Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:7184

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:7184, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.258.811/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwardenafdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.258.811/01

beschikking van 5 september 2019

de vennootschap naar Duits recht ,gevestigd te Ediger-Eller (Duitsland),verzoekster,hierna: ,advocaat: mr. J.P. Quist, kantoorhoudend te Vlissingen.

ECLI:NL:GHARL:2019:7184:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwardenafdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.258.811/01

beschikking van 5 september 2019

de vennootschap naar Duits recht ,gevestigd te Ediger-Eller (Duitsland),verzoekster,hierna: ,advocaat: mr. J.P. Quist, kantoorhoudend te Vlissingen.
procesverloop

1

1.1
Tussen Cochem en Kimiko Beheer B.V., gevestigd te Hilversum, (hierna: Kimiko) is door de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Lelystad op 3 januari 2019 vonnis gewezen, hersteld bij vonnis van 30 januari 2019 (zaaknummer rechtbank NL18.9110).
1.2
Bij appeldagvaarding van 14 februari 2019 is Cochem in hoger beroep gekomen van dat vonnis. Deze procedure is bekend bij het gerechtshof onder nummer 200.254.934/01.
1.3
De griffier heeft op 5 maart 2019 het door Cochem te betalen griffierecht vastgesteld op € 5.382,-. Cochem heeft het griffierecht op 29 maart 2019 betaald.
1.4
Cochem is bij verzoekschrift (ontvangen op 26 april 2019) in verzet gekomen tegen de vaststelling van het griffierecht door de griffier.
1.5
Cochem heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoekschrift.
1.6
In het hoger beroep heeft Cochem op 14 mei 2019 een memorie van grieven genomen. Kimiko heeft in de hoofdzaak op 23 juli 2019 een memorie van antwoord, tevens van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep genomen.
1.7
Beschikking is bepaald op heden.
2

2.1
In eerste aanleg heeft Cochem een verklaring voor recht gevorderd dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht rechtsgeldig door Cochem per 31 december 2017 is beëindigd, zodat Kimiko aan die overeenkomst geen rechten meer kan ontlenen, met nevenvorderingen. Kimiko heeft in eerste aanleg een tegenvordering ingediend die erop gebaseerd is dat Cochem de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Kimiko vordert op grond daarvan een veroordeling van Cochem tot betaling aan Kimiko van € 11.078,73 en € 110.880,-, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans een veroordeling van Cochem tot betaling aan Kimiko van € 60.000,- met verwijzing naar de schadestaatprocedure en tot betaling aan Kimiko van € 4.850,- (excl. btw), met nevenvorderingen.
2.2
De rechtbank heeft de vordering van Cochem afgewezen met veroordeling van Cochem tot betaling van de proceskosten. De tegenvordering van Kimiko is gedeeltelijk toegewezen door de rechtbank, waarbij Cochem is veroordeeld tot betaling aan Kimiko van:- € 4.702,80 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 april 2018;- € 60.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018;- € 2.425,-;- de proceskosten en de na het vonnis ontstane kosten.
overwegingen

3

3.1
Cochem heeft aangevoerd dat het in de zaak tussen Cochem en Kimiko gaat om een vordering van onbepaalde waarde. De griffier van de rechtbank is hier bij de vaststelling van het griffierecht volgens Cochem ook vanuit gegaan. Hooguit is het financieel belang van het hoger beroep vast te stellen op € 72.740,64. Dat is het bedrag (inclusief de toegewezen rente en kosten) dat Cochem op grond van het vonnis in eerste aanleg aan Kimiko heeft betaald en waarvan zij in hoger beroep terugbetaling vordert. Het griffierecht had daarom ten hoogste moeten worden vastgesteld op € 2.020,-, aldus Cochem.
3.2
Het hof stelt voorop dat de hoogte van het griffierecht op grond van art. 10 lid 1 Wgbz wordt bepaald aan de hand van de vordering. In hoger beroep dient bij de berekening van het griffierecht in beginsel te worden aangeknoopt bij het bedrag van de vordering waarover de rechter tegen wiens uitspraak het hoger beroep zich richt, had te beslissen, ook indien niet de betaling van een geldsom is gevorderd (HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1014). Dat is anders indien in hoger beroep niet langer de gehele vordering inzet van het geding is, maar het hoger beroep zich beperkt tot een deel van de vordering. In dat geval dient voor de berekening van het griffierecht te worden aangeknoopt bij dat deel van de vordering (HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5387).
3.3
Uit het procesverloop in eerste aanleg (zie 2.1) volgt dat de rechter in eerste aanleg moest oordelen over een vordering van onbepaalde waarde, zijnde de conventionele vordering van Cochem en, in reconventie, over een vordering van Kimiko met een beloop van meer dan € 100.000,-. In hoger beroep is echter sprake van een situatie als beschreven in het hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2005. Cochem concludeert in het (principaal) hoger beroep blijkens haar appeldagvaarding en haar memorie van grieven tot het alsnog toewijzen van de vordering van Cochem en het alsnog afwijzen van de (tegen)vordering van Kimiko, tot veroordeling van Kimiko tot terugbetaling aan Cochem van het op grond van het vonnis betaalde bedrag van € 72.740,64 (te vermeerderen met de wettelijke rente) en tot veroordeling van Kimiko in de proceskosten in beide instanties. Het (principaal) hoger beroep is dus qua financieel belang beperkt tot het toegewezen deel van de (tegen)vordering van Kimiko waarover de rechtbank had te beslissen.
3.4
Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat Kimiko in voorwaardelijk incidenteel appel concludeert tot veroordeling van Cochem tot betaling van primair € 110.880,- (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente), subsidiair tot betaling van € 135.854 (te vermeerderen met de wettelijke handelsrente) en meer subsidiair tot betaling van een voorschot van € 60.000,- met verwijzing naar de schadestaatprocedure. De hoogte van het griffierecht wordt immers niet (mede) bepaald op grond van de vordering in het incidenteel hoger beroep.
3.5
De vordering waarover in hoger beroep moet worden beslist heeft daarom een beloop van meer dan € 12.500,- maar niet meer dan € 100.000,-. Het hof zal het verzet dan ook gegrond verklaren, bepalen dat het door Cochem verschuldigde griffierecht wordt vastgesteld op € 2.020,- en de griffier opdragen hetgeen teveel is betaald terug te betalen.
De beslissing

Het hof:
verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat het door Cochem verschuldigde griffierecht wordt vastgesteld op € 2.020,-;

draagt de griffier op hetgeen door Cochem teveel is betaald, aan haar terug te betalen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en J. Smit, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 5 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.