Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:59

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:59, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/01359 t/m 17/01379


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwardennummers 17/01359 tot en met 17/01379uitspraakdatum:
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] [Z]
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2017, nummers LEE 15/4507 tot en met 15/4523 en 17/146 tot en met 17/149, ECLI:NL:RBNNE:2017:4319, in het geding tussen belanghebbende en

de van de (hierna: de Inspecteur)

ECLI:NL:GHARL:2019:59:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwardennummers 17/01359 tot en met 17/01379uitspraakdatum:
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] [Z]
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 november 2017, nummers LEE 15/4507 tot en met 15/4523 en 17/146 tot en met 17/149, ECLI:NL:RBNNE:2017:4319, in het geding tussen belanghebbende en

de van de (hierna: de Inspecteur)

procesverloop

1

1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. Bij beschikking zijn voor voormelde jaren verhogingen respectievelijk boeten opgelegd van 100 percent van de verschuldigde belasting. Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Voorts is bij elke (navorderings)aanslag bij beschikking een bedrag aan heffingsrente berekend.
1.2.
Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1990 tot en met 1997, de aanslag in de IB/PVV voor 2000 en de navorderingsaanslagen in de VB over 1991 tot en met 1998 verminderd en de daarbij behorende verhogingen, boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente verminderd (bij verhogingen: gedeeltelijk kwijtgescholden), alsmede de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1998 en 1999 en de navorderingsaanslagen in de VB over 1999 en 2000 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen inzake de IB/PVV over 1990 tot en met 1999 en de VB over 1991 tot en met 2000 gegrond verklaard, en het beroep inzake de IB/PVV voor 2000 ongegrond. De Rechtbank heeft de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1990 tot en met 1999 (eventueel zoals vastgesteld na ambtshalve vermindering) gehandhaafd, de aanslag in de IB/PVV voor 2000 gehandhaafd, en de navorderingsaanslagen in de VB over 1991 tot en met 2000 en de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente verminderd. Voorts heeft de Rechtbank de verhogingen bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1990 tot en met 1992 en bij de navorderingsaanslagen in de VB over 1991 tot en met 1993 (geheel) kwijtgescholden, de verhogingen en boeten bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1993 tot en met 1999 en bij de navorderingsaanslagen in de VB over 1994 tot en met 2000 verminderd (bij verhogingen: kwijtgescholden) tot op 72 percent van de respectieve boetegrondslagen over de betreffende jaren, de Minister voor Rechtsbescherming en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor een bedrag van respectievelijk € 500 en € 5.500, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het beroep ten bedrage van in totaal € 1.485.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Voor de zitting hebben beide partijen nadere stukken ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2018. Alle zaken zijn ter zitting met instemming van partijen gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2

2.1.
Belanghebbende, [X] , is geboren [in] 1949. In de onderhavige jaren woonde belanghebbende ongehuwd samen met [A] (hierna: [A] ), geboren op 23 november 1952.
2.2.
Belanghebbende exploiteerde tot 15 januari 1999 in de vorm van een eenmanszaak een slagerij te [Z] . Vanaf 16 augustus 1999 exploiteerde belanghebbende, tezamen met [A] , te [B] een cafébedrijf. Eind 2000 hebben belanghebbende en [A] dit bedrijf wegens slechte gezondheid van belanghebbende verkocht.
2.3.
Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie te België spontaan inlichtingen verstrekt aan de Belastingdienst, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) op naam van inwoners van Nederland (hierna: de microfiches). In de begeleidende brief en in de daarbij gevoegde nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: "In het kader van de regeling "spontane uitwisseling van inlichtingen" heb ik de eer u hierbij een nota toe te zenden betreffende inlichtingen over inwoners van uw land. (…) Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-LUX) op naam van inwoners van uw land. (…) Deze zending bevat fotocopieën van de afgedrukte microfiches: (…) De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van KB Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB/Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk. (…) "
2.4.
De Belastingdienst/FIOD heeft na ontvangst van de microfiches een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de rekeninghouders waarvan de gegevens op de afdrukken van de microfiches waren vermeld. Dit onderzoek is later bekend geworden als het Rekeningenproject.
2.5.
Op de van de Bijzondere belastinginspectie te België ontvangen fotokopie van een microfiche zijn onder andere de volgende gegevens vermeld:
"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994"

en
" [00000] LDO [X] OU MME [A] 266.714,47"

en
" [00001] VUE [X] OU MME [A] 59.030,07".

2.6.
De Inspecteur heeft het totale saldo op 31 januari 1994 op de bij 2.5 bedoelde rekeningen bij de KB-Lux berekend op ƒ 325.744,54 (€ 147.816,42), uitgaande van de op de microfiches vermelde saldo’s en valutacodes. De rekening met de aanduiding “VUE” is een zichtrekening. De rekeningen, die eindigen op het nummer 0040, luiden in Nederlandse guldens.
2.7.
In een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling van [C] , ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, gedagtekend 7 oktober 2002, is onder meer opgenomen: "Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxembourg t.n.v.
[X] ou Mme [A]

Ik, [C] ,ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD-ECD/kantoor Haarlem en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer [00002] /0 Dha, verklaar het volgende.Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux). Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld.
Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door 1) Een liggend streepje en een tweede achternaam 2) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam 3) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door I. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam II. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel M (= Monsieur) Mme (= Madamme) Melle (= Mademoiselle) Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen. Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld..
Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).Door de FIOD-ECD/kantoor Haarlem/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.(…) Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:
waarbij [X] en [A] als samenwonenden staan ingeschreven. Dit is [X] geboren op [in] 1949 met sofinummer [00003] en [A] ,geboren op [in] 1952 met sofinummer [00004] .
Conclusie. Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt als rekeninghouder in aanmerking, zoals die onder voornoemd punt 2 staat vermeld.Opgemaakt op ambtseed, gesloten en getekend te Haarlem op 07 oktober 2002."
a. a) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam b) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam c) Voorletter met achternaam a. a) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.b) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)c) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld. 1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam: 2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor,3. uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [X] is: [X1]4. uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [A] is: [A1]5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat onbekend is.
2.8.
Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan voor de IB/PVV. In deze aangiften heeft belanghebbende geen buitenlands vermogen of genoten inkomsten daaruit aangegeven. Voor de VB heeft belanghebbende geen aangiften gedaan.
2.9.
De Inspecteur heeft met dagtekening 18 januari 2002 een vragenbrief naar belanghebbende gestuurd. Hierin deelde de Inspecteur aan belanghebbende mee dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. In de vragenbrief werd verzocht om de bij die brief gevoegde “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” in te vullen, te ondertekenen en vóór 25 januari 2002 te retourneren. Belanghebbende heeft deze verklaring met dagtekening 24 januari 2002 ondertekend en geretourneerd met de vermelding: “Heb geen rekening in Buitenland”.
2.10.
Met dagtekening 7 februari 2002 heeft de Inspecteur een aankondigingsbrief naar belanghebbende gestuurd. In die brief deelde de Inspecteur aan belanghebbende mee dat hij van plan was om een boekenonderzoek bij belanghebbende in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften in de IB/PVV en premieheffing Waz voor de jaren 1990 tot en met 2000. De Inspecteur verzocht belanghebbende ervoor te zorgen dat onder meer de bank- en girobescheiden van de zowel in het binnenland als in het buitenland aangehouden (spaar)rekeningen, beleggingsrekeningen tijdens het onderzoek aanwezig zijn. Dit aangekondigde boekenonderzoek heeft op 19 februari 2002 plaatsgevonden op het adres van accountantskantoor [D] . Het onderzoek heeft zich beperkt tot de vraag of, en zo ja in hoeverre, de rente en vermogensbestanddelen van buitenlandse bankrekeningen in de aangiften in de IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en VB 1991 tot en met 1998 zijn verwerkt. Van dit onderzoek zijn een gespreksverslag en met dagtekening 21 mei 2003 een rapport opgemaakt. Volgens het gespreksverslag heeft belanghebbende andermaal ontkend één of meer bankrekeningen in het buitenland te hebben (gehad). Hierop hebben de controle-ambtenaren belanghebbende voorgehouden dat, nu hij blijft bij deze ontkenning, er blijkbaar iemand anders op zijn naam en die van zijn partner één of meer rekeningen aanhoudt in het buitenland. De controle-ambtenaren hebben een voorbeeldbrief uitgedraaid voor het opvragen van gegevens met betrekking tot de bedoelde bankrekeningen in het buitenland. Belanghebbende heeft deze voorbeeldbrief niet meegenomen. De controle-ambtenaren hebben belanghebbende tot 27 februari 2002 de tijd gegeven om zelf de gegevens op de vragen bij de desbetreffende bank(en).
2.11.
Omdat van belanghebbende geen reactie werd ontvangen, hebben medewerkers van de Inspecteur belanghebbende op 21 maart 2002 bezocht. Tijdens het gesprek ontkende belanghebbende wederom dat hij houder is (geweest) van buitenlandse bankrekeningen. Er werd een afspraak gemaakt voor een nader gesprek, hetgeen de Inspecteur bij brief van 22 maart 2002 heeft bevestigd. Op 22 maart 2002 heeft de Inspecteur tweemaal telefonisch contact gehad met belanghebbendes toenmalige gemachtigde, mevrouw [E] (hierna: [E] ), verbonden aan accountantskantoor [D] . Zij heeft hierbij meegedeeld dat er in september 1980 in [F] is ingebroken in de auto van belanghebbende. Hierbij zijn onder andere belanghebbendes kentekenbewijs, rijbewijs en paspoort gestolen, aldus [E] . De Inspecteur heeft naar aanleiding hiervan contact opgenomen met de afdeling Burgerzaken van de gemeente Grootegast. Hierbij is aan de Inspecteur een overzicht verstrekt van aan belanghebbende en [A] afgegeven rijbewijzen en paspoorten. Volgens dit overzicht is aan belanghebbende op 7 juni 1991 een paspoort afgegeven. Op het aanvraagformulier staat dat het oude paspoort in december 1980 was afgegeven. Dit paspoort is bij de afgifte van het nieuwe paspoort op 7 juni 1991 ongeldig gemaakt en aan belanghebbende teruggeven. Met betrekking tot zijn rijbewijs is in het overzicht opgenomen dat op 11 juni 1985 aan belanghebbende het rijbewijs met nummer [00005] CdK is afgegeven. Zijn oude rijbewijs is toen ingeleverd. Dit rijbewijs is volgens het overzicht nog in het bezit van de gemeente Grootegast.
2.12.
Op 25 maart 2002 zijn belanghebbende en [A] bij de Inspecteur op kantoor geweest. Zij hebben de afspraak van 28 maart 2002 geannuleerd. Tijdens een op 27 maart 2002 gehouden telefoongesprek heeft [E] meegedeeld dat belanghebbende ook zelf contact zou opnemen met de gemeente en op 24 april 2002 heeft zij meegedeeld dat zij geen reactie meer heeft gekregen van belanghebbende. Op 26 april 2002 heeft belanghebbende desgevraagd aan de Inspecteur meegedeeld dat hij nog geen actie jegens de gemeente heeft ondernomen.
2.13.
Bij brief van 24 mei 2002 verstrekte de Inspecteur naar aanleiding van een op 8 mei 2002 met belanghebbende en [A] gehouden telefoongesprek de naam en het adres van de buitenlandse bank, de KB-Lux, waar belanghebbende volgens de Inspecteur bankrekeningen zou hebben. Tevens voegde de Inspecteur een voorbeeldbrief bij voor het opvragen van gegevens bij deze bank. Bij brief van 21 juni 2002 verstrekte de Inspecteur naar aanleiding van een met belanghebbende en [A] gehouden telefoongesprek ook het rekeningnummer waaraan de bankrekeningen zijn gekoppeld. De Inspecteur stelde belanghebbende hierbij nogmaals in de gelegenheid om de gegevens bij de KB-Lux op te vragen. Op 24 juni 2002 heeft belanghebbende telefonisch meegedeeld dat hij niet van plan was de gegevens bij de KB-Lux op de vragen of naar de bank in Luxemburg te gaan.
2.14.
Bij brief van 21 oktober 2002 lichtte de Inspecteur belanghebbende in over zijn voornemens met betrekking tot de belastingheffing inzake de volgens de Inspecteur door belanghebbende in de afgelopen jaren in het buitenland aangehouden banktegoeden. De Inspecteur deelde mee dat hij, om te voorkomen dat het aantal belastingaanslagen de zaak onoverzichtelijk maakt, niet meteen over alle mogelijke jaren en voor alle mogelijke belastingen belastingaanslagen zou opleggen. De Inspecteur deelde verder mee dat hij in het jaar 2002 waarschijnlijk onder meer navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1990, 1994 en 1997 zou opleggen en, indien nog niet opgelegd, een aanslag voor het jaar 1999, alsmede navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1991 en 1995 en, indien nog niet opgelegd, een aanslag voor het jaar 2000. Belanghebbende werd hierbij nog voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om gegevens te verstrekken over de bankrekeningen bij de KB-Lux. Bij brief van 12 november 2002 herhaalde de Inspecteur het in zijn brief van 21 oktober 2002 reeds vermelde voornemen en stelde hij belanghebbende voor de allerlaatste maal in de gelegenheid om tot 19 november 2002 de gevraagde gegevens te verstrekken.
2.15.
Bij brief van 25 november 2002 stelde de Inspecteur belanghebbende in kennis van zijn voornemen om aan hem over het jaar 1990 een navorderingsaanslag in de IB/PVV en over het jaar 1991 een navorderingsaanslag in de VB op te leggen wegens het aanhouden van bankrekening(en) bij de KB-Lux. Tevens bracht de Inspecteur belanghebbende hierbij op de hoogte van zijn voornemen om deze navorderingsaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Als bijlage heeft de Inspecteur bij deze brief een afschrift van het bij 2.7 genoemde proces-verbaal van ambtshandeling gevoegd. Belanghebbende heeft telefonisch gereageerd op deze brief. Bij brief van 13 december 2002 deelde de Inspecteur mee dat belanghebbendes reactie hem geen aanleiding gaf om zijn standpunt te herzien.
2.16.
Met dagtekening 13 december 2002 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aangekondigde navorderingsaanslagen in de IB/PVV over het jaar 1990 en VB over het jaar 1991 opgelegd met verhogingen van 100%.
2.17.
Bij brief van 2 mei 2003 stelde de Inspecteur belanghebbende in kennis van zijn voornemen om aan belanghebbende wegens het aanhouden van bankrekeningen bij de KB-Lux (navorderings)aanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1997 en VB over de jaren 1992 tot en met 1998 op te leggen. Tevens bracht de Inspecteur belanghebbende hierbij op de hoogte van zijn voornemen om deze navorderingsaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Belanghebbende heeft telefonisch gereageerd op deze brief. Bij brief van 20 mei 2003 deelde de Inspecteur mee dat belanghebbendes reactie hem geen aanleiding gaf om zijn standpunt te herzien. Hierbij meldde de Inspecteur onder meer:“Het is mogelijk dat u bij deze mededeling niet alle aanslagbiljetten van de aanslagen die genoemd zijn in de eerste alinea aantreft. De ontbrekende aanslagbiljetten zijn geautomatiseerd aangemaakt en worden u apart toegezonden”.
en

“Bezwaar

Als u het niet eens bent met de navorderingsaanslagen en de boeten, kunt u een bezwaarschrift indienen. U hoeft daarmee niet te wachten op de ontvangst van de wel in deze brief meegedeelde maar eventueel nu nog niet door u ontvangen aanslagen”.
2.18.
Met dagtekening 31 mei 2003 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aangekondigde navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1995 en VB over de jaren 1992 tot en met 1998 opgelegd met verhogingen en een boete van 100%. Met dagtekening 7 juni 2003 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1996 en 1997 opgelegd met verhogingen van 100%.
2.19.
Bij brief van 30 september 2004, met het kenmerk 101/16362561, stelde de Inspecteur belanghebbende in kennis van zijn voornemen om aan belanghebbende (navorderings)aanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 1999 en VB over de jaren 1999 tot en met 2000 op te leggen wegens het aanhouden van bankrekening(en) bij de KB-Lux. Tevens bracht de Inspecteur belanghebbende hierbij op de hoogte van zijn voornemen om bij deze navorderingsaanslagen boeten op te leggen van 100%. Bij brief van 11 oktober 2004 deelde de Inspecteur mee dat belanghebbendes reactie hem geen aanleiding geeft om zijn standpunt te herzien, waarbij de Inspecteur hetzelfde vermeldde als onder 2.17 is genoemd met betrekking tot de brief van 20 mei 2003.
2.20.
Bij separate brief van 30 september 2004, eveneens met het kenmerk 101/16362561, deelde de Inspecteur aan belanghebbende mee dat hij de aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2000 in behandeling heeft genomen. De Inspecteur deelde mee dat hij van belanghebbendes aangifte is afgeweken wegens het niet vermelden van de bankrekening(en) bij de KB-Lux in de aangifte. Tevens bracht de Inspecteur belanghebbende hierbij op de hoogte van zijn voornemen om bij deze belastingaanslag een boete op te leggen van 100%. Bij brief van 11 oktober 2004 deelde de Inspecteur mee dat belanghebbendes reactie hem geen aanleiding gaf om zijn standpunt te herzien. Deze brief luidt – behoudens de aanduiding van de aanslag – hetzelfde als de bij 2.19 bedoelde brief van 11 oktober 2004.
2.21.
Met dagtekening 22 oktober 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aangekondigde aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 opgelegd, evenwel zonder de aangekondigde boete.
2.22.
Met dagtekening 28 oktober 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de aangekondigde navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 en 1999 opgelegd, en met dagtekening 30 oktober 2004 de aangekondigde navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1999 en 2000. Bij elk van deze navorderingsaanslagen in de IB/PVV en in de VB heeft de Inspecteur bij beschikking een boete opgelegd van 100%.
2.23.
Belanghebbendes toenmalige gemachtigde heeft bij afzonderlijke brieven van 16 december 2002 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over het jaar 1990 en VB over het jaar 1991.
2.24.
Bij brieven van 29 januari 2003 heeft de Inspecteur bevestigd dat hij belanghebbendes bezwaarschriften op 17 december 2002 heeft ontvangen. De Inspecteur heeft belanghebbende verzocht om in te stemmen met het aanhouden van zijn bezwaren totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Belanghebbende heeft hiermee ingestemd.
2.25.
Bij brief van 23 mei 2003 heeft belanghebbendes toenmalige gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1997 en VB over de jaren 1992 tot en met 1998. Hierbij deelde belanghebbendes toenmalige gemachtigde mee dat hij instemde met het aanhouden van het bezwaarschrift totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. De Inspecteur heeft bij brief van 10 juni 2003 bevestigd dat hij dit bezwaarschrift op 28 mei 2003 heeft ontvangen.
2.26.
Bij brief van 12 oktober 2004 heeft belanghebbendes toenmalige gemachtigde bezwaar gemaakt tegen “Hierbij deelde de toenmalige gemachtigde mee dat belanghebbende akkoord ging met het aanhouden van de bezwaren totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. De Inspecteur heeft bij brief van 16 november 2004 bevestigd dat hij dit bezwaarschrift op 13 oktober 2004 heeft ontvangen. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift hierbij aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000.
2.27.
Op 5 augustus 2013 heeft [C] nogmaals een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt. Hierin komt hij tot dezelfde conclusie als in het bij 2.7 genoemde proces-verbaal van ambtshandeling van 7 oktober 2002.
2.28.
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) heeft in een kort geding op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) – kort gezegd – op verbeurte van een dwangsom inlichtingen en gegevens van belanghebbende gevorderd over de bankrekening(en) bij de KB-Lux. Bij vonnis van 15 november 2013 heeft de voorzieningenrechter van de afdeling privaatrecht van de Rechtbank deze vordering toegewezen onder verbeurte van een dwangsom van – kort gezegd – € 5.000 per dag tot een maximum van € 500.000 is bereikt. Hierbij heeft de voorzieningenrechter aannemelijk geacht dat belanghebbende en [A] een bankrekening bij de KB-Lux hebben (gehad).
2.29.
In een brief van 26 november 2013 heeft de heer [G] , inspecteur van politie en werkzaam bij de afdeling communicatie van de politie-eenheid Noord-Nederland het volgende geschreven:“Hierbij verklaar ik, [G] , inspecteur van Politie, dat de mij bekende [X] , wonende [a-straat 1] te [Z] , op of omstreeks zaterdag 3 oktober 1981 aangifte heeft gedaan van vermissing van het op zijn naam staand paspoort. Tevens maakte hij melding van vermissing van zijn rijbewijs en het kentekenbewijs van zijn auto.Deze documenten waren enkele dagen ervoor vermoedelijk ontvreemd in [F] , maar omdat vermissing van een paspoort moest worden gedaan bij de politie van de eigen woongemeente, heeft hij aan het politiebureau in Grootegast aangifte gedaan. Ik heb daarvan een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift ter beschikking werd gesteld van de gemeente Grootegast.Ik was destijds postcommandant der Rijkspolitie in Grootegast en woonde naast het politiebureau. Vandaar dat [X] met mij een afspraak heeft gemaakt.Hoewel lang geleden, kan ik mij deze aangifte nog herinneren, omdat ik met hem een geanimeerd gesprek heb gevoerd over een mij bekend familielid [X] , die ook bij de politie werkte.Aldus naar waarheid verklaard voor wat betreft de aangifte. De exacte datum weet ik niet meer, maar het kan heel goed zo rond 3 oktober zijn geweest. De relatie met het tijdstip van de Rodermarkt weet ik nog. Het was in ieder geval in de eerste jaren dat ik werkzaam was in Grootegast. Ik ben daar op 1 oktober 1979 begonnen.”
2.30.
Belanghebbende en [A] hebben op 2 december 2013 de KB-Lux bezocht met het verzoek om nadere stukken met betrekking tot de bankrekening [00000] . Bij brief van 12 december 2013, gericht “” en betreffende “” bericht de KB-Lux als volgt:“Wij berichten goede ontvangst van uw brief van 2 december 2013.Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken. Om die reden voeren wij, afgezien van de bovenvermelde informatie, geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen reglement der verrichtingen.”.
2.31.
Bij brief van 16 december 2013 heeft belanghebbendes toenmalige advocaat de KB-Lux verzocht te laten weten of belanghebbende en [A] ooit cliënt zijn geweest bij de KB-Lux. Verder heeft belanghebbendes toenmalige advocaat verzocht om in het voorkomende geval een bewijs van opzegging van de bewuste bankrekening te overleggen.
2.32.
In reactie op het onder 2.31 genoemde verzoek, berichtte de KB-Lux bij brief van 22 januari 2014, gericht “” en betreffende “” het volgende:“Naar aanleiding van uw verzoek bevestigen wij u hierbij dat de rekening nr. [00000] in onze boeken werd afgesloten op datum van 22 februari 2002.Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken. Om die reden voeren wij, afgezien van de bovenvermelde informatie, geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen regelement der verrichtingen.”.
2.33.
Bij arrest van 8 april 2014 heeft dit Hof (afdeling civiel recht) het bij 2.28 genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van de Rechtbank bekrachtigd.
2.34.
Op 27 januari 2015 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden, waarbij belanghebbende en [A] zijn gehoord. Hiervan heeft de Inspecteur een verslag opgemaakt, dat hij bij brief van 13 februari 2015 aan belanghebbende heeft gezonden. Belanghebbende heeft hierop bij brief van 20 februari 2015 gereageerd.
2.35.
Bij brief van 25 september 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving gestuurd inzake de uitspraken op de bezwaren gericht tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1997 en de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 alsmede de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1991 tot en met 1998. Hierbij heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij de zogenoemde factor van 1,5 in de schattingen zal laten vervallen en de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig zal verminderen. Daarnaast heeft de Inspecteur meegedeeld dat hij de verhogingen en de boete vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal verminderen met 20%.
2.36.
Overeenkomstig de bedoelde kennisgeving (2.35) heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 9 oktober 2015 de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1997 en de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 alsmede de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1991 tot en met 1998 verminderd en de daarbij opgelegde verhogingen en boete gedeeltelijk kwijtgescholden c.q. verminderd.
2.37.
Belanghebbende heeft op 15 juni 2016 een klacht ingediend bij de Inspecteur wegens het uitblijven van de uitspraken op bezwaar gericht tegen de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1999 en 2000. Hierbij heeft belanghebbende een afschrift van het bij 2.26 bedoelde bezwaarschrift van 12 oktober 2004 gevoegd.
2.38.
Nadat belanghebbende op 2 september 2016 tevergeefs naar het belastingkantoor was gekomen voor een geplande afspraak, heeft op 9 september 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Inspecteur. De Inspecteur heeft voorgesteld om de uitkomst van de procedure over voorgaande jaren toe te passen op de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1999 en 2000. Belanghebbende heeft dit voorstel niet geaccepteerd.
2.39.
Bij uitspraken op bezwaar van 7 december 2016 heeft de Inspecteur de bezwaren gericht tegen navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1999 en 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hierbij is de Inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende zijn bezwaarschrift van 12 oktober 2004 eerst op 15 juni 2016 heeft ingediend.
2.40.
De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1999 en 2000 en de daarbij opgelegde boetebeschikkingen ambtshalve verminderd. Hierbij heeft de Inspecteur de zogenoemde factor van 1,5 in de schattingen laten vervallen en de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft de Inspecteur de boeten vanwege de overschrijding van de redelijke termijn verminderd met 20%.
2.41.
De Inspecteur heeft de (navorderings)aanslagen in de IB/PVV bij voormelde uitspraken op bezwaar dan wel bij voormelde ambtshalve verminderingen na toepassing van de hierna te vermelden correcties vastgesteld naar de volgende belastbare inkomens (bedragen in ƒ):
4

colA

colB

colC

colD

Jaar

Belastbaar inkomen volgens definitieve aanslag/aangifte

Correctie

Belastbaar inkomen

1990

12.500

29.421

41.921

1991

14.500

27.368

41.868

1992

16.000

27.221

43.221

1993

19.255

26.987

46.242

1994

13.580

19.565

33.145

1995

17.463

20.651

38.114

1996

21.784

23.965

45.749

1997

16.967

25.667

42.634

1998

18.719

24.141

42.860

1999

52.753

35.523

88.276

2000

80.880

66.958

147.838

2.42.
De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen in de VB bij voormelde uitspraken op bezwaar dan wel bij voormelde ambtshalve verminderingen na toepassing van de hierna te vermelden (afgeronde) correcties vastgesteld naar de volgende belastbare sommen (bedragen in ƒ):
3

colA

colB

colC

Jaar

Correctie

Belastbare som

1991

416.000

416.000

1992

426.000

426.000

1993

426.000

426.000

1994

463.000

463.000

1995

458.000

458.000

1996

476.000

476.000

1997

538.000

538.000

1998

644.000

644.000

1999

715.000

715.000

2000

633.000

633.000

2.43.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 14 november 2017 de (navorderings)aanslagen in de IB/PVV over 1990 tot en met 2000 gehandhaafd op de onder 2.41 vermelde bedragen. De navorderingsaanslagen in de VB over 1991 tot en met 2000, en dienovereenkomstig de daarbij behorende beschikkingen heffingsrente, zijn, omdat ten onrechte geen rekening was gehouden met de belastingvrije bedragen en de belastingschulden, verminderd naar de volgende belastbare sommen (bedragen in ƒ):
3

colA

colB

colC

Jaar

Belastbaar vermogen

Belastbare som

1991

405.000

288.000

1992

403.000

283.000

1993

390.000

265.000

1994

413.000

277.000

1995

397.000

237.000

1996

403.000

240.000

1997

452.000

286.000

1998

544.000

303.000

1999

601.000

355.000

2000

498.000

248.000

2.44.
Voorts heeft de Rechtbank de verhogingen bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1990 tot en met 1992 en bij de navorderingsaanslagen in de VB over 1991 tot en met 1993 overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur geheel kwijtgescholden. De verhogingen en boeten bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1993 tot en met 1999 en bij de navorderingsaanslagen in de VB over 1994 tot en met 2000 zijn verminderd (bij verhogingen: kwijtgescholden) tot op 72 percent van de respectieve boetegrondslagen over de betreffende jaren. De Rechtbank heeft een vermindering c.q. kwijtschelding van 10 percent toegepast omdat de navorderingsaanslagen zijn berekend met toepassing van de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank een verdere vermindering c.q. kwijtschelding toegepast van 20 percent, en de verhogingen en boeten aldus verminderd tot op 72 percent. De Rechtbank heeft verder de Minister voor Rechtsbescherming en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor een bedrag van respectievelijk € 500 en € 5.500, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ter zake van het beroep ten bedrage van in totaal € 1.485, te betalen aan de rechtsbijstandverlener.
2.45.
In hoger beroep heeft de Inspecteur, als bijlage bij zijn verweerschrift, stukken overgelegd met betrekking tot de onder 2.5 vermelde bankrekeningen, die naar aanleiding van een namens de Staatssecretaris van Financiën door Belastingdienst/Central Liaison Office op 13 april 2017, in het kader van Richtlijn 2011/16/EU, gedaan verzoek door KB-Lux zijn overgelegd. Deze stukken zien op:- afschriften van “STAAT VAN TEGOEDEN EN VERBINTENISSEN” ter zake van rekeningnummer [00000] , met de standen ultimo 1998 tot en met 2001 van de onderliggende effecten en contanten;- afschriften van overzichten ter zake van rekeningnummer [00000] , met betrekking tot de periode 1 januari 1994 tot 22 februari 2002, met onder meer standen, overboekingen, opnamen en ontvangen rentevergoedingen; en- afschriften van correspondentie tussen de toenmalige advocaat van belanghebbende en de KB-Lux, waaronder die onder 2.30 tot en met 2.32 vermeld, en tussen belanghebbende en [A] met de KB-Lux.
2.46.
Bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur een overzicht gevoegd van de op basis van de door de KB-Lux verstrekte informatie berekende werkelijk ontvangen renten en werkelijk aangehouden buitenlandse vermogens. In het overzicht is ook een schatting vermeld van de vóór 1 januari 1994 ontvangen renten en aangehouden vermogens en het daarbij gehanteerde rentepercentage. Het overzicht luidt als volgt (bedragen in ƒ):
5

colA

colB

colC

colD

colE

Overzicht rente

Rentepercentage

werkelijk

geschat

werkelijk

geschat

1990

14.462,05

5,50

1991

15.257,47

5,50

1992

16.096,63

5,50

1993

16.981,94

5,50

1994

17.054,23

5,24

1995

15.994,48

4,50

1996

15.283,77

3,80

1997

18.420,17

3,86

1998

17.739,84

3,52

1999

13.750,00

2,46

2000

18.714,57

4,13


Overzicht vermogen

werkelijk

geschat

1-1-1990

262.946,45

1-1-1991

277.408,50

1-1-1992

292.665,97

1-1-1993

308.762,60

1-1-1994

325.744,54

1-1-1995

355.736,11

1-1-1996

402.063,20

1-1-1997

477.288,90

1-1-1998

503.603,90

1-1-1999

557.955,80

1-1-2000

453.084,45

2.47.
De Inspecteur heeft vóór de zitting van het Hof een exemplaar van het onder 2.45 genoemde verzoek van 13 april 2017 overgelegd. Bij dit verzoek was als bijlage een lijst gevoegd met namen en rekeningnummers zoals vermeld op de microfiches inzake KB-Lux, waarvoor het betreffende verzoek is gedaan, waaronder de naam van belanghebbende en [A] en rekeningnummer [00000] .
3

3.1.
In geschil is of de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 1999 en VB over de jaren 1991 tot en met 2000 terecht zijn opgelegd en of de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 tot het juiste bedrag is opgelegd. Voorts is in geschil of de verhogingen en boeten bij de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over 1993 tot en met 1999 en bij de navorderingsaanslagen in de VB over 1994 tot en met 2000 terecht zijn opgelegd. Tevens is in geschil of de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase op het juiste bedrag is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover deze ziet op de (veroordeling in de) vergoeding van immateriële schade en het griffierecht, tot vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslagen, de verhogingen en boeten, en tot vermindering van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000. Tevens verzoekt belanghebbende om vergoeding van kosten voor een in eerste aanleg opgesteld accountantsrapport.
3.3.
De Inspecteur beantwoordt deze vragen bevestigend en concludeert – in verband met de navolgende verminderingen van de (navorderings)aanslagen, verhogingen en boeten – tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de (navorderings)aanslagen, en dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente, verhogingen en boeten. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift (en in de bijgevoegde Excelbestanden) in hoger beroep de navolgende cijfermatige conclusies verbonden aan de onder 2.46 vermelde gegevens. Daarbij dient vermeld te worden dat de Inspecteur ter zitting van het Hof desgevraagd heeft verklaard dat hij bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 ten onrechte mede een omzetcorrectie heeft aangebracht. Als uitgangspunt voor dit jaar dient volgens de Inspecteur het in de aangifte aangegeven belastbare inkomen van ƒ 80.880 (in tegenstelling tot het in het overzicht genoemde bedrag van ƒ 115.014) te worden genomen. De (navorderings)aanslagen, en in verband daarmee de daarbij opgelegde verhogingen en boeten, dienen te worden verminderd tot belastingaanslagen berekend naar de volgende belastbare inkomens en sommen (bedragen in ƒ):
IB/PVV

VB

6

colA

colB

colC

colD

colE

colF

Belastbaar inkomen volgens definitieve aanslag/aangifte

Correctie rente

Extra rentevrijstelling

Kosten

Vast te stellen belastbaar inkomen

1990

12.500

14.462

26.962

1991

14.500

15.257

29.757

1992

16.000

16.096

32.096

1993

19.255

16.981

36.236

1994

13.580

17.054

-/- 63

30.571

1995

17.463

15.994

-/- 1.000

-/- 105

32.352

1996

21.784

15.283

-/- 188

-/- 105

36.774

1997

16.967

18.420

-/- 106

35.211

1998

18.719

17.739

-/- 86

36.372

1999

52.753

13.750

-/- 265

66.238

2000

80.880

18.714

-/- 1.000

-/- 260

98.334

3

colA

colB

colC

Jaar

Belastbaar vermogen

Belastbare som

1991

272.000

155.000

1992

280.000

160.000

1993

289.000

164.000

1994

297.000

161.000

1995

318.000

158.000

1996

356.000

193.000

1997

423.000

257.000

1998

440.000

199.000

1999

484.000

238.000

2000

371.000

121.000

overwegingen

4

Vooreerst en vooraf

4.1.
De Inspecteur heeft in hoger beroep een geschoonde versie overgelegd van het – onder 2.47 genoemde – verzoek. In de overgelegde begeleidende brief van 13 april 2017 zijn de persoonsnamen van de ambtenaar of ambtenaren van de Belastingdienst/Central Liaison Office en die van de ambtenaar van de Luxemburgse autoriteiten aan wie de brief is geadresseerd, weggelakt. Evenmin zijn in de genoemde bijlage de namen en rekeningnummers van andere belastingplichtigen prijsgegeven. Nu deze stukken dienen te worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), diende de Inspecteur de ongeschoonde versies van deze stukken in het geding te brengen. Hoewel de Inspecteur zich niet expliciet heeft beroepen op artikel 8:29 van de Awb, begrijpt het Hof hieruit dat de Inspecteur met een beroep op voormeld artikel weigert de ongeschoonde versie van deze stukken te overleggen. Om proceseconomische redenen verwijst het Hof de onderhavige procedures niet naar de geheimhoudingskamer, maar oordeelt het Hof dat de Inspecteur daarmee het voorschrift van artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden. Op de voet van artikel 8:31 van de Awb kan het Hof daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder het belang van – in dit geval – het ongeschoond overleggen van de stukken voor de waarheidsvinding. De omstandigheid dat een inspecteur weigert een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk ongeschoond over te leggen, is niet als zodanig steeds een dusdanig ernstige schending van de rechtsorde dat deze handelwijze op zichzelf reeds voldoende aanleiding kan zijn de in geschil zijnde belastingaanslag te vernietigen (vgl. HR 18 december 2015, nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600). Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij door het niet ongeschoond overleggen van de betreffende stukken in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. In het onderhavige geval acht het Hof belanghebbende, gelet op de aard van de niet-prijsgegeven gegevens, namelijk enkel de namen van ambtenaren en gegevens van derden, ook niet ernstig geschaad in zijn verdedigingsbelang. Het belang van de niet-prijsgegeven gegevens is in het licht van de beoordeling van de voorliggende rechtsvragen niet groot. Gelet op het voorgaande gaat het Hof voorbij aan het verzuim.
Inhoudelijk

4.2.
De Inspecteur stelt dat belanghebbende gerechtigd is geweest tot de op de microfiche genoemde bankrekeningen bij de KB-Lux. Belanghebbende bestrijdt dat. De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn stelling onder meer gewezen op de gegevens op de microfiche (zie 2.5) alsmede op het proces-verbaal van identificatie dat op 7 oktober 2002 is opgemaakt door [C] (zie 2.7), waaruit volgt dat in het BVR-bestand van de Belastingdienst de combinatie ‘’ slechts eenmaal voorkomt en wel in het geval van belanghebbende en [A] . In zijn op 5 augustus 2013 opgemaakte proces-verbaal (zie 2.27) komt [C] tot een bevestiging van deze conclusie. Voorts heeft de Inspecteur gewezen op de door KB-Lux verstrekte gegevens (zie 2.45).
4.3.
Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hij niet gerechtigd is geweest tot de bankrekeningen, maar dat derden de betreffende rekeningen voor eigen rekening hebben geopend op zijn naam en die van [A] . Volgens belanghebbende is er sprake van identiteitsfraude. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard de juistheid van de – onder 4.2. genoemde – stukken die de Inspecteur heeft overgelegd niet te betwisten en niet te bestrijden dat de op de microfiche en de andere stukken vermelde namen hemzelf en [A] betreffen.
4.4.
Het Hof overweegt dienaangaande dat gelet op de bevindingen in het proces-verbaal van identificatie en de gegevens op de microfiche, welke bevindingen en gegevens belanghebbende als zodanig niet betwist, het (bewijs)vermoeden is gerechtvaardigd, dat belanghebbende gerechtigd is geweest tot de bankrekeningen bij de KB-Lux. Het Hof heeft belanghebbende ter zitting dit bewijsvermoeden voorgehouden en hem in de gelegenheid gesteld het vermoeden te ontzenuwen.
4.5.
Belanghebbende heeft daartoe nogmaals naar voren gebracht dat sprake zou zijn van identiteitsfraude en daarbij gesteld dat zijn paspoort en dat van [A] in 1980 of 1981 zijn gestolen en toen moeten zijn gebruikt voor het openen van de bankrekeningen bij de KB-Lux.
4.6.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende hiermee het bewijsvermoeden niet ontzenuwd. Het tijdstip waarop de bankrekeningen zijn opgeheven, 22 februari 2002, een paar dagen voordat de tijd verstreek die belanghebbende door de controle-ambtenaren was gegund om gegevens op de vragen bij buitenlandse bank(en), namelijk tot 27 februari 2002, maakt de verklaring van belanghebbende niet op voorhand geloofwaardig. De stelling dat hij het slachtoffer is geworden van identiteitsfraude heeft belanghebbende bovendien alleen geadstrueerd met stukken over wat in het algemeen mogelijk is met vervalste paspoorten. Het Hof acht het niet waarschijnlijk dat derden met gebruikmaking van de identiteitsgegevens van belanghebbende en [A] onderhavige bankrekeningen hebben geopend bij de KB-Lux. Bij dit oordeel heeft het Hof onder meer de in rechtsoverweging 3.9 van het – onder 2.33 vermelde – arrest van de civiele kamer van dit Hof van 8 april 2014 genoemde overwegingen betrokken. In dit arrest heeft het Hof overwogen:“- Het ligt niet voor de hand dat iemand die op naam van een ander een rekening wil openen de rekening opent op naam van twee personen. Er dienen zich dan twee personen (een man en een vrouw) te identificeren met een vals paspoort, waardoor het risico op ontdekking groter wordt;- Het op naam van een ander openen van een rekening bergt het risico in zich dat de ander zich over het saldo van de op zijn naam staande rekening ontfermt;- Een paspoort heeft een beperkte geldigheidsduur. De geldigheidsduur van de in 1981 gestolen paspoorten - er veronderstellenderwijs van uitgaand dat ook het paspoort van [A] is gestolen - was in 2002, toen de rekening(en) werd(en) opgeheven, al minimaal 11 jaar verstreken. Degenen die gebruik hebben gemaakt van de paspoorten van [X] c.s. om op hun naam een of meer bankrekeningen aan te houden, moeten de paspoorten opnieuw hebben vervalst om de rekening(en) te kunnen opheffen dan wel het risico hebben gelopen door de bank te worden geweigerd vanwege het ontbreken van een geldig paspoort. Het plegen of gebruikmaken van identiteitsfraude om een buitenlandse bankrekening aan te houden, is ook om die reden in de onderhavige situatie weinig aantrekkelijk;- Iemand die anoniem wilde blijven kon, naar de Belastingdienst onbestreden heeft aangevoerd, ook een coderekening openen dan wel zich bedienen van een zogenoemde "facuy-name". Dat iemand de hiervoor vermelde risico’s en het risico van het plegen van identiteitsfraude wilde nemen om geld bij een Luxemburgse bank onder te brengen, is dan ook uiterst onwaarschijnlijk.”.Hetgeen belanghebbende in de onderhavige procedure verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
4.7.
Nu belanghebbende het door het Hof geuite vermoeden niet heeft ontzenuwd, zal het Hof ervan uitgaan dat belanghebbende in de onderhavige jaren gerechtigd was tot de bankrekeningen bij de KB-Lux.
Ter zake van de belastingaanslagen

4.8.
De Inspecteur heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de onderhavige (navorderings)aanslagen dienen te worden verminderd tot belastingaanslagen berekend naar de onder 3.3 vermelde belastbare inkomens en sommen. Deze bedragen zijn gebaseerd op de door de KB-Lux – onder 2.45 genoemde – verstrekte gegevens. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard deze gegevens noch de door de Inspecteur aan de hand daarvan opgestelde Excelbestanden te betwisten. Ook heeft belanghebbende de daaruit getrokken cijfermatige conclusies voor de onderhavige belastingaanslagen inhoudelijk niet bestreden en evenmin betwist dat deze gegevens de bankrekeningen betreffen ter zake waarvan het Hof hiervoor heeft geoordeeld dat belanghebbende daartoe gerechtigd was. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de door de KB-Lux verstrekte gegevens niet mogen worden gebruikt (zie hierna onder 4.10), maar het Hof heeft deze gegevens voor zijn oordeel over de gerechtigdheid ook niet gebruikt. Nu de uit deze gegevens te trekken cijfermatige conclusies bovendien in het voordeel zijn van belanghebbende gaat het Hof, gelet op al het voorgaande, uit van de door de Inspecteur voor de onderhavige jaren berekende belastbare inkomens en sommen. Daarbij overweegt het Hof met betrekking tot de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 dat belanghebbende ter zitting van het Hof desgevraagd heeft verklaard dat zijn grief ter zake van het ten onrechte aanbrengen van een omzetcorrectie voor dit jaar niet (meer) geldt, nu de Inspecteur ter zitting heeft verklaard dat als uitgangspunt voor dit jaar het in de aangifte aangegeven belastbare inkomen van ƒ 80.880 dient te worden genomen.
4.9.
Belanghebbende heeft gesteld dat er door de Inspecteur grote druk is toegepast door middel van de dwangsomprocedures, naar het Hof begrijpt, daarmee doelend op de