Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:7442

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:7442, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.157.900/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, kantonrechter

zaaknummer gerechtshof 200.157.900/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 623488 CV EXPL 12-11646)
arrest van 10 september 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2019:7442:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, kantonrechter

zaaknummer gerechtshof 200.157.900/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 623488 CV EXPL 12-11646)
arrest van 10 september 2019

in de zaak van

1

wonende te [A] ,appellante,in eerste aanleg: eiseres,hierna: advocaat: mr. D.M. Uithol, kantoorhoudend te Rotterdam,
tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Kampstaal B.V.,

gevestigd te Emmeloord,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde hierna:,advocaat mr. Y. van der Horst, kantoorhoudend te Emmeloord.
1

1.1
Het hof verwijst naar en neemt over de inhoud van zijn eerdere tussenarresten van1 november 2016 en 3 oktober 2017.
1.2
Na het tussenarrest van 3 oktober 2017 heeft de door het hof benoemde deskundige op 23 februari 2018 een rapport van zijn bevindingen uitgebracht.
1.3
Vervolgens heeft partij [appellante] een brief van 30 maart 2018 aan het hof geschreven aangaande het salarisvoorstel van de deskundige.
1.4
Daarop heeft het hof een begrotingsbeschikking van 23 april 2018 gegeven.
1.5
Vervolgens hebben beide partijen een memorie na deskundigenbericht genomen, eerst [appellante] en daarna Kampstaal.

1.6
Ten slotte heeft Kampstaal de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof de zaak verwezen naar de meervoudige kamer en arrest bepaald.
overwegingen

2

2.1
In zijn tussenarrest van 1 november 2016 heeft het hof geoordeeld dat er vanwege de uitgebreide kritiek van [appellante] op het rapport van de door de kantonrechter benoemde deskundige, aanleiding bestond tot een nieuw deskundigenrapport. Daarbij is gekozen voor een andere deskundige, te weten de heer [B] . Deze deskundige heeft op 23 februari 2018 een definitief rapport uitgebracht.
2.2
Uit dit rapport citeert het hof de volgende voor zijn beslissing van belang zijnde delen:
“6 De bezichtiging ter plaatse op donderdag 25 januari 2018”

(…)
Op donderdag 25 januari 2018 heeft een bezichtiging ter plaatse plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden.”

(…)
“Staande buiten bij de stalen elementen heeft de deskundige aan partijen gevraagd wat zij van belang achten om de deskundige meer specifiek te laten zien om hem een goed oordeel te kunnen laten vormen voor de beantwoording van de vragen van het Hof.

Voor afronding van de bezichtiging en bespreking ter plaatse heeft de deskundige aan partijen nogmaals gevraagd of er nog zaken zijn die partijen van belang achten voor de deskundige om kennis van te nemen voor een goede oordeelsvorming.

Partijen hebben van de hen geboden gelegenheid om vragen te stellen en opmerkingen te maken gebruik gemaakt.

Hieronder zal kort worden weergegeven welke onderwerpen en zaken daarbij - voor zover van belang voor de door de deskundige te beantwoorden vragen van het Hof - aan de orde kwamen.

Gevraagd naar zijn gedachtegang achter zijn bestelling van de staalelementen met het oog op de montage daarvan, liet de heer [C] weten dat de heer [D] hem had laten weten dat hij deze zelf wilde monteren, zodat hij daarom had gekozen voor handelbare stukken die met bouten verbonden konden worden.

De heer [D] heeft vervolgens verteld hoe hij de montage van de staalconstructie voor ogen had. Desgevraagd liet hij weten dat hij die wijze van montage destijds (voor het verstrekken van de opdracht tot levering) niet gecommuniceerd heeft met Kampstaal. De heer [D] liet verder weten ervaring te hebben met het bouwen van staalconstructies: in de jaren 80 van de vorige eeuw heeft hij gedurende enige tijd diepvriescellen van 14 meter hoog gebouwd in Duitsland, aldus de heer [D] .”

(…)

“De heer [D] vroeg nog of de deskundige de meetgegevens uit het rapport Trescal voor waar aanneemt. Hierop heeft de deskundige laten weten dat hij niet bij die metingen is geweest en dus niet weet hoe die zijn uitgevoerd, maar dat hij er van uitgaat dat die zorgvuldig zijn gebeurd. Verder liet de deskundige weten de toegepaste meetmethode te begrijpen maar dat dit los stond van de vraag of hij het daarmee eens was.”

“De heer [D] heeft nog twee losse vierkante stalen schetsplaten met vier boutgaten op de hoeken getoond en deze met een bout op de hoek verbonden en vervolgens, nadat de platen licht ten opzichte van elkaar verdraaid waren, waardoor de resterende boutgaten niet meer recht onder elkaar lagen, gevraagd hoe deze nu verbonden zouden moeten worden. De heer [E] heeft dat vervolgens uitgelegd dat dit mogelijk zou zijn door, zoals volgens hem te doen gebruikelijk bij dit soort constructies, de gaten met een hulpmiddel in elkaars verlengde te drukken of trekken, waarbij de kolom waaraan de schetsplaat vastgelast zit, licht zal worden getordeerd en onder spanning komt te staan. De heer [D] liet vervolgens weten dat hij niet kan instemmen met een dergelijke wijze van bevestiging door middel van duwen en trekken, gelet op - kort gezegd - de spanning die dan op de lassen en/of de kolom komt.”

“Vervolgens heeft de deskundige partijen nog gevraagd of zij alles getoond, gezegd of gevraagd hadden wat zij wensten en hierop werd door hen bevestigend geantwoord.

7

1 Zijn de door Kampstaal aan [appellante] geleverde staalelementen zonder aanpassing daarvan te gebruiken conform de door [appellante] in deze procedure overgelegde tekeningen om het daarop weergegeven bouwsel te construeren?

De door het Hof gestelde vragen worden als volgt door de deskundige beantwoord.

Het geschil tussen partijen over de geleverde elementen concentreert zich met name op de theoretische maatvoering van de elementen op de tekeningen enerzijds en de praktische maatvoering van de geleverde elementen anderzijds (lengte, vorm, haaksheid, positie boorgaten).

[appellante] heeft haar standpunten over de naar haar mening onvolkomenheden in de geleverde elementen uitvoerig gemotiveerd met een groot aantal metingen door meettechnicus [F] van Intermes B.V.. De resultaten van deze metingen zijn vastgelegd in een rapport (rapport Trescal, MvG- bijlage D). In MvG - bijlage E zijn de meetresultaten verwerkt, geïnterpreteerd en nader toegelicht in het Analyse Rapport. De deskundige heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de metingen, uitgevoerd door een deskundige partij, niet correct zouden zijn verricht.

Eveneens is op locatie door [appellante] (de heer [D] ) gewezen op het niet haaks zijn van kolom-, en voetplaten en het niet volledig recht zijn van liggers en kolommen. De deskundige heeft met partijen visueel afwijkingen kunnen constateren. Omdat er al voldoende metingen zijn verricht achtte de deskundige het niet nodig, hetgeen ook niet gevraagd is door het Hof, om opnieuw metingen te (laten) verrichten.

De theoretische extrapolatie van deze meetgegevens naar de afwijkingen over een gehele profiellengte is wiskundig te begrijpen, maar niet relevant voor de beoordeling van de vraag van het Hof. In de praktijk komen afwijkingen altijd voor: soms in mindere mate, soms in meerdere mate.

De algemene praktijk is dat tijdens het monteren van staalconstructies in het algemeen door het correct stellen (horizontaal en verticaal) en het richten van de profielen deze afwijkingen in de individuele elementen worden gecorrigeerd: De aansluitingen ter plaatse van de profielen zullen naar elkaar toe worden "getrokken" , waardoor de voorgeboorde gaten passend kunnen worden aangesloten. Uiteraard zullen door dit "vervormen" extra spanningen in de elementen ontstaan, maar die zijn gering van grootte en niet schadelijk voor de stalen elementen. Niet op korte termijn en evenmin op lange termijn.

De deskundige ziet geen aanleiding om voor het onderhavige project af te wijken van deze gebruikelijke montagemethode.

Op grond van het bovenstaande komt de deskundige tot de volgende conclusie: De door Trescal gemeten afwijkingen zijn niet anders dan in de dagelijkse staalpraktijk gebruikelijk en van dien aard, dat de geleverde staalelementen zonder aanpassing daarvan te gebruiken zijn conform de door [appellante] overgelegde tekeningen om het daarop weergegeven bouwsel te construeren.

De door [appellante] geëxtrapoleerde afwijkingen zijn niet relevant, omdat door deskundig stelwerk deze afwijkingen in de praktijk niet zullen optreden.

De deskundige is van oordeel dat een montageploeg met ervaring de bedoelde constructie binnen twee werkdagen kan monteren.

Omdat vraag 1 bevestigend is beantwoord komt deze vraag te vervallen.

Op grond van zijn ervaring en expertise is de deskundige van mening dat de vraagstelling vanuit [appellante] (via [C] ) aan Kampstaal summier was op basis van de "Ontwerp- en Constructietekeningen" van Constructie Adviesbureau [C] maar dat de geleverde staalelementen bij levering voldeden aan deze vraagstelling, zodat er voor [appellante] geen grond bestond om de elementen af te keuren.”

De deskundige heeft kunnen vaststellen dat er tussen partijen geen verschil van inzicht is over de door het Hof benoemde overgelegde tekeningen. Evenmin hebben partijen verschil van inzicht over de geleverde staalelementen wat betreft het aantal elementen en de profielafmetingen, met uitzondering van één voetplaat onder kolom K5. Volgens de tekening van [C] had deze plaat een dikte van 15 mm moeten hebben. Op de tekening van Kampstaal stond een dikte van 10 mm. In de controle door [C] is deze afwijking niet geconstateerd. Deze kolom met een voetplaat van 10 mm is derhalve ook zo geleverd. Kampstaal heeft coulancehalve aangeboden deze kolom met voetplaat van 10 mm opnieuw te willen leveren in een 15 mm uitvoering (Memorie van Antwoord r.o. 19).2 Als vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, op welke punten en in hoeverre wijken de 1 geleverde staalelementen dan af van de tekeningen? 3 Hebt u voor het overige nog op- of aanmerkingen die u, vanuit uw ervaring en expertise, voor de beoordeling van de omvang van de schade van belang acht?
2.3
[appellante] voert, in reactie op het deskundigenrapport, aan dat partijen zijn overeengekomen dat de stelruimte voor de voetplaten 0 mm is, hetgeen niet gebruikelijk is. De deskundige heeft volgens [appellante] echter ten onrechte de bruikbaarheid van de stalen elementen getoetst aan de norm van de "gebruikelijke montagemethode". Volgens [appellante] wijkt de deskundige daarmee af van hetgeen is overeengekomen. Als rekening wordt gehouden met 0 mm stelruimte, beantwoorden de stalen elementen niet aan de overeenkomst, aldus [appellante] . [appellante] stelt voorts dat zij met Kampstaal heeft besproken dat er grote raampartijen zullen zijn, dat de verzinkte stalen kokers in de woning zichtbaar zullen blijven en dat de kozijnen aan de kokers zullen worden vastgeschroefd. Op basis daarvan is de constructie getekend en berekend en op basis van die uitvoeringsspecificaties is de overeenkomst tussen partijen bepaald. De deskundige heeft meegedeeld dat hij niet weet of de door het stellen van de elementen te veroorzaken extra spanningen schadelijk c.q. nadelig zijn voor kozijnen met grote raampartijen. Dit omdat de deskundige onvoldoende informatie heeft aangaande die kozijnen en de montage daarvan. Daardoor is, aldus [appellante] , nader onderzoek nodig omdat het niet anders kan dan dat er grote spanning op de kozijnen c.q. het glas komen te staan of reten zichtbaar blijven tussen de stalen elementen en de houten kozijnen. De conclusie van [appellante] is dat de geleverde elementen ongeschikt voor gebruikt conform de overeenkomst.
2.4
Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Als grondslag voor haar vordering heeft [appellante] gedurende de hele procedure aangevoerd dat de geleverde elementen gebrekkig zijn omdat deze niet in overeenstemming zijn met de door haar aangeleverde tekeningen.
2.5
In zijn tussenarrest van 1 november 2016 heeft het hof onder 6.2.1 die gebreken als volgt gespecificeerd:(a) de kop- en voetplaten zijn niet haaks en getordeerd op de kolommen bevestigd; (b) twee van de liggers niet recht.
2.6
[appellante] heeft steeds betoogd dat als gevolg van die gebreken de voorgeboorde gaten in de elementen niet op elkaar aansluiten als gevolg waarvan het niet mogelijk is de elementen samen te stellen tot de constructie weergegeven in de door [appellante] aangeleverde tekeningen. [appellante] heeft benadrukt dat zij het hof verzoekt haar vorderingen te beoordelen op grond van de onder (a) en (b) genoemde 'vormafwijkingen' (zie rechtsoverweging 6.2.1. van het tussenarrest van 1 november 2016). In die zin expliciet onder meer de memorie van grieven onder 51, waarin [appellante] betoogt dat de constructie niet valt te realiseren met het door Kampstaal geleverde staal. Zij spitst herhaaldelijk en minutieus de grondslag voor haar vordering toe op de stelling dat de voorgeboorde gaten van de afzonderlijke elementen niet op elkaar aansluiten als gevolg van vormafwijkingen van de elementen.
2.7
Het hof heeft in lijn daarmee onder 6.2.6 van zijn tussenarrest overwogen dat centraal staat of de elementen zonder aanpassing daarvan zijn te gebruiken conform de tekeningen. Overschrijding van de door [appellante] tot op de millimeter aangevoerde normen zijn, aldus de eerdere overweging van het hof, slechts van belang voor zover daardoor de elementen ongeschikt zijn om te worden ineengezet tot de constructie weergegeven op de tekening. Het hof heeft voorts overwogen dat [appellante] de door haar gestelde tekortkoming onderbouwt door het focus te leggen op de al dan niet bruikbaarheid volgens de tekeningen. Uitgaande van die grondslag is aan de deskundige opdracht gegeven om de vraag te beantwoorden of dit standpunt van [appellante] juist is.
2.8
Het antwoord van de deskundige op die vraag is klip en klaar en geheel in lijn met de conclusies van de eerder door de rechtbank benoemde deskundige: de geleverde elementen, kunnen mits op de juiste wijze verwerkt, ineengezet worden conform de door [appellante] gebruikte tekeningen.
2.9
In haar memorie na deskundigenbericht betoogt [appellante] dat indien de stalen elementen worden bevestigd conform de tekeningen dit tot onaanvaardbare spanningen in het materiaal zal leiden. Dit betoog komt neer op een uitbreiding van de grondslag. Anders dan [appellante] tot dusver heeft betoogd, voert zij hier immers aan dat de elementen weliswaar volgens tekeningen in elkaar kunnen worden gezet maar dat dit tot onaanvaardbare consequenties zou leiden, te weten onaanvaardbare spanningen in het materiaal.
2.10
Los van het antwoord op de vraag of het door [appellante] bepleite standpunt juist is, is het aan [appellante] in het licht van de zogenoemde tweeconclusie regel niet toegestaan de grondslag van haar vordering in dit stadium van de procedure nog aan te passen. De hier voorgestane aanpassing van de grondslag is immers geen specificatie van de tot nu toe aangevoerde grondslag (monteren is niet mogelijk, wegens vormafwijkingen) maar een uitbreiding daarvan (monteren is wel mogelijk, maar leidt tot spanningen in het (omliggende) materiaal).
2.11
Ten aanzien van de juistheid van het standpunt van [appellante] overweegt het hof nog het volgende. De door het hof benoemde deskundige heeft bij zijn beantwoording van vraag 1 overwogen:
2.12
Die overweging verdraagt zich niet met de door [appellante] gestelde onaanvaardbare gevolgen van spanningen in het materiaal. Voor zover [appellante] bedoelt dat niet de spanningen in het staal onaanvaardbaar zijn maar in het daarop te monteren materiaal, mist die stelling een deugdelijke onderbouwing.
2.13
Onder 63 van haar memorie van grieven heeft [appellante] nog aangevoerd dat Kampstaal haar had moeten waarschuwen dat zekere toleranties in de maatvoering onvermijdelijk zijn. Dit betoog heeft [appellante] echter uitsluitend gevoerd in het kader van de non-conformiteit en niet in het kader van een schending van een waarschuwingsplicht als zelfstandige grondslag voor haar vorderingen.
2.14
Het vorenstaande komt erop neer dat de door [appellante] aangevoerde grondslag haar vorderingen niet kan dragen.
beslissing

3

3.1
Met het falen van grief 1 faalt, wegens gebrek aan belang, ook grief 2. Nu de grieven falen zal [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten voor de deskundige. De proceskosten worden, voor zover gevallen aan de zijde van Kampstaal, vastgesteld op € 2.277,- (3 punten, tarief I € 759,- per punt). Het bestreden (eind)vonnis van 23 april 2014 zal worden bekrachtigd. Een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het hoger beroep ten aanzien van de eerdere tussenvonnissen zal op de onder 3. van het tussenarrest van 1 november 2016 genoemde gronden, achterwege blijven.
beslissing

4

het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 april 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Kampstaal vastgesteld op € 704,- voor verschotten en op € 2.277,- voor salaris van de advocaat;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het deskundigenbericht ter hoogte van € 5.457,10;

verklaart de (proces)kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. I. Tubben en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 september 2019.