Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:7332

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:7332, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.242.255/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwardenafdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.242.255/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/455819 / KL ZA 18-69)
arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,appellant in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. E. Doornbos, kantoorhoudend te Badhoevedorp,
tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Huurdersbelangenvereniging De Alliantie,

gevestigd te Hilversum,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellante in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. O.L.M. Heuts, kantoorhoudend te Amsterdam.

ECLI:NL:GHARL:2019:7332:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwardenafdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.242.255/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/455819 / KL ZA 18-69)
arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,appellant in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. E. Doornbos, kantoorhoudend te Badhoevedorp,
tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Huurdersbelangenvereniging De Alliantie,

gevestigd te Hilversum,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellante in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. O.L.M. Heuts, kantoorhoudend te Amsterdam.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 9 mei 2018 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 juni 2018;- de memorie van grieven d.d. 21 augustus 2018;- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties) d.d. 2 oktober 2018;- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 30 oktober 2018.
2.2
Vervolgens heeft uitsluitend HBVA arrest verzocht en de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten, ontleend aan de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis (voor zover voor de beoordeling in hoger beroep van belang) aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.
3.1
HBVA is een vereniging van huurders die woningen huren van de Stichting de Alliantie (een toegelaten instelling in de zin van artikel 19 van de Woningenwet, actief in de regio’s Amsterdam, Almere, Amersfoort en Gooi & Vechtstreek). Zij behartigt als huurdersorganisatie de belangen van deze huurders ten opzichte van deze verhuurder.
3.2
HBVA heeft haar organisatie in 2016 gewijzigd, waarbij een aantal taken die voorheen waren belegd bij vier lokale huurderbelangenverenigingen die in HBVA samenwerkten, zijn gecentraliseerd. Een en ander heeft zijn beslag gevonden in een statutenwijziging die 22 december 2016 notarieel is gepasseerd.
3.3
De structuurwijziging van HBVA heeft tot spanningen geleid. Op de algemene ledenvergadering van 31 mei 2017 is het bestuur geschorst en is een interim-bestuur benoemd waarbij onder meer [appellant] tot interim-bestuurder is benoemd. Hierover is een gerechtelijke procedure gevoerd, waarbij de voorzieningenrechter te Utrecht bij vonnis van 26 juli 2017 de besluitvorming op die ALV in strijd met artikel 2:15 BW heeft geoordeeld en, kort gezegd, de schorsing van het oude bestuur heeft opgeheven en de uitschrijving van het bestuur- [appellant] heeft bevolen.
3.4
HBVA was al in 2016 bezig met het opzetten van een nieuwe website voor de geïntegreerde vereniging. [appellant] , die destijds bestuurder was van de (deel)vereniging Gooi & Vechtstreek, was daarbij betrokken. Deze nieuwe website zou moeten worden www.HBVA.nl.
3.5
De domeinnaam www.HVBA.nl (verder: de domeinnaam) is op 16 augustus 2016 geregistreerd bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (Verder: SIDN) door Flexwebhosting BV. Dit is een vennootschap van [appellant] .
3.6
Het bestuur van HVBA heeft in de loop van 2017 bij [appellant] en bij het bestuur van Gooi & Vechtstreek aangedrongen op overdracht van de domeinnaam aan HBVA. Bij mailbericht van 27 april 2017 heeft [appellant] geschreven:
Geacht bestuur,Tot op heden zijn er bij mij nog steeds geen excuses binnengekomen omtrent de uitspraken: Ik zou de URL hbva.nl gestolen hebben van de HBVA Ik zou aandeelhouder zijn van een bedrijf wie ik wilde voorstellen om automatisering te doen Ik zou commissaris zijn van hetzelfde bedrijfDeze uitspraken van uw bestuur hebben mijn persoonlijke integriteit aangetast en zijn duidelijk onjuist. U heeft nu genoeg tijd gehad om deze aantijgingen openbaar recht te trekken, mede in de richting van de Alliantie.(…)Ik deel u dan ook officieel mede dat ik gezien bovenstaande niet meer bereid ben de URL aan u over te dragen (lees=verkopen). Aangezien deze URL juridisch mijn eigendom is volgens de SIDN registratie, mag ik beslissen wat ik er mee doe. Zoals het er nu uitziet gaat de URL naar de Hilversumse Buurt Vereniging Anna’s Hoeve.Tenslotte meld ik u dat ik samen met mijn advocaat overweeg om aangifte te gaan doen wegens laster en smaad omtrent de niet juiste beschuldigingen.
3.7
Op 13 april 2018 heeft HBVA ter laste van [appellant] onder SIDN beslag tot levering gelegd op de domeinnaam.
beslissing

4

4.1
HBVA heeft in eerste aanleg, kort samengevat gevorderd, dat de domeinnaam aan haar wordt overgedragen.
4.2
De voorzieningenrechte heeft bij vonnis van 9 mei 2018 [appellant] veroordeeld om de domeinnaam aan HBVA over te dragen, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt voor alle wilsverklaringen van [appellant] die nodig zijn om de overdracht te bewerkstelligen.
overwegingen

5

De ontvankelijkheid van het appel

5.1
HBVA heeft als meest vergaande verweer opgeworpen dat de memorie van grieven niet door mr. Doornbos is ondertekend, dat daarom [appellant] alsnog akte niet-dienen moet worden verleend en [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5.2
Het hof overweegt dat artikel 83, tweede lid Rv bepaalt dat in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, de conclusies en akten worden ondertekend door de advocaat.
5.3
Het hof stelt vast dat zowel de memorie van grieven als de memorie van antwoord in incidenteel appel getekend zijn met een (niet identificeerbare) handtekening met daarbij de letters i.o. Deze handtekening wijkt duidelijk af van de handtekening van mr. Doornbos geplaatst onder zijn pleitaantekeningen in eerste aanleg.
5.4
Indien het gerecht constateert dat het voorschrift van artikel 83 Rv is geschonden, dan volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad dat een hersteltermijn moet worden gegund om het gebrek te herstellen (vgl. HR10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773 en HR 10 september 2010 ECLI:NL:HR:2010:BM5958). De gevolgtrekking van HVBA dat zonder meer niet-ontvankelijkheid moet volgen, is dan ook niet juist. Het hof merkt overigens nog op dat akte-niet-dienen aan de wederpartij van de partij die de memorie moet nemen wordt verleend, zodat het ervoor wordt gehouden dat de stelling van HBVA dat [appellant] akte-niet dienen had moeten worden verleend op een vergissing berust.
5.5
Het hof heeft naar aanleiding van het verweer van HBVA de griffie bij mr. Doornbos laten informeren wiens handtekening onder de processtukken staat. Mr. Doornbos heeft bij door hem ondertekende brief van 14 augustus 2019 verklaard dat zijn toenmalige kantoorgenoot mr. E. Swart de processtukken heeft ondertekend.
5.6
Het hof oordeelt dat daarmee is voldaan aan de ratio van artikel 83 Rv, namelijk dat buiten twijfel is dat de ingediende processtukken afkomstig zijn van de advocaat die als verplichte procesvertegenwoordiger door de betreffende procespartij is aangesteld.
5.7
Het verweer wordt verworpen.
Het spoedeisend belang

5.8
[appellant] stelt in zijn dat de voorzieningenrechter ten onrechte spoedeisend belang aan de zijde van HBVA heeft aangenomen.
5.9
Het hof oordeelt dat de voorzieningenrechter de vorderingen van HBVA terecht voldoende spoedeisend heeft beoordeeld, omdat [appellant] , naar hij zelf ook in zijn pleitaantekeningen in eerste aanleg heeft verklaard, het plan had om de domeinnaam over te dragen aan een Hilversumse buurtvereniging (daar aangeduid als De Astronoom, waar hij eerder, zie rov 3.6, repte van Anna’s Hoeve) om daarop de website van die buurtvereniging onder te brengen. Daadwerkelijke overdracht van de domeinnaam aan deze derde zou de overdracht van de domeinnaam aan HBVA tenminste ernstig belemmeren, waarbij HBVA belang heeft bij de domeinnaam die immers de door HBVA gehanteerde afkorting om zichzelf aan te duiden bevat. Dit spoedeisend belang duurt ook in hoger beroep nog voort aangezien HBVA ook in hoger beroep nog steeds over de domeinnaam wil blijven beschikken.
5.10
De grief faalt.
De vordering tot afgifte van de domeinnaam

5.11
De van [appellant] keert zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter dat [appellant] de domeinnaam aan HBVA moest overdragen. Volgens [appellant] heeft hij nooit een ongeclausuleerde toezegging gedaan en maakt HBVA zich schuldig aan misbruik van recht.
5.12
Het hof overweegt dat niet ter discussie staat dat het aanvankelijk de bedoeling van alle partijen was dat HBVA in de nieuwe structuur een nieuwe website kreeg en dat die geregistreerd zou worden op de domeinnaam. Het hof verwijst daartoe naar overweging 3.4 en productie 3 zijdens HBVA (). Evenmin staat ter discussie dat [appellant] ook nadat sprake was van spanningen binnen HBVA heeft toegezegd dat hij de registratie van de domeinnaam aan HBVA zou overdragen. [appellant] stelt dat hij aan die toezegging de voorwaarde van het aanbieden van excuses heeft verbonden (zie rov. 3.6) waaraan niet is voldaan en waarna de spanningen tussen partijen nog hoger zijn opgelopen (zie ook rov. 3.3).
5.13
Het hof oordeelt voorshands dat de, door gekrenktheid ingegeven weigering van [appellant] om nog langer uitvoering te geven aan wat partijen beoogden en zijn pogingen om de domeinnaam bij een derde partij onder te brengen, onder deze omstandigheden als onrechtmatig jegens HBVA moet worden aangemerkt, zoals HBVA ook heeft gesteld. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht de overdracht van de domeinnaam aan HBVA gelast om deze onrechtmatige gedraging te redresseren.
5.14
De grief stuit daarop af.
5.15
HBVA vordert in haar dat het hof alsnog vaststelt dat zij jegens [appellant] een contractueel recht op levering van de domeinnaam heeft. Het hof oordeelt dat HBVA geen belang heeft bij beoordeling van deze grief. Haar vordering is immers op de door haar gestelde subsidiaire grondslag toegewezen. Of de vordering ook op een andere grond had kunnen worden toegewezen is voor dit kort geding niet van belang.
5.16
De grief faalt.
De proceskostenveroordeling in eerste aanleg

5.17
HBVA keert zich in haar tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, die door de voorzieningenrechter op € 1.704,01 is gesteld, te vermeerderen met nakosten. Volgens HBVA dient deze proceskostenveroordeling op € 3.350,58 te worden gesteld.
5.18
Het hof oordeelt dat HBVA uit het oog verliest dat het hier om een kort gedingprocedure gaat en niet om een bodemzaak. Voor zover zij aanspraak maakt op een puntentarief per proceshandeling miskent zij dat de voorzieningenrechter terecht toepassing heeft gegeven aan het liquidatietarief voor kort gedingen en op grond daarvan € 980,- heeft toegekend voor salaris van de advocaat, zijnde het standaardbedrag, hoewel in deze zaak, met een van beide kanten hoog kinnesinnegehalte, ook het minimale bedrag van € 633,- verdedigbaar was geweest. Aangezien het gaat om een kort geding, kunnen ook de door HBVA thans gevorderde kosten voor de beslaglegging in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen op de door haar gestelde grondslag die immers betrekking heeft op bodemprocedures.
5.19
De voorzieningenrechter heeft de verschotten bepaald op de kosten van de dagvaarding zoals die op de dagvaarding zijn vermeld, zijnde € 98,01. Voor zover HBVA in appel stelt dat die kosten meer hebben bedragen, verwerpt het hof dat betoog.
5.20
De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat ook kosten als gevolg van het eerdere niet-verschijnen van [appellant] voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat HBVA die kosten onvoldoende heeft onderbouwd. In appel heeft HBVA ook een rekening van de deurwaarder voor het oproepingsexploot van 12 april 2018 in het geding gebracht ten bedrage van € 105,88. Het hof zal die post alsnog toewijzen. Slechts in zoverre slaagt de grief.
De slotsom

5.21
Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, met dien verstande dat naast het door de voorzieningenrechter toegewezen bedrag aan proceskosten het hof [appellant] aanvullend zal veroordelen tot betaling van € 105,88.
5.22
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in principaal appel veroordelen, aan de zijde van HBVA te begroten op 1 procespunt naar tarief I voor het salaris van de advocaat en op het van haar geheven griffierecht. In incidenteel appel zal het hof HBVA als de overwegend in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van [appellant] , te begroten op 0,5 punt naar tarief I voor het salaris van de advocaat.6.
Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Lelystad van 9 mei 2018, met dien verstande dat het hof [appellant] , naast het door de voorzieningenrechter genoemde bedrag aan proceskosten, aanvullend veroordeelt tot betaling van € 105,88;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van HBVA vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 759,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt HBVA in de kosten van het incidenteel appel, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 379,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. R.E. Weening en mr. M. Willemse en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.