Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:7274

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 06-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:7274, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-000952-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:7274:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000952-18 Uitspraak d.d.: 6 september 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 februari 2018 met parketnummer 18-820289-16 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [adres 1] .
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 augustus 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. C. Eenhoorn, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 5 februari 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van het subsidiair tenlastegelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primairzij op of omstreeks 17 juni 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk in (een schuur behorende bij) een pand gelegen aan de [adres 1] aanwezig heeft gehad ongeveer 601 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiaireen of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 juni 2016, te [plaats] , gemeente [gemeente] , met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in (een schuur behorende bij) een pand aan de [adres 1] , een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 601, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in genoemde periode opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen 601 hennepplanten aanwezig heeft gehad. De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 17 juni 2016 werd in de schuur van de woning aan de [adres 1] te [plaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] zijn gezamenlijk eigenaar van de betreffende woning en hebben daar hun hoofdverblijf. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij begin 2016 is benaderd door een onbekend gebleven persoon die de schuur wilde huren om er plantjes in te zetten, dat hij het vermoeden had dat het ging om hennepplanten, dat de onbekend gebleven persoon rond maart 2016 een hennepkwekerij in die schuur heeft ingericht, dat [medeverdachte] de hennepplanten wel eens heeft gezien en dat de onbekend gebleven persoon (samen met een onbekend gebleven ander) de kwekerij heeft onderhouden. [medeverdachte] heeft voorts verklaard dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en dat zij samen hebben overlegd of ze het (het hof begrijpt: het verhuren van de schuur ten behoeve van een hennepkwekerij) moesten doen. Verdachte en [medeverdachte] hebben volgens hem € 10.000,- ontvangen voor het ter beschikking stellen van de schuur, wat (ongeveer) overeenkomt met het totale bedrag aan contante stortingen op de rekeningen van verdachten op 10 juni 2016, welke datum in de tenlastegelegde periode valt. Het dossier bevat geen nadere bewijsmiddelen waaruit blijkt dat [medeverdachte] dan wel verdachte zelf de hennepkwekerij hebben ingericht en/of hebben onderhouden.

Het hof stelt vast dat ten aanzien van de rol van verdachten bij de hennepkwekerij uit de bewijsmiddelen niet meer kan worden afgeleid dan dat verdachten zijn ingegaan op het voorstel van een onbekend gebleven derde om tegen betaling hun schuur behorende bij hun woning ter beschikking te stellen voor de exploitatie van een hennepkwekerij. Deze betrokkenheid van verdachten is, naar het oordeel van het hof, aan te merken als medeplichtigheid.

Het hof zal verdachte gelet op het voorgaande vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het subsidiair tenlastegelegde

De raadsman van verdachte heeft eveneens vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de hennepkwekerij in de schuur bij haar woning.

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.

Zoals reeds overwogen, heeft medeverdachte [medeverdachte] op twee momenten verklaard dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de schuur en dat hij, vooraf, met verdachte heeft overlegd of ze het wel moesten doen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaring te twijfelen, te meer omdat de medeverdachte geen enkel belang had om belastend over verdachte te verklaren.

De wetenschap (en betrokkenheid) van verdachte omtrent de hennepkwekerij leidt het hof daarnaast af uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij het bedrag dat hij heeft ontvangen voor het ter beschikking stellen van de schuur ten behoeve van de hennepkwekerij, heeft opgedeeld in kleinere bedragen. Die kleinere bedragen heeft hij vervolgens gestort op de bankrekeningen van verdachten. Voorts heeft hij verklaard dat de huuropbrengst is gebruikt om schulden af te lossen.

Het hof stelt vast dat (onder meer) op verdachtes bankrekening bij de Rabobank op 10 juni 2016 een contant geldbedrag is gestort van € 2.980,-. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dat bedrag niet heeft gezien voor de ontmanteling van de hennepkwekerij op 17 juni 2016. Het hof stelt echter vast dat vanaf diezelfde rekening op 13 juni 2016 een bedrag van € 6.000,-, met kenmerk " [kenmerk] " aan [stichting] is betaald. [naam 1] is de dochter van verdachte. Bij de overschrijving staat vermeld: "Betaling zoals afgesproken met [naam 2] ", hetgeen impliceert dat het een handmatige overboeking is geweest. Nu de betreffende bankrekening enkel op naam staat van verdachte, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte als enige gebruikmaakt en toegang heeft tot voornoemde bankrekening. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte op of vlak voor 13 juni 2016 gebruik heeft gemaakt van haar bankrekening en dus op de hoogte was van de contante storting op 10 juni 2016. Immers, verondersteld mag worden dat een dergelijke toename van het saldo op haar rekening verdachte is opgevallen. Voorts is het aannemelijk dat het bedrag van € 2.980,- is aangewend om de schuld van verdachtes dochter aan [stichting] af te lossen, gelet op het moment van overschrijving (kort na de contante storting) en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat de opbrengst is gebruikt voor het aflossen van schulden.

Gelet op al het voorgaande, kan het niet anders dan dat verdachte weet had van de hennepkwekerij in de schuur van haar woning. Bovendien had verdachte, als mede-eigenaar van het perceel, ook de beschikking over die schuur en is zij in die zin ook verantwoordelijk voor wat er in die schuur gebeurt. Voorts heeft zij meegedeeld in de opbrengsten. Het hof acht dan ook bewezen dat verdachte zich, door het ter beschikking stellen aan derden van de schuur voor het exploiteren van een hennepkwekerij, schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiaireen of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 juni 2016, te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk heeft/hebben geteeld in een schuur behorende bij een pand aan de [adres 1] , een hoeveelheid van ongeveer 601 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welk misdrijf verdachte in genoemde periode opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het telen van hennepplanten. Het telen van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 juli 2019 is zij niet eerder voor het plegen van strafbare feiten veroordeeld.

Het hof acht in beginsel een taakstraf passend en geboden. Het hof zal echter, alles afwegende en met name gelet op de medische situatie van verdachte waardoor zij vermoedelijk niet in staat zal zijn om een taakstraf uit te voeren, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren aan verdachte opleggen. Deze straf acht het hof passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c en 48 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen doormr. H.J. Deuring, voorzitter,mr. M.C. Fuhler en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,en op 6 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. F.A. Hartsuiker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.