Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:4158

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:4158, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.222.646/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.222.646/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5675711 MC 17-1130)
arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,appellante,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.B. de Jong, kantoorhoudend te Almere,
tegen

Maatschap Amsterdams Vastgoed,

gevestigd te Amsterdam Zuidoost,geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. E.H.J. Slager, kantoorhoudend te Amsterdam.

ECLI:NL:GHARL:2019:4158:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.222.646/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5675711 MC 17-1130)
arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,appellante,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.B. de Jong, kantoorhoudend te Almere,
tegen

Maatschap Amsterdams Vastgoed,

gevestigd te Amsterdam Zuidoost,geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres,hierna: ,advocaat: mr. E.H.J. Slager, kantoorhoudend te Amsterdam.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 3 mei 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere.
2

2.1
De procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende proceshandelingen:memorie van antwoord; pleidooien gehouden op 19 april 2019 (waarvan proces-verbaal is opgemaakt), waarbij van de zijde van [appellante] producties 2 tot en met 4 in het geding zijn gebracht.
 hoger beroepdagvaarding van 25 juli 2017; memorie van grieven met productie;
2.2
Na afloop van de pleidooien hebben partijen arrest gevraagd.3.
3.1
Als gesteld en niet weersproken staan, voor zover voor de beoordeling relevant, de navolgende feiten tussen partijen vast.
3.2
Op 21 augustus 2013 is [B] (hierna: [B] ), de moeder van [appellante] , door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot betaling van diverse geldsommen aan MAV. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Op grond van dat vonnis is [B] op dit moment een bedrag van € 64.571,35 aan MAV verschuldigd.
3.3
Op 21 november 2016 heeft MAV voor deze vordering onder [appellante] executoriaal derdenbeslag gelegd ten laste van [B] .
3.4
Ten tijde van de beslaglegging (en daarna) was [appellante] depothoudster voor een uitgever van dag- en/of weekbladen en was [B] bezorgster in één van de gebieden waarin [appellante] fungeert als depothoudster. [B] wordt voor haar werkzaamheden feitelijk betaald door Florijn Beheer.
3.5
[appellante] heeft in de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv van 12 december 2016 aangegeven dat tussen haar en [B] wel een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan maar dat [B] op grond daarvan niets van haar te vorderen heeft of zal krijgen. Zij doelde daarmee volgens haar stellingen op een overeenkomst van bruikleen. Zij heeft na betwisting van die verklaring door MAV die verklaring herhaald.
3.6
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 maart 2019 is [B] (nadat eerder, in 2016, een soortgelijk verzoek en een verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord was afgewezen) per genoemde datum toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.
beslissing

4

4.1
MAV heeft [appellante] (binnen de termijn van twee maanden als bedoeld in artikel 477a lid 2 Rv) op 23 januari 2017 gedagvaard en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: voor recht te verklaren dat de redelijke vergoeding conform artikel 479a Rv € 330,- netto per maand bedraagt; [appellante] te veroordelen om aan MAV tegen behoorlijke kwijting te betalen:
 € 660,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2017; € 330,- per maand, met ingang van 25 januari 2017; € 99,- aan buitengerechtelijke kosten;met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding. Daartoe heeft MAV aangevoerd dat uit de stukken die betrekking hebben op de eerdere poging van [B] om tot de WSNP te worden toegelaten blijkt dat zij als krantenbezorgster voor [appellante] werkzaam is en de beloning daarvoor op € 330,- netto kan worden gesteld.
4.2
[appellante] heeft verweer gevoerd en ook in rechte het standpunt ingenomen dat [B] ten tijde van het beslag niets van haar te vorderen had of zou krijgen uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding.

4.3
De kantonrechter heeft op basis van wat door [B] is verklaard in de (voor haar niet met succes afgelopen eerdere) procedure om te worden toegelaten tot de schuldsanering en tot het opleggen van een dwangakkoord, geoordeeld dat voldoende is komen vast te staan dat [B] als krantenbezorgster werkzaamheden verricht voor [appellante] en dat [appellante] daar onvoldoende tegenover heeft gesteld om tot een ander oordeel te komen. De redelijke vergoeding voor genoemde werkzaamheden heeft de kantonrechter op de voet van artikel 479a Rv bepaald op € 330,- netto per maand. Op grond daarvan heeft hij de vorderingen (inclusief nevenvorderingen) toegewezen, met dien verstande dat hij de maandelijkse afdrachten van € 330,- vanaf 25 januari 2017 heeft gemaximeerd tot een bedrag van € 64.189,22.
overwegingen

5

5.1
De grieven leggen het geschil in volle omvang voor, echter met die beperking dat geen afzonderlijke grief is aangevoerd tegen de hoogte van het door de kantonrechter vastgestelde loon, te weten € 330.- per maand. Ook is geen zelfstandige grief aangevoerd tegen de toewijzing van wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten (grieven IV en V bouwen "slechts" voort op de andere grieven). Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.
5.2
Het hof stelt het volgende voorop. Het gaat hier om een verklaringsprocedure in de zin van artikel 477a lid 2 Rv:"."
5.3
In dit geval stelt MAV als executant dat [B] als beslagdebiteur een vordering heeft op [appellante] als derde-beslagene, en betwist zij de door [appellante] afgelegde verklaring. Volgens MAV had [B] ten tijde van de beslaglegging met [appellante] een rechtsverhouding op grond waarvan zij voor het bezorgen van kranten in opdracht van [appellante] als depothoudster recht had op loon, waarbij het volgens MAV niet van belang is of die rechtsverhouding moet worden gezien als een overeenkomst van opdracht dan wel een arbeidsovereenkomst. [appellante] heeft haar verklaring in rechte gehandhaafd. De rechtsverhouding die zij in haar verklaring heeft genoemd ziet volgens haar op bruikleen. Zij betwist dat tussen haar en [B] sprake is van een arbeidsovereenkomst of een samenwerkingsovereenkomst. [B] wordt voor haar krantenwijk door Florijn Beheer betaald. Hooguit kan gezegd worden dat [appellante] als "materieel werkgever" optreedt, aldus [appellante] .
5.4
Het hof stelt voorop dat overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv MAV in deze de stelplicht en de bewijslast heeft. Dat neemt niet weg dat van [appellante] mag worden verwacht dat zij haar betwisting van het door MAV gestelde in een geval als dit behoorlijk onderbouwt, waar mogelijk onder overlegging van schriftelijke bescheiden (zie 476b lid 2 Rv).

5.5
Het hof stelt vast dat [appellante] ter betwisting van de stelling dat zij als opdrachtgeefster van [B] loon aan haar is verschuldigd heeft verwezen naar een drietal door haar overgelegde producties. Die producties geven echter juist steun aan de stellingen van MAV, die dan ook harerzijds eveneens een beroep heeft gedaan op deze producties ter staving van haar standpunt. Productie 1 bevat onder meer een op 29 januari 2015 gedateerde "werkgeversverklaring" afkomstig van Florijn Beheer en gericht aan [B] , waarin Florijn Beheer verklaart: "(hof: lees Blaricum)"Productie 2 bevat jaaropgaven 2015 tot en met 2017 van Florijn Beheer gericht aan [B] waarin linksboven telkens staat vermeld: "". Productie 3 is een uitdraai uit elektronisch bankieren van de bankrekening van [B] , die uitsluitend betalingen afkomstig van Florijn Beheer bevat. Als betalingskenmerk staat bij alle betalingen vermeld: "". Deze producties geven aldus aanleiding ervan uit te gaan dat sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [B] en [appellante] waarbij [appellante] het door haar aan [B] verschuldigde loon laat uitbetalen via Florijn Beheer. Door [appellante] is geen heldere verklaring gegeven waarom anders in de genoemde producties door Florijn wordt benadrukt dat zij [B] betaalt namens [appellante] als opdrachtgever van [B] .
5.6
De kantonrechter heeft er verder terecht op gewezen dat door [appellante] geen stukken uit haar administratie als depothoudster in het geding zijn gebracht. [appellante] biedt nu aan een verslag van haar boekhoudster en nadere stukken in het geding te brengen (MvG 17) maar zij dient dergelijke bescheiden direct in het geding te brengen. Haar stelling dat "" is verder niet toegelicht. Bij pleidooi is door de advocaat van [appellante] uitdrukkelijk aangeboden om de overeenkomst van opdracht tussen Florijn Beheer en [B] in het geding te brengen. Toen het hof na een schorsing aangaf hem daartoe in de gelegenheid te willen stellen, merkte hij echter op dat er bij nader inzien geen schriftelijke overeenkomsten voorhanden zijn. Aan het aanbod van [appellante] om getuigen te horen (feitelijk dus tot het leveren van tegenbewijs) gaat het hof voorbij omdat [appellante] naar het oordeel van het hof de, door genoemde producties gestaafde, stellingen van MAV gelet op het bovenstaande onvoldoende gemotiveerd heeft betwist waardoor deze zonder verdere bewijslevering zijn komen vast te staan (artikel 149 Rv).
5.7
Het hof staat vervolgens ambtshalve stil bij de (op het pleidooi ook aan partijen voorgehouden) vraag wat de gevolgen voor deze procedure zijn van het feit dat in hoger beroep is gebleken dat [B] alsnog, op 22 maart 2019, is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering.
5.8
Uit artikel 301 leden 2, 3 en 4 Fw volgt in beginsel dat de executie daardoor is geschorst en dat het door MAV gelegde beslag is vervallen (en herleeft in het in lid 4 omschreven geval). Tevens zou dit normaal gesproken tot gevolg hebben dat de onderhavige art. 477a Rv-procedure van rechtswege zou eindigen, met dien verstande dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg nog een belang kan opleveren om toch een inhoudelijk oordeel te geven. Dit volgt uit HR 16-12-1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0545, 1989, 363 en reeds uit HR 28-05-1915, ECLI:NL:HR:1915:104, 1915, p. 882.
5.9
In dit geval doet zich echter de bijzonderheid voor dat [B] vanaf het beslag tot (naar het hof aanneemt op basis van de niet bestreden mededelingen van [appellante] ter zitting) aanvang WSNP is doorbetaald door Florijn Beheer (en mogelijk ook nog daarna). Aldus is de vordering van [B] op [appellante] - voor zover ontstaan in de periode tot aan het uitspreken van de schuldsanering (22 maart 2019) - door een derde namens [appellante] voldaan (artikel 6:30 BW) en daarmee uit het vermogen van [B] verdwenen. Daarmee valt deze teniet gegane vordering niet in de schuldsanering en heeft dat tot gevolg dat het beslag in zoverre niet op grond van artikel 301 lid 3 Fw komt te vervallen en de verklaringsprocedure niet van rechtswege een einde neemt.
5.10
De in weerwil van het beslag gedane betalingen kunnen niet aan MAV als beslaglegger worden tegengeworpen (artikel 475 h lid 1 Rv) zodat MAV belang houdt bij de vaststelling van wat [appellante] aan [B] was verschuldigd (tot aan het moment van de schuldsanering) en [appellante] met toepassing van artikel 477 a lid 4 Rv kan worden veroordeeld tot het (opnieuw) betalen daarvan aan MAV (waarbij [appellante] dan wel een regresrecht verkrijgt jegens [B] : zie artikel 6:33 BW). Voor zover [B] vanaf 22 maart 2019 vorderingen op [appellante] heeft verkregen (of voor die datum ontstane vorderingen onbetaald zijn gebleven) worden die wel getroffen door de schuldsanering en geldt dat het beslag in zoverre is vervallen en de verklaringsprocedure van rechtswege een einde neemt. Het hof verwijst in deze context naar Broekveldt, Derdenbeslag (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 1) (diss. Leiden, Deventer: Kluwer 2003) in 4.5.2.3.1, nr. 198.
5.11
Het hof komt tot de slotsom dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal, met verbetering van gronden, worden bekrachtigd voor zover de uitspraak betrekking heeft op voldane vorderingen in de periode tot 22 maart 2019. Voor het overige is de verklaringsprocedure van rechtswege komen te vervallen. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van MAV vastgesteld op € 716,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.277,- aan te liquideren salaris voor de advocaat (3 punten in tarief I).
De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 3 mei 2017, met dien verstande dat de onder 5.1 gegeven verklaring voor recht en de onder 5.3 uitgesproken veroordeling om vanaf 25 januari 2017 een bedrag van € 330,- per maand te betalen, beperkt worden tot de periode tot 22 maart 2019;

verstaat dat deze verklaringsprocedure voor het overige van rechtswege is komen te vervallen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit hoger beroep, tot op heden aan de zijde van MAV vastgesteld op € 716,- aan verschotten en € 2.277,- aan te liquideren salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. H. de Hek en mr. S.E. Vlaanderen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2019.