Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:3228

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:3228, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-003787-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:3228:DOC
nl

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003787-18 Uitspraak d.d.: 11 april 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 juni 2018 met parketnummer 18-830091-17 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [adres] .
Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, vrijspraak ter zake van het onder 1 primair,2 primair, 2 subsidiair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde en veroordeling ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en - naar het hof begrijpt ter zake van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde - een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,mr. N.A. Heidanus, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep van verdachte

Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van het onder 3 primair en 3 subsidiairten laste gelegde, kan verdachte voor zover zijn hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraken daarin niet worden ontvangen.
Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

1 primair:

1 subsidiair:

2 primair:

2 subsidiair:

[kenteken] ) die reed met aanzienlijke snelheid (ongeveer 70 km/h) over de invoegstrook van de [straat 1] en/of de [straat 2] in de richting van de [straat 3] , met kracht aan de handrem van die personenauto te trekken en/of waarna en/of mede waardoor die personenauto in een slip is geraakt en/of is gebotst tegen een of meer pilaren van het zich aldaar bevindende spoorwegviaduct en/of (mede) waardoor die personenauto ruim 360 graden om zijn as is gedraaid en/of die [benadeelde 1] als bestuurder van die personenauto via de linker portierruit uit die personenauto is geslingerd en op het wegdek terecht is gekomen;
2 meer subsidiair:

3 primair:

[kenteken] ) die reed met aanzienlijke snelheid (ongeveer 70 km/h) over de invoegstrook van de [straat 1] en/of de [straat 2] in de richting van de [straat 3] , met kracht aan de handrem van die personenauto heeft getrokken en/of waarna en/of mede waardoor die personenauto in een slip is geraakt en/of is gebotst tegen een of meer pilaren van het zich aldaar bevindende spoorwegviaduct en/of (mede) waardoor die personenauto ruim 360 graden om zijn as is gedraaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 subsidiair:

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg -ten laste gelegd dat:
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Daarnaast heeft het hof de woorden "terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid" aan het einde van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde geschrapt, nu hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbeterde lezing is de verdachte telkens niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak


Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Derhalve dient verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Voorts acht het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, om [benadeelde 1] te pogen van het leven te beroven, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Derhalve dient verdachte van het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten slotte acht het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, om [slachtoffer 2] te pogen van het leven te beroven, dan wel hem te pogen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Derhalve dient verdachte van het onder 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

In zoverre volgt het hof het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde

Voor de beantwoording van de vraag of een verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer - dus ook niet in het geval van zeer ernstige gevolgen als in onderhavige zaak - kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor de schuldvorm "roekeloosheid" zoals onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiar tenlastegelegd, geldt op zichzelf hetzelfde uitgangspunt met dien verstande dat daarbij moet worden betrokken dat "roekeloosheid" als zwaarste vorm van schuld wordt aangemerkt die onder meer tot verdubbeling van de duur van de maximaal op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog daarop worden in de rechtspraak aan de vaststelling van "roekeloosheid" hoge eisen gesteld, waarbij de specifieke betekenis daarvan veelal niet samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder roekeloos - in de zin van onberaden - wordt verstaan.Het komt bij de vaststelling van "roekeloosheid" erop aan dat feiten en omstandigheden zullen moeten worden vastgesteld waaruit kan worden afgeleid dat door het buitengewoon onvoorzichtige gedrag van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
Op grond van de door het hof gebezigde - in geval van cassatie in de aanvulling ex artikel 415, eerste lid, juncto artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering op te nemen - bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op zaterdag 5 november 2016 heeft zich omstreeks 18.58 uur een eenzijdig ongeval voorgedaan op de N370 ( [straat 2] ) te [plaats] . Ter hoogte van hectometerpaal 55.3 is een grijze personenauto, kenteken [kenteken] , tegen een betonnen pilaar van het spoorwegviaduct gereden. De personenauto werd bestuurd door [benadeelde 1] . Naast hem zat [slachtoffer 1] en op de achterbank zaten [slachtoffer 2] en verdachte. Door de aanrijding zijn [slachtoffer 1] en [benadeelde 1] zwaar gewond op het wegdek terecht gekomen. [slachtoffer 1] is ten gevolge van het letsel komen te overlijden. [benadeelde 1] heeft blijvend hersenletsel opgelopen. Naar de oorzaak, toedracht en het gevolg van het ongeval is door de Verkeers Ongevallen Analyse Dienst van de politie eenheid Noord Nederland onderzoek gedaan. Op basis van dit onderzoek dat is beschreven in een proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse wordt geconcludeerd dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in het in werking stellen van de handrem (parkeerrem) door een inzittende van het voertuig tijdens het rijden. Als gevolg van het in werking stellen van de handrem tijdens het rijden blokkeerden de achterwielen en kwam het voertuig in een ongecontroleerde dwarsslip terecht. Als gevolg hiervan kwam het voertuig in botsing met de betonnen pilaar van het spoorwegviaduct rechts naast de rijbaan. Het voertuig tolde op de rijbaan ruim 360 graden rechts om zijn as om vervolgens op de linker rijstrook tot stilstand te komen. Tijdens het tollen van het voertuig werden de bestuurder en de naast hem gezeten passagier via de volledig vernielde linker portierruit uit het voertuig geslingerd. Gezien de aangetroffen situatie waaronder de lengte van het remblokkeerspoor, de schade aan het voertuig en de eindpositie van het voertuig is het niet onwaarschijnlijk dat de snelheid van het voertuig onmiddellijk voor het ongeval circa 70 km per uur is geweest.
Het hof neemt de inhoud van dit proces-verbaal over en maakt de daarin gestelde conclusie tot de zijne.

De getuige [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat hij zich onmiddellijk na het ongeval samen met verdachte ter plaatse op de rijbaan bevond. Verdachte heeft hem toen geëmotioneerd en huilend vastgepakt en heeft vervolgens gezegd "wat heb ik gedaan, wat heb ik gedaan". Nadat de getuige vroeg wat er was gebeurd gaf verdachte - aldus de getuige- aan dat hij de handrem omhoog had getrokken. Nadat de getuige had gevraagd of hij dat meende antwoordde verdachte "Ja, ik heb dit nooit gewild, dit was echt niet mijn bedoeling".
Deze verklaring van [slachtoffer 2] vindt ondersteuning in een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] . Zij was in privé tijd kort na het ongeval ter plaatse en trof daar een blanke man en een man met een getinte huidskleur. Niet betwist is dat de blanke man verdachte betreft. Zij vroeg aan de blanke man wat er was gebeurd. Zij hoorde de man zeggen "het is mijn schuld, ik ben de schuldige, ik heb aan de handrem getrokken. Ik moest er al uit en ze reden door dus ik trok aan de handrem". Daarnaast bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] waarin verslag wordt gedaan van een telefonisch gesprek dat hij had met de getuige [getuige] . Deze getuige, die eveneens kort na het ongeval ter plaatse was, heeft verklaard dat hij een van de passagiers uit het busje van het ongeval tegen een andere passagier hoorde zeggen dat er aan de handrem is getrokken.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de bewuste zaterdag [benadeelde 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij toeval na een voetbalwedstrijd tegenkwam en dat hij met hen had afgesproken dat zij hem af zouden zetten bij VVG waar hij een feest wilde bezoeken. Toen zij met de personenauto de ringweg opreden heeft hij direct gezegd dat dit niet de afspraak was. Zij zouden hem eerst afzetten. Hij is toen gaan staan. Hij wilde eruit. Ze hadden dat afgesproken. Op het moment dat hij is gaan staan reden ze best hard. Hij is ertussen geleund en heeft zijn hand toen op de handrem gelegd. Op dat moment heeft hij volgens zijn verklaring niet de handrem omhoog getrokken. Op dat moment weet hij niet wat er gebeurd is. Daarna was het een totale chaos. Hij stelt de handrem niet omhoog te hebben getrokken. Hij heeft zijn hand erop gelegd om zijn verhaal kracht bij te zetten. Hij wilde eruit.

Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte tijdens het rijden met een snelheid van ongeveer 70 km per uur, aan de handrem heeft getrokken. Niet alleen blijkt uit zijn eigen verklaring dat hij uit de personenauto wilde - waartoe deze logischerwijs tot stilstand moest komen -, dat hij ook is opgestaan en vervolgens zijn hand op handrem heeft gelegd, maar uit de verklaringen van de getuigen volgt ook dat hij uitvoering heeft gegeven aan zijn wil door aan de handrem te trekken. Het hof acht zijn eigen andersluidende verklaring van onvoldoende gewicht om op dit punt anders te oordelen.

Verdachte heeft op deze wijze als passagier ingegrepen in de rijrichting en de voortbeweging van de personenauto en heeft daarmee de werkelijke bestuurder daarvan - [benadeelde 1] - totaal verrast. Aldus handelend heeft hij door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging een zeer ernstig gevaar in het leven geroepen. Verdachte was zich van dat gevaar bewust, althans had zich daarvan bewust moeten zijn. Desgevraagd heeft hij bij de politie verklaard dat de functie van een handrem is dat de auto in de parkeerstand wordt gezet en dat de auto dan geen kant meer op kan. Op de vraag wat het effect kan zijn als je aan de handrem trekt terwijl deze nog rijdt heeft verdachte geantwoord dat je dat niet moet doen, dat het dan een soort van noodrem is en dat hij denkt dat een auto dan gaat slippen.Anders dan de verdediging heeft aangevoerd kunnen de gevolgen van het aldus ontstaan van het ongeval, te weten de dood van [slachtoffer 1] en het ernstig lichamelijk letsel van [benadeelde 1] , ook in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend. Dat wellicht in de causale keten andere oorzaken eveneens een rol hebben gespeeld, in welk verband de verdediging het alcohol- en drugsgebruik van de bestuurder, het niet dragen van gordels en het door wegwerkzaamheden ontbreken van vangrails heeft genoemd, staat aan een redelijke toerekening niet in de weg.
Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd met de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, is het hof met de advocaat-generaal en anders dan de verdediging van oordeel dat verdachte zich op 5 november 2016 op de invoegstrook van de [straat 1] en de [straat 2] in de richting van de [straat 3] te [plaats] als inzittende van de personenauto met het kenteken [kenteken] roekeloos heeft gedragen en dat wettig en overtuigend bewezen is dat de ongevallen, zoals nader omschreven in het onder 1 subsidiair en in het onder 2 meer subsidiair ten laste gelegde, telkens aan verdachtes schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten zijn.

Bewezenverklaring

1 subsidiair:

2 meer subsidiair:

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel


De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op 5 november 2016 tweemaal schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft als inzittende van een personenauto, met daarin nog drie andere inzittenden, te weten [benadeelde 1] , die de personenauto bestuurde, [slachtoffer 1] , die voorin op de passagiersstoel zat, en [slachtoffer 2] , die samen met verdachte als passagier achterin de personenauto zat, op het moment dat deze personenauto ongeveer 70 km per uur reed over een invoegstrook, met kracht aan de handrem van die personenauto getrokken. Door deze handeling uit te voeren heeft verdachte een bedieningsorgaan van deze personenauto gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van deze personenauto is beïnvloed.

Door het handelen van verdachte is de personenauto in een slip geraakt, gebotst tegen een pilaar van het zich aldaar bevindende spoorwegviaduct en ruim 360 graden om zijn as gedraaid. Als gevolg hiervan zijn de toenmalige bestuurder van deze personenauto, [benadeelde 1] , alsmede passagier [slachtoffer 1] via de - inmiddels vernielde - linker portierruit uit de personenauto geslingerd en op het wegdek terecht gekomen. Hierbij is
[benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hersenletsel, toegebracht en is [slachtoffer 1] zodanig gewond geraakt, dat hij de volgende ochtend aan zijn verwondingen is overleden.

Door op deze manier de besturing van de personenauto te beïnvloeden heeft verdachte volstrekt geen verantwoordelijkheid getoond ten opzichte van zijn medeweggebruikers en de overige inzittenden van deze personenauto. Hij heeft door zijn handelen niet alleen de verkeersveiligheid op zeer ernstige wijze in gevaar gebracht, maar ook het zwaar lichamelijk letsel van [benadeelde 1] en de dood van [slachtoffer 1] veroorzaakt.

Met het overlijden van - de destijds 35-jarige - [slachtoffer 1] , vader van een zoon van destijds 2 jaar oud, is nabestaanden groot leed aangedaan, zoals ter zitting van het hof is gebleken. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van respectievelijk [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , respectievelijk de partner, de moeder en de zus van [slachtoffer 1] , blijkt hoezeer hun wereld is ingestort. Ook uit de door [benadeelde 1] ter zitting van het hof voorgelezen en overgelegde schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat zijn wereld volledig is veranderd en dat hij als gevolg van het opgelopen letsel voor 65% is afgekeurd. Bij dit alles komt dat verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen en onvoldoende blijk heeft gegeven van compassie met de nabestaanden en het voornoemde slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat ingrijpende gebeurtenissen, waaronder de hiervoor bewezen verklaarde feiten, beter door de slachtoffers/nabestaanden worden verwerkt, indien de pleger daarvan het ongeoorloofde van zijn gedragingen erkent en daarvoor verantwoordelijkheid neemt.
Om recht te doen aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder deze feiten zijn gepleegd, de mate van schuld die het hof bewezen acht en de gevolgen daarvan zoals hiervoor vermeld, en mede in aanmerking nemende de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting, dient aan verdachte in beginsel de door de advocaat-generaal gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid te worden opgelegd. Het hof overweegt in dit verband dat verdachte zich in juridische zin heeft gedragen als bestuurder door de voortbeweging en de rijrichting van de personenauto met zijn handelen te beïnvloeden, zodat het opleggen van een rijontzegging ook mogelijk is.

Tegenover het vorenstaande staat het navolgende.

Verdachte zal zijn leven lang geconfronteerd blijven met de dood van [slachtoffer 1] en met het zwaar lichamelijk letsel dat het slachtoffer [benadeelde 1] heeft opgelopen en de gevolgen die dit hersenletsel voor [benadeelde 1] heeft en met het gegeven, dat juist hij, hun (voetbal)vriend, degene is geweest die hiervoor verantwoordelijk is. Dit zal een zware last voor verdachte zijn.

Uit het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 februari 2019 blijkt dat verdachte zowel vóór als na het plegen van de bewezen verklaarde feiten niet ter zake van het plegen van enig strafbaar feit met justitie in aanraking is gekomen.

In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 2 jaren te matigen tot 18 maanden.

Tot slot is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat, gelet op het roekeloze rijgedrag van verdachte, aan hem ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit voorts een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van lange duur, te weten3 jaren, dient te worden opgelegd.
Een mildere strafmodaliteit, zoals door de raadsman bepleit komt, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden, waaronder deze feiten zijn gepleegd, de mate van schuld die het hof bewezen acht en de gevolgen daarvan zoals hiervoor vermeld, niet in aanmerking.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich ter zake van het onder 1 ten laste gelegde in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vaststaat dat de benadeelde partij ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vergoeding gevorderd voor materiële schade (eigen risico zorgverzekering) tot een bedrag van € 363,88 en voor immateriële shockschade tot een bedrag van € 15.000,=. Daarnaast heeft de benadeelde partij de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ten slotte heeft de benadeelde partij proceskosten gevorderd tot een bedrag van in totaal € 2.386,16.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij haar vordering met betrekking tot de hiervoor genoemde proceskosten ad € 2.386,16 laten vervallen.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij de hiervoor genoemde materiële schade ad€ 363,88, welke schade van de zijde van verdachte onvoldoende gemotiveerd is bestreden, heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dit bedrag worden toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, nu het hof die maatregel noodzakelijk voorkomt.
De gevorderde wettelijke rente is eveneens voor toewijzing vatbaar.

Van de kant van de verdachte is de gevorderde shockschade ad € 15.000,= uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Evenals de advocaat-generaal acht ook het hof deze schade te complex om daar thans een deugdelijk oordeel over te kunnen geven. Aanhouding van de behandeling voor het (laten) doen van nader onderzoek met betrekking hiertoe levert naar het oordeel van het hof een zodanige onevenredige belasting van het strafgeding op dat dit deel van de vordering zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de (deels) in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich ter zake van het onder 1 ten laste gelegde in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Ter zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij haar vordering in eerste aanleg in hoger beroep niet meer handhaaft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich ter zake van het onder 1 ten laste gelegde in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Ter zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij haar vordering in eerste aanleg in hoger beroep niet meer handhaaft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Gebleken is dat de benadeelde partij zich ter zake van het onder 2 ten laste gelegde in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg niet is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Ter zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zijn vordering in eerste aanleg in hoger beroep niet meer handhaaft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair,

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte de voor de duur van .

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van .
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op5 november 2016.
Aldus gewezen doormr. J.J. Beswerda, voorzitter,mr. O. Anjewierden en mr. P.W.J. Sekeris, raadsheren,in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,en op 11 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.