander mens van het leven proberen te beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door dergelijke misdrijven wordt de rechtsorde ernstig geschokt. In de maatschappij worden gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht. Daarnaast leidt een dergelijk feit vaak tot hevige en langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en getuigen. Hiervan is ook in de onderhavige zaak gebleken.

Het hof heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 juli 2019 eerder onherroepelijk is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van een rapport (een detentie & re-integratieplan) dat de reclassering van het Leger des Heils d.d. 21 maart 2018 omtrent verdachte heeft opgemaakt.

Gelet op het voorgaande kan geen andere straf worden opgelegd dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof acht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, zoals was opgelegd door de rechtbank, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 52.504,85. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.504,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De gevorderde vergoeding van materiële schade kan onverkort worden toegewezen en het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van .
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 14 april 2017.

Aldus gewezen doormr. W. Foppen, voorzitter,mr. O. Anjewierden en mr. L.T. Wemes, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,en op 13 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.