Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:6431

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:6431, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-002906-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:6431:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002906-18 Uitspraak d.d.: 12 augustus 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967, wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.K.T. Schoffelen, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

1.hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2017 tot en met 12 mei 2017 te [plaats] , al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand gelegen op/aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 504 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, zulks terwijl verdachte van het plegen van dit misdrijf als zijn beroep of als een bedrijf heeft uitgeoefend, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 300 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan;
2.hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2017 tot en met 12 mei 2017 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand aan de [adres] heeft weggenomen (een) hoeveelheid/hoeveelheden elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking (verbreken/forceren van verzegeling van de meterkast en/of het 'buiten de meter om' aanbrengen van een stroomaansluiting onder zijn bereik heeft gebracht.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.Vast staat dat verdachte het pand aan de [adres] in [plaats] huurde. Het pand bestond uit een woning en een bedrijfshal. Op 12 mei 2017 is in de bedrijfshal een hennepkwekerij aangetroffen, die was ingericht in drie grote aanhangwagens van verdachte die in de bedrijfshal stonden. Verdachte ontkent enige wetenschap van en betrokkenheid bij de hennepkwekerij te hebben gehad. Hij heeft verklaard dat hij het pand had gehuurd, omdat hij van plan was daarin foodtrucks te bouwen. Daarvoor had hij ook de drie aanhangwagens aangeschaft. Verdachte stelt dat hij de bedrijfshal uiteindelijk heeft onderverhuurd, omdat zijn plan met de foodtrucks niet werkte. Daarom stonden de aanhangwagens ook in de verkoop. De onderverhuur van de bedrijfshal is volgens verdachte in februari 2017 geregeld.Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte voorts verklaard dat hij van de verhuurder van het pand niet mocht onderverhuren. Desondanks heeft hij de bedrijfshal aan twee personen onderverhuurd. Hierover zijn in januari 2017 afspraken gemaakt. In februari 2017 heeft verdachte de sleutel van de bedrijfshal aan de onderhuurders overhandigd. Met instemming van de onderhuurders mochten aanhangwagens van verdachte in de bedrijfshal blijven staan. Sinds de onderverhuur beschikte verdachte naar zijn zeggen niet meer over een sleutel van de bedrijfshal. Hij had alleen nog toegang tot het woonhuis met daarin de kantoorruimte, aldus de verdachte.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft verdachte echter verklaard dat hij van de verhuurder persoonlijk toestemming had gekregen om de bedrijfshal onder te verhuren. Volgens verdachte is alles rondom de onderhuur door zijn boekhouder [betrokkene] geregeld en was hij daarvan niet op de hoogte. [betrokkene] was meerdere dagen in de week aanwezig in de kantoorruimte van verdachte om diens zaken te regelen. [betrokkene] zou een briefje in de brievenbus hebben aangetroffen, waaruit bleek dat iemand interesse had om de bedrijfshal te huren. Volgens verdachte is [betrokkene] degene geweest die de sleutel, de enige die er was, aan de onderhuurders heeft afgegeven. In hoger beroep heeft verdachte een kopie van een paspoort van een persoon met de Oekraïense nationaliteit overgelegd en daarbij verklaard dat die persoon één van de onderhuurders zou zijn geweest. Nadere gegevens van deze persoon heeft verdachte evenwel niet. Verdachte heeft ook verklaard dat hij de afgesproken huur nimmer van de onderhuurders heeft ontvangen en daar ook geen actie op ondernomen te hebben.

[betrokkene] is op de terechtzitting in eerste aanleg als getuige gehoord. Hierbij was verdachte ook aanwezig. [betrokkene] heeft verklaard dat verdachte de bedrijfshal heeft onderverhuurd, nadat hij erachter kwam dat het plan met de foodtrucks niet ging werken. Hoewel de bedrijfshal niet onderverhuurd mocht worden heeft verdachte dat toch gedaan. Volgens [betrokkene] heeft verdachte hem op de hoogte gebracht van de onderhuur. Verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg deze verklaring van [betrokkene] , die overeenkomt met de toen door verdachte zelf afgelegde verklaring, niet betwist. Desondanks heeft verdachte in hoger beroep een andersluidende verklaring afgelegd.

Het hof stelt vast dat verdachte zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Vervolgens legt hij op de terechtzitting in eerste aanleg een ontkennende maar op essentiële onderdelen tevens andersluidende verklaring af dan tijdens de behandeling in hoger beroep.

Gelet op het bovenstaande acht het hof de verklaring van verdachte dat niet hij maar zijn boekhouder [betrokkene] alles rondom de onderhuur heeft geregeld, daarmee suggererend dat [betrokkene] een (grote(re)) rol had in het reilen en zeilen van de hennepkwekerij, niet aannemelijk geworden. Nu verdachte aldus steeds verschillend heeft verklaard over de wijze waarop en aan wie de bedrijfshal in onderhuur zou zijn gegeven, acht het hof het tevens niet aannemelijk geworden dat het onderhuurders zijn geweest die de hennepkwekerij hebben opgezet en onderhouden en dat bovendien zonder dat verdachte daarvan wist.

Nu vast staat dat de bedrijfshal door verdachte werd gehuurd en de aanhangwagens in die schuur waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, ook van verdachte waren, acht het hof gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen hennepkwekerij van verdachte was. Gelet hierop alsmede op de constatering van de politie en de fraudespecialist van Liander dat ten behoeve van de hennepkwekerij op illegale wijze elektriciteit werd afgenomen, acht het hof ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

1.hij in de periode van 2 maart 2017 tot en met 12 mei 2017 te [plaats] , opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt in een (bedrijfs)pand gelegen aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 504 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, , terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 300 hennepplanten,
2.hij in de periode van 2 maart 2017 tot en met 12 mei 2017 te [plaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ineen (bedrijfs)pand aan de [adres] heeft weggenomen eenhoeveelheidelektriciteit, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking (verbrekenvan verzegeling en/of het 'buiten de meter om' aanbrengen van een stroomaansluiting) onder zijn bereik heeft gebracht;
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft in een door hem gehuurd bedrijfspand een hennepkwekerij gehouden. Hennep is een stof die schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien brengt de handel in softdrugs allerlei vormen van andere criminaliteit met zich mee. Daarnaast heeft verdachte ten behoeve van de hennepkwekerij op illegale wijze elektriciteit afgetapt.

Het hof neemt bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte in aanmerking dat hij blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 juli 2019 niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Bij de strafoplegging heeft het hof de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een hennepkwekerij met meer dan 500 planten als uitgangspunt genomen. Daarom acht het hof oplegging aan verdachte van een taakstraf voor de duur van 180 uur passend en geboden. Teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, zal het hof daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van , indien niet naar behoren verricht te vervangen door .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen doormr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,mr. F.A.M. Bakker en mr. O.G. Schuur, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma, griffier,en op 12 augustus 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. C.J. Broersma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.