Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:3083

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-04-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:3083, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-003592-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:3083:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003592-16 Uitspraak d.d.: 12 april 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2016 met parketnummer 05-800011-15 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1986] , wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 maart 2019 en 29 maart 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Vingerling, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van de onder 3 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde feiten. Hoger beroep tegen deze vrijspraken staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing, kwalificatie en strafoplegging komt en daarom in zoverre opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

- gekwalificeerde diefstal (diefstal in vereniging, al of niet uit een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, en/of met braak, verbreking of inklimming), - ( gewoonte)witwassen, - heling, - valsheid in geschrifte, - het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 3 en/of artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet;
Aan verdachte is tenlastegelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

1:hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 3 februari 2015 in de gemeente(n) Tiel, en/of in de gemeente Ede en/of in de gemeente Arnhem en/of in de gemeente Nederweert en/of in de gemeente Veenendaal en/of in de gemeente Den Haag en/of (elders) in Nederland, en/of in Duitsland en/of in Marokko heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep samenwerkende personen die gevormd werd door/bestond uit [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [verdachte] en/of [betrokkene 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
2:hij op of omstreeks 21 november 2014, in de gemeente Arnhem en/of in de gemeente Tiel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 40 kilogram hennep en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe in de eerste plaats betoogd dat geen sprake was van een criminele organisatie. Indien het hof van oordeel is dat in de tenlastegelegde periode wel sprake was van een criminele organisatie, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het opzet van verdachte gericht is geweest op die deelname, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier van een aantal feiten en omstandigheden die bezwarend zijn voor verdachte en aanwijzingen opleveren dat verdachte betrokken was bij strafbare feiten. Vooral uit de inhoud van verschillende tapgesprekken zou kunnen blijken dat verdachte in de tenlastegelegde periode bij criminele activiteiten betrokken is geweest. Concrete bewijsmiddelen tegen verdachte waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de onder 1 tenlastegelegde criminele organisatie ontbreken echter in het dossier. Daarom zal het hof verdachte vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:hij op 21 november 2014, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] )

een hoeveelheid van ongeveer 40 kilogram hennep en/of

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft verdachte voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar (met aftrek van voorarrest).

De advocaat-generaal heeft geëist dat verdachte voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar (met aftrek van voorarrest).

De raadsman heeft het hof verzocht om geen gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten. In het kader van de strafmaat heeft de raadsman - onder meer - gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en het beperkte strafblad van verdachte. Verder heeft hij aangevoerd dat sprake is van een positieve ontwikkeling in verdachtes leven.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bewerken en verwerken van een groot aantal hennepplanten. Hij heeft na een zogenoemde “henneprip”, een grote hoeveelheid gestolen hennep in een hoeslaken vervoerd van Arnhem naar Tiel. Daar heeft hij die hennepplanten geknipt. Het hof gaat er bij de strafoplegging van uit dat het bij zijn betrokkenheid gaat om een hoeveelheid van 12 tot 15 kilogram hennep, zoals verdachte zelf heeft verklaard. Verdachte heeft hiermee bijgedragen aan het bevorderen en in stand houden van het illegale hennepcircuit. Het betreft een ernstig feit, aangezien de uit hennepplanten verkregen stof THC schadelijk is voor de volksgezondheid. Kennelijk heeft verdachte zich niet om deze gevolgen bekommerd en heeft hij slechts gehandeld uit winstbejag.

Het hof heeft in het voordeel van verdachte in de strafoplegging meegewogen dat hij blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 februari 2019 niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Het hof houdt verder in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Deze overschrijding dient bij de strafoplegging gecompenseerd te worden. Zonder schending van de redelijke termijn zou het hof aan verdachte hebben opgelegd een gevangenisstraf van 9 weken, maar gelet op de overschrijding van de redelijke termijn acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf van 8 weken (met aftrek van voorarrest) passend en geboden. Vanwege de aard en de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit en gelet op zijn betrokkenheid daarbij, acht het hof de oplegging van een taakstraf niet passend.

Beslag

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat op het beslag moet worden beslist conform de beslissing van de rechtbank.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de beslissing op het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat de notebook (met adapter) aan verdachte dient te worden teruggegeven. Niet is gebleken dat dit voorwerp van misdrijf afkomstig is dan wel dat deze is gebruikt bij het plegen van strafbare feiten. Verder is het hof - ook met de rechtbank - van oordeel dat de teruggave aan de rechthebbende moet worden gelast van de zilveren dollarmunt (volgnummer 10), de Curver afvalbak (volgnummer 11) en de voorwerpen genoemd onder volgnummer 16. Er is geen strafvorderlijk belang dat zich hiertegen verzet.

Anders dan de rechtbank heeft beslist, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de laserpen, de drie telefoons van het merk Nokia, de zes simkaarten, de koffer met inhoud en de slotentrekker.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

- één notebook met adapter (volgnummer 8).
- één zilveren dollarmunt in blauw doosje (volgnummer 10); - één Curver afvalbak (volgnummer 11); - twee armbanden, één sleutel, één munt en twee oorbellen (volgnummer 16).
- één laserpen (volgnummer 1); - drie Nokia telefoons (volgnummers 2, 13 en 14); - zes simkaarten (volgnummers 3, 4, 5, 6, 7 en 15); - één koffer met inhoud van baken (volgnummer 12); - één slotentrekker (volgnummer 9).
Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Gelast de aan de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Aldus gewezen doormr. A.J. Smit, voorzitter,mr. H. Heins en mr. K.J.C. Geeve, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. R. Jansen, griffier,en op 12 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 april 2019.

Tegenwoordig:mr. H. Heins, voorzitter,mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier.De voorzitter doet de zaak uitroepen.De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.