Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:4894

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:4894, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.205.658/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:4894:DOC
nl

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.205.658/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3817280 LC 15-347)
beslissing

beslissing op verzoek ex artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. Hollands Glorie,
wonende te [A] ,appellant in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.M.P. Blom,
tegen

[geïntimeerde] ,
wonende te [A] ,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellante in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. E.G. Gosselink.
Het hof heeft in deze zaak op 26 maart 2019 arrest gewezen.

Op 11 april 2019 is ter griffie ontvangen een brief van mr. Gosselink namens partij [geïntimeerde] . In die brief wordt verzocht een kennelijke schrijffout in het arrest te verbeteren. Het gaat daarbij om de veroordeling tot betaling van € 1.611,- advocaatkosten aan de griffier van het hof in plaats van aan [geïntimeerde] .

[appellant] is in de gelegenheid gesteld op het verzoek te reageren. In een op 27 mei 2019 ter griffie ontvangen brief van mr. Blom is namens [appellant] het standpunt ingenomen dat van een kennelijke schrijffout geen sprake is.

[geïntimeerde] procedeerde op basis van een toevoeging. Voorheen - tot 1 november 2010 - bepaalde artikel 243 Rv dat de proceskostenveroordeling ten laste van een on- of minvermogende aan de griffier diende te worden betaald. Met ingang van die datum is deze bepaling geschrapt. De betrokken partij werd door schrapping van dat artikel voortaan zelf belast met de incasso. In het arrest is dan ook ten onrechte bepaald dat de geliquideerde kosten aan de griffier betaald moeten worden door [appellant] .

Van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv is sprake indien voor partijen en derden kenbaar is waarin de fout is gelegen.

Het arrest maakt, ook zonder dat het desbetreffende artikel is genoemd, duidelijk dat aansluiting is gezocht bij artikel 243 Rv. Gelet op de afschaffing daarvan was voor partijen onmiddellijk kenbaar dat dit artikel ten onrechte is toegepast. Het belang van [appellant] bij verzet tegen wijziging van het gewezen arrest is bovendien nihil. Aan de proceskostenveroordeling zal hij moeten voldoen of hij nu aan de griffie betaalt of aan [geïntimeerde] .

Het hof merkt de veroordeling tot betaling van de proceskosten aan de griffier op deze gronden aan als een voor partijen kenbare fout. Die fout leent zich voor eenvoudig herstel.

Het hof bepaalt dat de passage in het dictum van het arrest van 26 maart 2019 luidende:

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.242,- waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof de kosten van het hoger beroep te weten:

voor de bedragen die moeten worden voldaan aan de griffier van het gerechtshof ontvangt [appellant] van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak nota's met betaalinstructies.

wordt gewijzigd in:

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.242,- (€ 1.317,- griffierecht en € 1.611,- salaris advocaat).

Deze verbetering wordt aangebracht op de minuut.Voor het overige blijft het arrest, ook wat betreft de datum van uitspraak, geheel in stand.
Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. E.J. van der Poel en mr. A.A. van Rossum en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

- € 1.317,- wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 1.611,- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

en het restant ad € 314,- aan de advocaat van [geïntimeerde] wegens haar eigen aandeel in het griffierecht;