Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:5560

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 08-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:5560, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-006847-15


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:5560:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006847-15 Uitspraak d.d.: 8 juli 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 november 2015 met parketnummer 16-705233-14 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,thans verblijvende in PI [gemeente] - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 augustus 2018, 14 november 2018, 19 februari 2019 en 24 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.E. van der Werf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij vonnis van 17 november 2015 door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , kort gezegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van het voorarrest, wegens het medeplegen van een poging tot moord (feit 1) en het voorhanden hebben van een wapen van categorie II of III en het voorhanden hebben van munitie (feit 2). De vordering van de benadeelde partij is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 22.609,77 met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft voorts een beslissing genomen ten aanzien van verschillende inbeslaggenomen goederen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere kwalificatie en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

1.hij op of omstreeks 27 juni 2014 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans éénmaal, met een vuurwapen op die [benadeelde] heeft/hebben geschoten, waarbij één of meerdere kogel(s) in het lichaam van die [benadeelde] is/zijn gedrongen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.
2.hij op of omstreeks 27 juni 2014 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie II en/of III en/of munitie van categorie II en/of III voorhanden heeft/hebben gehad.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

overwegingen

Overwegingen over het bewijs van de feiten

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor beide aan hem ten laste gelegde feiten. Hij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij zich, als het gaat om de bewezenverklaring en motivering daarvan, kan vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Voor de belastende bewijsmiddelen heeft verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven.

Dat er sprake is van medeplegen volgt uit de gezamenlijke uitvoering van de poging tot liquidatie door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Een wezenlijk onderdeel van de aanslag op het leven van het slachtoffer was dat diens auto tot stoppen moest worden gedwongen, waarna verdachte zijn deel van het feit voor zijn rekening kon nemen. De uitvoering begon dus al met het door de medeverdachte klemrijden van het slachtoffer. De medeverdachte is bovendien op zeer korte afstand ter plaatse gebleven, zodat verdachte na het uitstappen en schieten snel weer kon instappen.

Over de bewezenverklaring van de voorbedachte raad heeft de advocaat-generaal het volgende aangevoerd. Het delict kan worden aangemerkt als een poging tot liquidatie. Dit is een feit dat in zijn aard grondig wordt voorbereid. Verdachten reden in een gestolen BMW met daarop niet bij de auto behorende maar eveneens gestolen nummerplaten. Dit duidt erop dat ook de medeverdachte, die optrad als chauffeur, van de hoed en de rand wist. Er is geen enkele aanwijzing dat beide verdachten toevalligerwijs in de buurt van de woning van het slachtoffer waren en van een toevallige ontmoeting gebruik hebben gemaakt om hem van het leven trachten te beroven. Het kan niet anders dan dat beide verdachten het slachtoffer hebben opgewacht. Niet gebleken is van enige contra-indicatie waaruit opgemaakt zou moeten worden dat verdachten niet voldoende tijd hadden om zich te beraden op het te nemen of voorgenomen besluit.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de aan hem ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte vanaf het begin consequent en fanatiek ontkend heeft. Verdachte stelt dat hij tijdens het hardlopen in Frankrijk aangereden is en dat zijn verwondingen niet bij de tenlastegelegde poging tot moord zijn ontstaan. Het DNA-spoor op de sleutelhanger die is gevonden op de plaats delict kan niet leiden tot de conclusie dat verdachte de schutter is geweest. De belastende verklaring van de moeder van de medeverdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Hieronder zullen deze verweren zo nodig uitvoeriger worden weergegeven.

De raadsman heeft tot slot aangevoerd dat het opvallend is hoeveel bewijs en hoeveel ‘te verwachten sporen’ ontbreken. Zo zijn er geen biologische sporen van verdachte op de plaats delict aangetroffen. Dit is opvallend omdat de schutter blijkbaar ernstig gewond is geraakt. Bij verkeersongevallen blijven altijd bloed- en DNA-sporen achter. De BMW en het vuurwapen zijn zoek, waardoor hieraan geen onderzoek kan worden gedaan. De kleding die verdachte droeg in Frankrijk klopt niet met de kleding van de schutter, terwijl het hoogst onwaarschijnlijk is dat hij zich met zijn verwondingen kan hebben omgekleed. Op zijn kleding zijn bovendien geen sporen van het delict aangetroffen. Niet bekend is hoe verdachte – als hij de schutter zou zijn – in Frankrijk terecht is gekomen. Niet vastgesteld is dat verdachte enige beloning heeft ontvangen. Het motief van verdachte is nooit gebleken.

Oordeel hof






Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder zijn weergegeven en later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewijsmiddelen

Het hof gaat op grond van wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden, waarbij wordt opgemerkt dat de weergegeven feiten en omstandigheden slechts gebezigd worden tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

Het schietincident

Op 27 juni 2014 omstreeks 11.15 uur vond in de [straat 1] te [plaats 1] een schietincident plaats. De persoon op wie geschoten werd, betrof de heer [benadeelde] ().

Mevrouw [getuige 1] was getuige van het incident. Zij bevond zich in haar slaapkamer aan de straatkant van de [straat 1] toen zij twee auto’s op elkaar hoorde knallen. De auto’s waren een Golf, die zij meende te herkennen als de auto die hoort bij de woning aan het begin van de straat, en een grijze BMW. Zij zag dat uit de grijze BMW een man stapte die naar de Golf liep. De man stapte uit de BMW vanaf de bijrijderskant en was gekleed in het zwart. Deze man had iets ronds, waar een soort buis aan vastzat, in zijn handen. [getuige 1] zag dat de man dat ding wat hij vasthad tegen het autoraam van de Golf zette. Zij hoorde dat er minimaal twee keer werd geschoten. Getuige is toen naar beneden gerend. Zij zag dat beide auto’s heel hard doorreden in de richting van de hoek van de straat, in de richting van de [straat 2] . Toen hoorde zij de BMW opnieuw de [straat 1] inrijden. De BMW reed naar de geparkeerde witte auto. Zij zag dat er een man op de grond lag. Deze man was in het zwart gekleed. Hij lag in het gras bij de geparkeerde witte auto. De man had een blanke huidskleur. Zij zag dat de bestuurder van de BMW uitstapte. De bestuurder sleurde de man die op de grond lag in de BMW en legde hem op de achterbank. Zij zag dat de BMW vervolgens hard achteruit reed, weer in de richting van de [straat 5] . De getuige is samen met haar vader naar buiten gelopen. Daar waar de man had gelegen zag zij een sleutel in het gras liggen.

Verbalisanten troffen aangever aan op het perceel [adres] . Op de kleding van aangever, ter hoogte van de buik, zat een grote bloedvlek. Een verbalisant zag voorts dat er op de rechterarm een grote bloedvlek zat. In de ambulance verklaarde aangever dat hij door de daders klemgereden was en dat een van de daders uitgestapt was. Deze dader beschoot aangever met een automatisch wapen. Aangever heeft deze persoon aangereden, waardoor de dader ten val kwam.

Uit de geneeskundige verklaring betreffende aangever blijkt dat aangever schotwonden in de borstkas, hals, rechterarm, buik en linkerbovenarm had. Er moest een uitgebreide operatie plaatsvinden wegens de schotwonden. Er was sprake van bloedverlies in de buik. Er zijn vier kogels het lichaam ingegaan, drie kogels zijn verwijderd.

Bevindingen (forensisch) onderzoek

De auto van aangever – een grijze Volkswagen Polo voorzien van kenteken [kenteken 1] – is onderzocht. Er werden elf schotbeschadigingen aangetroffen in de voorruit van de auto en één in de deurstijl. Het linkervoorportier, het linkerachterportier, het linkervoorscherm en de linkerbuitenspiegel waren beschadigd. De deuk aan het linkervoorscherm was waarschijnlijk door een ander object veroorzaakt dan de schade aan het portier.

Bij het incident is ook een geparkeerde auto – een witte Peugeot – beschadigd geraakt. Gelet op de verklaring van aangever [benadeelde] dat hij de schutter aangereden heeft en de getuigenverklaring van [getuige 1] dat er een man op de grond achter de witte Peugeot lag en deze vervolgens in de BMW werd geladen, is ook de schade van deze auto onderzocht. De schade aan de Peugeot was geconcentreerd aan de linkerachterzijde. De achterbumper van het voertuig was niet meer aanwezig. Aan het linkerachterscherm was een indeuking van het plaatmateriaal aanwezig.

Op 9 juli 2014 hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een schade-inpassingsonderzoek verricht. Uit de aangetroffen schade aan de Volkswagen Polo en de Peugeot 106, bleek dat niet alle schade als gevolg van contact tussen beide voertuigen was veroorzaakt. De indeukingen van het linkervoorscherm van de Volkswagen en het linkerachterscherm van de Peugeot hingen hier niet mee samen. De meest waarschijnlijke plaats waar de schutter tussen de voertuigen gestaan moet hebben, werd op basis van de schade geïnterpreteerd als op de locatie van de twee voornoemde indeukingen. De deuk aan het linkervoorscherm van de Volkswagen kwam overeen met de vorm van het linkerbeen van verbalisant [verbalisant 1] . Tijdens een aanrijding zal een menselijk lichaam en het plaatwerk onderhavig aan de krachten indrukken. Het is aannemelijk dat de persoon die ertussen gestaan heeft ernstig beenletsel zal hebben opgelopen.

Op de plaats delict werden negen 7.65 mm hulzen en één kogelfragment aangetroffen. De aangetroffen hulzen waren allen voorzien van een gelijksoortige bodemstempel en rode verf op het slaghoedje. De waargenomen overeenkomsten tussen sporen in de hulzen passen goed bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten. De vorm en de ligging van de systeemsporen in de hulzen vertonen sterke gelijkenis met die van een machinepistool van het type Skorpion.

De sleutelbos die werd aangetroffen in de grasstrook naast het rechter achterwiel van de witte Peugeot is veiliggesteld (SIN-nummer [SIN-nummer 1] ) en nader onderzocht. Verbalisant [verbalisant 3] kreeg het verzoek om de herkomst dan wel het bijbehorende voertuig te achterhalen aan de hand van de op de plaats delict aangetroffen autosleutel van het merk Renault. Hierop is hij naar de Renault-dealer in [plaats 2] gegaan. De sleutel werd middels een technisch hulpmiddel uitgelezen, waarna verbalisant zag dat de sleutel behoorde bij een auto voorzien van chassisnummer [chassisnummer] , zijnde een Renault Clio. Na het invoeren van dit chassisnummer in de database van de importeur van de Renault bleek dat het nummer hoorde bij een bordeauxrode Renault Clio voorzien van kenteken [kenteken 2] . Uit onderzoek bleek dat dit kenteken was afgegeven aan [getuige 2] (de moeder van medeverdachte [medeverdachte] ).

Het van de sleutelbos veiliggestelde onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek. Op de sleutelhanger ( [SIN-nummer 2] ) werd een DNA-mengprofiel aangetroffen dat past bij minimaal twee mannen, te weten medeverdachte [medeverdachte] en verdachte. Een monster van hetzelfde object ( [SIN-nummer 3] ) bevatte een DNA-profiel dat past bij de medeverdachte. Deze bevindingen van het DNA-onderzoek zijn waarschijnlijker als het DNA-profiel dat is aangetroffen van verdachte respectievelijk de medeverdachte is, dan dat het van een willekeurige andere persoon is, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.

Bevindingen BMW en kenteken

Verbalisant [verbalisant 4] relateert dat bij het schietincident door de daders gebruik is gemaakt van een grijze BMW met sportvelgen en een dakraam. De Generalist Voertuigcriminaliteit verklaart dat de auto op beschikbare beelden sprekend lijkt op een 335 M-sportedition. Een auto van dit type is gestolen op 17 februari 2014. De aangever van deze diefstal, [betrokkene 1] , verklaart zeker te weten dat zijn auto de enige BMW was van dat type met deze velgen. Over de auto op de getoonde foto verklaart [betrokkene 1] dat hij denkt dat dit zijn auto is. Hij baseert dit op de velgen.

Verbalisant [verbalisant 5] relateert op 27 juni 2014 rond 11.10 uur in de [straat 1] in [plaats 1] een grijze BMW te hebben gezien. Kort daarvoor had hij meerdere korte, snel opvolgende geluiden achter elkaar gehoord. Hij zag dat een man zwarte spullen in de auto gooide. Het gevoel van de getuige was dat hij iemand in de auto duwde omdat hij in die richting bleef schreeuwen. De auto had kenteken [kenteken 3] .

Verbalisanten relateren op 27 juni 2014 gesproken te hebben met [betrokkene 2] , de houder van het voertuig met kenteken [kenteken 3] . Deze vertelde dat het voertuig op zijn werk stond en hij op dat moment daadwerkelijk zicht had op dit voertuig. Hij vertelde dat op 23 juni 2014 zijn kentekenplaten gestolen waren.

Bevindingen camerabeelden woning aangever

Verbalisant [verbalisant 6] beschrijft de beelden van het camerasysteem geïnstalleerd op de woning van aangever op het adres [adres] in [plaats 1] . Tussen 11:05:18 en 11:05:30 uur is te zien dat de personenauto waarin aangever is gestapt eerst achteruit rijdt en dan de [straat 1] in rijdt. Tussen 11:06:15 en 11:06:45 uur komt deze auto weer terug en stopt voor de woning van aangever. Aangever stapt uit. Een andere verbalisant heeft geconstateerd dat de klok van dit camerasysteem 9 minuten en 42 seconden achterloopt op de tijd van de website www.wereldklok.nl.

Verklaringen [getuige 2] (moeder medeverdachte [medeverdachte] )

Op 25 juli 2014 is [getuige 2] als getuige gehoord. Zij heeft als volgt verklaard:

“Ik wil maar een ding zeggen. [medeverdachte] is betrokken bij die liquidatie in [plaats 1] . Dat heeft hij mij zelf verteld. [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ) heeft een kleine rode auto, een Renault. Die auto heeft hij in gebruik, maar die auto staat op mijn naam. U vertelt mij dat de liquidatiepoging in [plaats 1] op vrijdagochtend 27 juni 2014 heeft plaatsgehad. Die dag was ik aan het werk. [medeverdachte] lag nog te slapen toen ik naar mijn werk ging, om ongeveer 07.00 uur. Toen ik diezelfde dag thuiskwam, rond 13.00 uur was [medeverdachte] er ook. Hij was heel gehaast en gestrest. [medeverdachte] zei dat hij haast had en snel weer weg moest. Zondag 29 juni heeft [medeverdachte] [naam 1] en mij verteld dat hij ervandoor ging. Hij vertelde ons dat hij de chauffeur was bij de liquidatie in [plaats 1] . Ik heb hem gesmeekt om zichzelf aan te geven bij de politie. [medeverdachte] vond dat absoluut geen optie. Hij vertelde mij dat er veel te veel mensen bij betrokken zijn en dat hij zich echt niet zelf aan kon geven. Veel te gevaarlijk. [medeverdachte] vertelde dat hij dus chauffeur was en dat het niet goed was gegaan, want degene die geschoten had, was overreden door degene die beschoten werd. De benen van de schutter waren helemaal kapot. [medeverdachte] heeft de schutter in zijn auto geholpen en heeft hem naar een ziekenhuis in Frankrijk gebracht. Hij heeft hem daar achter de heg gelegd. [medeverdachte] vertelde mij dat de schutter overal bloed had aan zijn benen. [medeverdachte] vertelde ons dat hij met de bus naar Zuid-Spanje wilde en dat hij de rode Renault in Nederland zou laten staan. De avond dat [medeverdachte] ons had verteld zei hij tegen mij dat hij dacht dat ik hem zou gaan verraden. Ik heb hem ook eerlijk gezegd dat die kans er in zat.”
_b6f356e3-83b9-42dd-a4d7-242cb4d0ca47

Op 28 juli is getuige [getuige 2] opnieuw gehoord. Zij heeft toen haar eerdere verklaring in die zin aangevuld dat [medeverdachte] verteld heeft dat hij niet geschoten heeft en dat de benen van de schutter helemaal uit elkaar stonden. Hij was eerst weggereden en toen weer teruggekomen en toen heeft hij de schutter in de auto getrokken. De schutter heeft hij op een landweggetje gelegd.

Verklaring getuige [getuige 3]

Getuige [getuige 3] is op 9 september 2014 gehoord bij de politie en is toen geconfronteerd met een tapgesprek waarin zij tegen een zekere [naam 2] zegt: Zij heeft hierop tegen de politie gezegd dat dat is wat zij gehoord had en dat ze dat van hem zelf gehoord heeft. De getuige heeft voorts verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] tegen haar gezegd heeft dat die jongen met zijn benen zo lag, omdat hij was aangereden.

Aantreffen verdachte in Frankrijk

Op 27 juni 2014, omstreeks 22.00 uur, is verdachte in [plaats 3] (Frankrijk) aangetroffen door een bewoner die zijn hond aan het uitlaten was. Deze persoon heeft verklaard dat hij, toen hij bij de doorgaande weg de [straat 3] , aankwam geschreeuw hoorde. Hij zag dat er in de [straat 4] , aan zijn linkerkant, een persoon lag. Deze persoon had een strakke zwarte loopbroek aan en een T-shirt. De getuige zag dat de rechtervoet verdraaid, dan wel haaks op het onderbeen stond. Hij zag dat het bloed al helemaal gestold was. Het leek alsof de man in een soort stabiele zijligging lag. Zijn benen waren gestrekt en zijn hoofd lag tegen een muurtje aan.

Verdachte werd op 27 juni 2014 omstreeks 23.20 uur binnengebracht op de spoedeisende hulp van een ziekenhuis in [plaats 4] , waar het volgende letsel werd vastgesteld: Letsel aan onderste extremiteit (voet, teen), letsel aan het bovenbeen, meervoudig hevig letsel, letsel aan de enkel, open fractuur en luxatie rechterenkel, open distale tibia fractuur Cauchoix III, luxatie linkerknie, tibiaplateaufractuur, hematoom dijbeen, rechterknie: niet-gedisloceerde fractuur fibulakop.

Onderzoek letsel verdachte

Door forensisch geneeskundige B.F.L. Oude Grotebevelsborg is een rapportage opgesteld inzake het letsel van verdachte. Samengevat had verdachte botbreuken met ontwrichting van de rechterenkel en van de linkerknie met verdenking op kniebandletsel en een breuk van het kuitbeen ter hoogte van de rechterknie, waarvoor hij werd opgenomen in het ziekenhuis in [plaats 4] .

Samengevat kan volgens deze deskundige het geheel van fracturen worden verklaard door een situatie waarin botsend geweld heeft plaatsgevonden op de zijkant van de rechterknie, ter hoogte van het fibulakopje. Dit verklaart de dwarse breuk van het fibulakopje. De breuk van de enkel kan verklaard worden doordat bij deze geweldinwerking torsie op het onderbeen ten opzichte van de gefixeerde rechtervoet optrad. De breuken aan de linkerknie kunnen in deze dynamiek worden verklaard door de gelijktijdig op deze (gestrekte) knie inwerkende ‘variserende’ kracht, waarbij de binnenzijde van de knie wordt samengedrukt en de kniebanden aan de buitenzijde worden uitgerekt, waardoor aan de binnenzijde een ‘samendrukkingsfractuur’ (compressiefractuur) ontstaan en een ‘uitrekkingsfractuur’ (avulsiefractuur) aan de buitenzijde van de knie.

Een scenario waarbij verdachte voor een stilstaande auto zou hebben gestaan, waardoor (met name) zijn rechtervoet gefixeerd was, waarna hij door een andere auto zijwaarts werd aangereden tegen de benen, kan derhalve een goede verklaring vormen voor het geheel aan botbreuken.

Het tweede scenario waarbij verdachte nabij het achterwiel van een stilstaande auto zou hebben gestaan, waarbij hij bekneld raakte nadat een andere auto schuin tegen hem zou zijn aangereden dan wel hij over die auto werd heen gedrukt kan ook een verklaring vormen voor het geheel aan botbreuken.

Een scenario waarbij verdachte als voetganger zou zijn aangereden door een voertuig, zoals tijdens het joggen vormt, gezien het hierbij ontbreken van krachtsinwerking op het been waarbij de voet gefixeerd is, geen goede verklaring voor het geheel aan botbreuken.

Bewijsoverwegingen

Beoordeling betrouwbaarheid getuige [getuige 2]

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [getuige 2] uitgesloten dient te worden van het bewijs omdat deze – kort gezegd – niet betrouwbaar is en onder dubieuze omstandigheden tot stand is gekomen. De getuige was ten tijde van het verhoor depressief en onder invloed van alcohol en medicatie. De verklaring is verder niet ten tijde van het verhoor zelf vastgelegd. De verklaring bevat bovendien veel algemene en onjuiste informatie die zij uit diverse bronnen kan hebben verkregen. Deze verklaring dient dan ook uitgesloten te worden van het bewijs.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat in beginsel – gelet op de wijze van totstandkoming – kritisch gekeken moet worden naar de eerste verklaring die door getuige [getuige 2] bij de politie is afgelegd. De getuige is echter in haar tweede verhoor bij de politie – drie dagen later – geconfronteerd met hetgeen zij tijdens het eerste verhoor verklaard zou hebben. Tijdens dit tweede verhoor is zij grotendeels bij haar eerste verklaring gebleven en heeft zij deze zelfs op verschillende punten aangevuld en verbeterd. Het hof merkt hierbij op dat niet aannemelijk geworden is dat deze getuige op welke wijze dan ook tijdens dit tweede verhoor onder druk is gezet om te verklaren.

Het hof overweegt bovendien dat de getuige in haar eerste verklaring een duidelijk en geloofwaardig motief geeft om een voor haar zoon belastende verklaring af te leggen. Zij heeft verklaard dat zij zeer bezorgd was en dat zij bang was dat haar zoon gevaar liep. In dat verband verklaart zij dat zij ook al met verdachte de mogelijkheid heeft besproken dat zij naar de politie zou gaan. Bij dit motief past het dat de getuige pas vanaf het moment dat haar zoon was aangehouden haar verklaring heeft gewijzigd, waarbij zij overigens ook in haar eerste verklaring bij de rechter-commissaris nog niet heeft gezegd dat haar eerdere verklaringen bij de politie niet in overeenstemming waren met de waarheid.

Gelet op bovenstaande en gezien de omstandigheid dat hetgeen de getuige heeft verklaard steun vindt in en overeenkomt met andere gegevens die in het onderzoek naar voren zijn gekomen, is het hof van oordeel dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] bij de politie als betrouwbaar en geloofwaardig kunnen worden aangemerkt en derhalve kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Het verweer van de raadsman wordt hiermee verworpen.

Voorwaardelijk verzoek heropening onderzoek voor het horen van getuige [getuige 2]

Nu het hof de verklaringen van getuige [getuige 2] voor het bewijs zal bezigen, komt het toe aan het door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoek tot heropening van het onderzoek teneinde getuige [getuige 2] te kunnen horen.

Het hof zal het verzoek toetsen aan het noodzakelijkheidsciterium.

Nu de getuige reeds eerder bij de rechter-commissaris gehoord is over de wijze van totstandkoming van haar eerdere verklaringen bij de politie, haar verklaring daarnaast niet het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit rechtstreeks kan volgen en het hof ook overigens niet de noodzaak ziet om de getuige ter terechtzitting of bij de raadsheer-commissaris te horen, wijst het hof het verzoek af.

Beoordeling letselonderzoek in combinatie met overige bewijsmiddelen

De verdediging heeft aangevoerd dat op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen en de verklaringen van het slachtoffer de exacte toedracht van de aanrijding met de schutter niet kan worden vastgesteld. Überhaupt kan niet met zekerheid vastgesteld worden dat de schutter daadwerkelijk is aangereden. De verkeersongevallenanalyse omschrijft een mogelijk scenario van hoe de aanrijding zou hebben plaatsgevonden, maar dit scenario behoeft niet juist te zijn. Als de verkeersongevallenanalyse het wel bij het juiste eind heeft, dan past verdachte op grond van zijn verwondingen niet binnen dat scenario. Immers, gelet op de conclusie van de deskundige Oude Grotebevelsborg ten aanzien van het letsel, zou verdachte – als hij de schutter was – van achteren zijn aangereden. Het slachtoffer heeft juist verklaard dat de schutter hem aankeek toen hij de schutter aanreed. Het letsel van verdachte is tegengesteld aan het letsel dat de schutter opgelopen zou moeten hebben.

Het hof overweegt dat op basis van de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] vastgesteld kan worden dat de schutter aangereden is en dat hij vervolgens niet meer zelfstandig in de BMW kon geraken. De bestuurder van de BMW heeft hem immers de auto in moeten tillen.

Uit de inhoud van het forensisch geneeskundig rapport van Oude Grote Bevelsborg volgt dat het bij verdachte geconstateerde letsel verklaard kan worden door een aanrijding zoals die heeft plaatsgevonden met de schutter. Dat de aanrijding moet hebben plaatsgevonden op een wijze die niet in overeenstemming is met de conclusies in dit rapport, is niet komen vast te staan. Het hof merkt hiertoe op dat het rapport – anders dan de raadsman lijkt te suggereren – niet concludeert dat het botsende geweld dat is uitgeoefend op de rechterknie afkomstig moet zijn van een aanrijdende auto. Een andere geweldsinwerking is eveneens mogelijk. Oude Grote Bevelsborg heeft bovendien in het verhoor bij de raadsheer-commissaris op 1 juni 2016 verklaard (blz. 4) dat er botsend geweld heeft plaatsgevonden op de buitenzijde van de rechterknie, maar dat zij op basis van het ter beschikking staande materiaal niet kan zeggen of dat de eerste geweldsinwerking is geweest, of een latere.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Alternatief scenario

De verdediging heeft verder aangevoerd dat het letsel is ontstaan doordat verdachte tijdens het hardlopen in Frankrijk is aangereden en vervolgens (in Frankrijk) naar een andere locatie verplaatst is.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit door verdachte aangedragen scenario niet aannemelijk geworden is. Verdachte kan hier niets over verklaren en ook overigens biedt het dossier geen aanknopingspunten voor dit scenario. Uit het deskundigenrapport van Oude Grotebevelsborg blijkt dat het letsel van verdachte niet past bij de situatie dat hij al hardlopend door een auto aangereden is. Voorts relateren verbalisanten dat de vrouw van verdachte op 28 juni 2014 zegt dat verdachte op 27 juni 2014 thuis was geweest toen zij van huis wegging. Toen zij thuiskwam hoorde zij dat verdachte al weg was. Zij was boos dat verdachte niet even had gebeld om te laten weten dat hij niet thuis zou komen. Het was haar onbekend dat verdachte naar Frankrijk was vertrokken.

De stelling van verdachte vindt daarnaast zijn weerlegging in het overige bewijs.

Beoordeling onderzoek sleutelbos

Over het DNA-spoor dat is aangetroffen op een sleutelhanger die is gevonden op de plaats delict heeft de raadsman, kort gezegd, het volgende aangevoerd. Niet is vast te stellen wie de sleutelhanger op de plaats delict heeft achtergelaten of wanneer. Bovendien is niet vast te stellen hoe en wanneer het DNA van verdachte op de sleutelhanger is beland. Het is daarnaast niet per se een daderspoor, maar een wandelspoor op een normaal gebruiksvoorwerp. Het spoor draagt hoogstens bij aan de aannemelijkheid van contact tussen verdachte en de medeverdachte, maar zegt niets over hun contact op die dag, noch over de aard en de intensiteit van hun contact.

Het hof overweegt dat de waarde van de DNA-sporen voor het bewijs wordt bepaald door de samenhang met de andere bewijsmiddelen. De sleutelhanger hoort bij een auto die door medeverdachte werd gebruikt. Diens DNA is op de sleutel aanwezig. De moeder van de medeverdachte en getuige [getuige 3] verklaren beiden dat medeverdachte tegen hen heeft gezegd dat hij betrokken was bij het tenlastegelegde feit. Op de sleutelhanger is ook DNA van verdachte aanwezig, waarvoor verdachte geen concrete, onderbouwde verklaring kan geven. Gelet hierop acht het hof het voor verdachte belastend dat deze sleutelhanger is aangetroffen op de plaats delict, nabij de plaats waar de schutter op de grond heeft gelegen. Dat de sleutelhanger een gemakkelijk verplaatsbaar object is, doet aan de ondersteunende bewijskracht daarvan niet af. Het hof verwerpt daarom dit verweer.

Conclusie daderschap

Samengevat volgt uit de weergegeven bewijsmiddelen dat een aanslag is gepleegd op aangever [benadeelde] waarbij hij in zijn auto is beschoten. Aangever heeft de schutter aangereden. Verdachte is diezelfde dag gevonden in Frankrijk met beenletsel dat verklaard kan worden door een dergelijke aanrijding. De verklaring die verdachte geeft voor dit letsel is niet aannemelijk geworden. De moeder van de medeverdachte heeft verklaard dat de medeverdachte haar heeft verteld de chauffeur te zijn geweest van de auto van de schutter en dat hij de gewonde schutter naar Frankrijk heeft gebracht. Ook de getuige [getuige 3] verklaart dat de medeverdachte heeft gezegd de chauffeur te zijn geweest. Op de plaats van het delict in [plaats 1] is een sleutelhanger van een auto van de medeverdachte gevonden met daarop DNA-sporen van zowel verdachte als medeverdachte.

He hof concludeert dan ook verdachte degene is geweest die op aangever heeft geschoten.

Wat voor het overige door de verdediging is aangevoerd kan aan deze conclusie niet afdoen en vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en in hetgeen het hof verder heeft overwogen.

Daarbij overweegt het hof dat, anders dan door de verdediging betoogd, aan deze conclusie niet in de weg staat dat de telefoon die toebehoort aan de medeverdachte op 27 juni 2014 om 21:21 uur een mast in [plaats 2] aanstraalt. Daargelaten of de telefoon op dat moment in de nabijheid van de medeverdachte was, is dit tijdstip niet onverenigbaar met een retourreis vanuit [plaats 2] naar de plaats in Frankrijk waar verdachte werd gevonden.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, welke samenwerking in de onderhavige zaak moet zijn gericht op het opzettelijk van het leven beroven van [benadeelde] .

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof – met de rechtbank – het volgende af. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn samen in een recent gestolen BMW met recent gestolen kentekenplaten gereden door een straat nabij de woning van aangever en hebben de auto met daarin aangever geblokkeerd en in die zin klemgereden. Verdachte was de bijrijder en medeverdachte [medeverdachte] was de bestuurder van deze BMW. Verdachte was hierbij geheel in het zwart gekleed en had een machinepistool bij zich. Verdachte is na het klemrijden direct uit de auto gestapt met dit machinepistool in zijn hand en heeft hiermee vervolgens (direct) meerdere keren gericht op de auto van aangever geschoten. De bestuurder van de BMW en aangever in diens eigen auto zijn vervolgens hard weggereden in de richting van de [straat 2] . De bestuurder van de BMW is na korte tijd weer teruggekomen om verdachte in de auto te leggen, waarna zij met hoge snelheid zijn gevlucht.

Uit deze gang van zaken, te kenschetsen als een poging tot liquidatie, leidt het hof af dat het doel van de daders was om het slachtoffer klem te zetten en te verrassen. De plaats delict, midden in een woonwijk, maakte verder een onmiddellijke vlucht na het delict noodzakelijk. Beide vereist snelheid van handelen en daarmee een zeer goede samenwerking tussen de schutter en de bestuurder van de auto. Bij afwezigheid van contra-indicaties, kan het niet anders dan dat schutter en bestuurder van de auto tevoren afspraken hebben gemaakt over de uitvoering van het delict. Daar komt bij dat ook uit het gebruikte vervoermiddel, het wapen, de kleding en de plaats delict nabij de woning van aangever is af te leiden dat het delict goed was voorbereid.

Gelet op deze uiterlijke verschijningsvorm was het opzet van verdachte en de medeverdachte gericht op het doden van [benadeelde] . Op grond van de genoemde omstandigheden, waaruit volgt dat de bestuurder van de auto een essentiële rol speelt bij het delict, acht het hof bewezen dat verdachte zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte, zowel vóór, tijdens als na de feiten, dat sprake is van medeplegen van het ten laste gelegde.

Voorbedachten rade

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' acht het hof in het bijzonder de feiten en omstandigheden redengevend die al zijn genoemd in de overwegingen over medeplegen.

Daaruit volgt dat het delict, naar zijn aard, grondig is voorbereid en een nauwe samenwerking tussen verdachten vereiste. Er is geen enkele aanwijzing dat beide verdachten toevalligerwijs in de buurt van de woning van aangever waren en van deze toevallige ontmoeting gebruik hebben gemaakt om hem van het leven trachten te beroven. Vanaf het moment dat aangever met zijn auto is weggereden bij zijn woning, tot aan het moment dat hij weer terug is gekomen bij zijn woning met schotverwondingen, hebben in totaal slechts twee minuten gezeten.

Uit de wijze van uitvoeren leidt het hof af dat verdachten voorafgaand aan de uitvoering al het plan hadden dat verdachte het wapen zou afvuren op aangever en het wapen niet slechts wilde gebruiken om mee te dreigen.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht het medeplegen van poging tot moord bewezen.

Het hof stoelt zijn oordeel over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet op de stukken die vanaf november 2018 door de officier van justitie, via de advocaat-generaal, aan het dossier zijn toegevoegd en evenmin op de getuigenverhoren die naar aanleiding van deze stukken zijn gehouden.

Bezit wapens en munitie

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en overwegingen volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte een vuurwapen heeft gebruikt van categorie II of III en munitie die voor dit wapen geschikt is. Dit wapen en deze munitie heeft hij dan ook voorhanden gehad. Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking bij het uitvoeren van dit delict zoals hiervoor nader uiteengezet, oordeelt het hof dat ook medeverdachte dit wapen en deze munitie voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

1.hij 27 juni 2014 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander , met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een vuurwapen op die [benadeelde] heeft geschoten, waarbij meerdere kogels in het lichaam van die [benadeelde] zijn gedrongen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.
2.hij op 27 juni 2014 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen van categorie II of III en munitie van categorie II of III voorhanden heeft gehad.
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van poging tot moord.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II of een vuurwapen van categorie III.

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel


De rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen, en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft samen met een ander geprobeerd om [benadeelde] te liquideren door het slachtoffer klem te rijden en meerdere keren met een machinepistool op het slachtoffer te schieten. Verdachte is de schutter geweest. Deze schietpartij vond plaats op klaarlichte dag, midden in een woonwijk in [plaats 1] . In het dossier zitten verklaringen van getuigen – waaronder een minderjarige – die de schietpartij vlak voor hun woning hebben zien gebeuren. Aan de hand van de vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat er sprake is geweest van een kennelijk goed voorbereide, kille daad. Een dergelijk ernstig delict schokt de rechtsorde zeer en veroorzaakt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid.

Het slachtoffer is bij de schietpartij in totaal vier keer geraakt en mocht van geluk spreken dat hij, na medisch ingrijpen, zijn verwondingen overleefde. Slechts door zelf te handelen en de schutter aan te rijden, heeft het slachtoffer kunnen ontkomen.

De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Voor een poging tot moord kan volgens de wet een gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren worden opgelegd. Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten. Het hof heeft gekeken naar uitspraken die in Nederland in soortgelijke zaken zijn gedaan. Daarbij wordt opgemerkt dat zaken zich in het algemeen moeilijk laten vergelijken. Elke moord en poging daartoe draagt een aantal specifieke elementen in zich. Wanneer het gaat om een liquidatie of poging daartoe waarbij onschuldige omstanders in gevaar zijn geweest omdat deze op de openbare weg is gepleegd, zijn de straffen doorgaans hoger dan in andere gevallen.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Het hof is van oordeel dat – gelet op onder meer de rol van verdachte binnen het geheel en alles afwegende – in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

Het hof zal echter een strafvermindering toepassen wegens de duur van het proces. Daarbij staat voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens, het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen zestien maanden nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak het volgende.

Op 30 november 2015 is door verdachte hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 november 2015. Gelet op de termijn van zestien maanden had in beginsel uiterlijk op 30 maart 2017 een eindarrest gewezen moeten worden. Het eindarrest is uiteindelijk gewezen op 8 juli 2019, dus 28 maanden hierna.

Het hof stelt echter vast dat het gaat om een complexe zaak, waarin onder meer in het belang van de verdediging in totaal vijf regiezittingen zijn geweest en er in hoger beroep nog nader onderzoek bevolen is. De complexiteit is mede ingegeven door de vermeende samenhang met het onderzoek naar de dood van het slachtoffer in een andere liquidatiezaak. De verdediging heeft vanaf dat moment telkenmale verzocht om inzage in het dossier in die zaak. Uiteindelijk heeft het openbaar ministerie in november 2018 stukken uit dat dossier verstrekt. De verdediging heeft enerzijds verzocht om de zaak zo spoedig mogelijk inhoudelijk te behandelen, maar heeft anderzijds ook zelf op verschillende momenten in het proces verzocht om nader onderzoek en ingestemd met de hiermee gepaard gaande aanhoudingen van de zitting.

Er is een aantal momenten in het procesverloop geweest waarin het hof de zaak voortvarender had kunnen plannen. Gelet op de hiervoor besproken complexiteit en de invloed van de verdediging op het tijdsverloop is het hof echter van oordeel dat het eindarrest weliswaar niet binnen zestien maanden gewezen is, maar dat de overschrijding grotendeels verschoonbaar is.

Naar het oordeel van het hof is er derhalve slechts sprake van een lichte overschrijding van de redelijke termijn. Dit moet desalniettemin een matiging van de op te leggen straf tot gevolg hebben.

Het hof heeft eerder overwogen dat een straf van 13 jaren passend en geboden is. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en 6 maanden.

Het beslag

 STK Kleding: zwart shirt Goednummer: [nummer 1]
 STK Schoenen: Nike Goednummer: [nummer 2]
 STK sportkleding: zwarte wielrenbroek Goednummer: [nummer 3]
 STK kleding: Sok zwart Goednummer: [nummer 4]
 STK kleding: grijs shirt Goednummer: [nummer 5]
3.00 STK Sleutels Goednummer: [nummer 6]
 STK Navigatiesysteem: Mio C620 Goednummer: [nummer 7] .
 STK telefoon: Blackberry 9320 Goednummer: [nummer 8]
 STK personenauto: Volkswagen Polo, grijs, [kenteken 4] Goednummer: [nummer 9] .
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 10]
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 11]
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 12]
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 13] .
Onder verdachte zijn goederen in beslag genomen.

Het hof gelast de aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Het hof gelast de aan de nabestaanden van [benadeelde] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Het hof gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vordering van de benadeelde partij (de erfgenamen van [benadeelde] )

 Kleding € 1.352,00
 Medische kosten
 Reiskosten
 Overig
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij is na het indienen van de vordering overleden. De vordering is overgegaan op zijn erfgenamen. De vordering bedraagt € 23.626,36, bestaande uit € 7500,- immateriële schade en € 16.126,36 materiële schade.

De vordering ter zake vergoeding van materiële schade is als volgt opgebouwd:

o Ziekenhuisverblijf 2014, 68 dagen € 1.904,00o Eigen risico 2014 € 360 en 2015 € 375 € 735,00o Apotheekkosten zalf onvergoed € 59,79o Kosten verband [naam 4] € 27,80o Fysiotherapie aan huis € 401,85 +€ 3.128,44
o Vervoerskosten eega en cliënt ziekenhuisbezoeken2014: 68 dgn x 2 keer p.d. x 40 km retour x € 0,29 € 1.600,802015: 5 x bezoek zkh x 40 km retour x € 0,29 € 58,00o Parkeerkosten ziekenhuis € 450,00 +€ 2.108,80
o Huur vervangende auto t/m oktober 2015 € 9.409,60o Eigen bijdrage CAK € 41,91o Kosten opvragen medische info € 37,61o Huur rollator € 48,00€ 9.537,12
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 22.609,77, bestaande uit € 15.109,77 materiële schade en € 7500,- immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 22.609,77.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij – gelet op de bepleite vrijspraak – niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 22.609,77, bestaande uit € 7500,- immateriële schade en € 15.109,73 materiële schade. Het hof is als volgt tot de vaststelling van dit bedrag gekomen.

Op de post ‘Kleding’ heeft het hof 5% afschrijvingskosten toegepast, waardoor een bedrag van € 67,60 op die post in minder wordt gebracht. Het totale bedrag dat wordt toegewezen onder de post ‘Kleding’ bedraagt derhalve € 1.284,40.

Net als de rechtbank zal het hof de post ‘medische kosten’ vaststellen op € 2.943,42.

Op het bedrag ‘vervoerskosten’ past het hof een kilometertarief van € 0,19 toe omdat deze kosten gemaakt zijn met een huurauto, waardoor er geen sprake is van afschrijvingskosten. Het aantal kilometers per retourrit wordt door het hof vastgesteld op 33,4 kilometer. In totaal komt de post ‘reiskosten’ dan op € 1.344,79.

Verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften


Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

 STK Kleding: zwart shirt Goednummer: [nummer 1]
 STK Schoenen: Nike Goednummer: [nummer 2]
 STK sportkleding: zwarte wielrenbroek Goednummer: [nummer 3]
 STK kleding: Sok zwart Goednummer: [nummer 4]
 STK kleding: grijs shirt Goednummer: [nummer 5]
3.00 STK Sleutels Goednummer: [nummer 6]
 STK Navigatiesysteem: Mio C620 Goednummer: [nummer 7] .
 STK telefoon: Blackberry 9320 Goednummer: [nummer 8]
 STK personenauto: Volkswagen Polo, grijs, [kenteken 4] Goednummer: [nummer 9] .
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 10]
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 11]
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 12]
 STK Briefpost Goednummer: [nummer 13] .
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Het hof gelast de aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Het hof gelast de aan de nabestaanden van [benadeelde] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Het hof gelast van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vordering van de benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij aan de erfgenamen van [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van .
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, te weten de erfgenamen van [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door , met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 27 juni 2014.

Aldus gewezen doormr. M.E. van Wees, voorzitter,mr. M. Keppels en mr. K.A.J.M. Wetzels, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,en op 8 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
_707f2c58-b94a-4acd-8fb7-c5d0cd1dde41
1

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar in de wettelijke vorm opgemaakte bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggen dossier met nummer PL0900/2014170566 D (onderzoek 09Velde14) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering.

_d5cc7993-1250-4f96-9860-24c56f3814e3
2

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , d.d. 27 juni 2014, p. 140-141.

_53a79412-e8aa-49a0-b3a9-2c5af3acbdaa
3

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 juni 2014, p. 34.

_4bc85b8d-fcb7-4ab3-8f02-c79c5a7e34f9
4

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 juni 2014, p. 37.

_1d89e465-1b8f-47d9-95b9-a2754346ab9b
5

De geneeskundige verklaring betreffende [benadeelde] , d.d. 10 juli 2014, p. 350.

_3bb16c2f-3434-4ab4-884b-77070afc7eb2
6

Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 02 juli 2014, p. 24 (FO-dossier deel I).

_91050a7f-50bd-463c-86c2-43e66cde77e6
7

Het proces-verbaal Forensische opsporing, Verkeersongevalanalyse en Techniek, d.d. 17 juli 2014, p. 131 (FO-dossier deel I).

_39972d0e-7cff-4922-9259-8815a6238884
8

Het proces-verbaal Forensische opsporing, Verkeersongevalanalyse en Techniek, d.d. 17 juli 2014, p. 138 (FO-dossier deel I).

_dd21d3f5-0d6d-45d2-b467-ec862b30b349
9

Het proces-verbaal Forensische opsporing, Verkeersongevalanalyse en Techniek, d.d. 17 juli 2014, p. 144 (FO-dossier deel I).

_f978953b-0eec-4990-8aee-9876f123c98d
10

Het proces-verbaal Forensische opsporing, Verkeersongevalanalyse en Techniek, d.d. 17 juli 2014, p. 146 (FO-dossier deel I).

_c135d7f3-56e0-465a-b06c-4aff72beb59a
11

Het proces-verbaal Forensische opsporing, Verkeersongevalanalyse en Techniek, d.d. 17 juli 2014, p. 150 (FO-dossier deel I).

_95fcc4ce-b9c3-4b7f-a956-e9000d8a2e6d
12

Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 4 juli 2014, p. 85-86 (FO-dossier deel I).

_efa714ed-c4b2-4425-a11a-3b88eed55947
13

Het NFI-rapport ‘Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats 1] op 27 juni 2014’, d.d. 19 augustus 2014, p. 268-270 (FO-dossier deel II).

_0be50077-7c16-41f6-9e3e-ed69e0672c77
14

Het proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 4 juli 2014, p. 85 (FO-dossier deel I).

_431b0f1e-7f29-491e-ac72-a305ffe352a0
15

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 28 juni 2014, p. 80.

_2135d5bc-e98c-4dc5-8884-bc79fc2ea5c5
16

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 augustus 2014, p. 3556.

_bfd28390-3f12-4bd8-9e5b-68533e41cde3
17

Het NFI-rapport ‘(Aanvullend) DNA-onderzoek naar aanleiding van een schietincident in [plaats 1] op 27 juni 2014’, p. 230-231 (FO-dossier deel II).

_bf098819-c0c0-4c4d-9c22-a6cb3ef396fd
18

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 juli 2014, p. 115 en 118.

_c1f3b365-3828-4596-831b-0e2142ca8e15
19

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 juli 2014, p. 122 en 124

_1a76aaec-fae5-41c0-88bf-7945dcbe33c3
20

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 juni 2014, p. 51.

_1ade1baf-eab8-4c7f-a83c-c8b13ad21907
21

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 juni 2014, p. 125.

_13ce56fc-5438-46dc-9ab1-22758aaa7a32
22

Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 2 juli 2014, p. 65, 67 en 68.

_8793da84-e8b1-43fc-8eae-ca74cd49540b
23