Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:27

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 03-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:27, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.239.314/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.239.314/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/148801/FA RK 16-735)
beschikking van 3 januari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep,verweerster in incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de vrouw,advocaat: mr. J.S. Bauer te Leeuwarden,
en

[verweerder]

wonende te [A] ,verweerder in hoger beroep,verzoeker in incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de man,advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden.
Als belanghebbende is aangemerkt:

Mr. [B] in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige] ,

advocaat te Leeuwarden,verder te noemen: de bijzondere curator.

ECLI:NL:GHARL:2019:27:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.239.314/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/148801/FA RK 16-735)
beschikking van 3 januari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep,verweerster in incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de vrouw,advocaat: mr. J.S. Bauer te Leeuwarden,
en

[verweerder]

wonende te [A] ,verweerder in hoger beroep,verzoeker in incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de man,advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden.
Als belanghebbende is aangemerkt:

Mr. [B] in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige] ,

advocaat te Leeuwarden,verder te noemen: de bijzondere curator.
1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 13 juli 2016, 12 oktober 2016 en 21 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 17 mei 2018;- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van de man;- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s) van de vrouw;- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: raad) van 23 mei 2018;- een journaalbericht van mr. Bauer van 5 juni 2018 met productie(s);- een brief van de raad van 20 augustus 2018 met productie(s).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 28 november 2018 plaatsgevonden. Namens de vrouw is verschenen haar advocaat. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook is verschenen de bijzondere curator.
3

3.1
Uit de vrouw is geboren: [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2014. De vrouw is van rechtswege belast met het gezag over [de minderjarige] . De man is de verwekker van [de minderjarige] .
3.2
De man heeft de kinderrechter verzocht vervangende toestemming te verlenen tot het erkennen van [de minderjarige] en een informatie-en omgangsregeling vast te stellen.
3.3
Bij beschikking van de kinderrechter van 13 juli 2016 is de bijzondere curator benoemd. Bij beschikking van 12 oktober 2016 heeft de kinderrechter, in lijn met het advies van de bijzondere curator, de raad opdracht gegeven een onderzoek in te stellen en de kinderrechter te adviseren over de verzoeken zoals door de man ingediend. Op 8 november 2017 heeft de raad rapport uitgebracht en geadviseerd het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] toe te wijzen en de overige verzoeken van de man aan te houden. De bijzondere curator heeft geadviseerd alle verzoeken van de man aan te houden.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] toegewezen en de verzoeken van de man tot het vaststellen van een omgangs- en informatieregeling afgewezen.
4

4.1
In geschil is de door de man verzochte vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] alsmede een omgangs- en informatieregeling met betrekking tot [de minderjarige] .
4.2
De vrouw is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de door de kinderrechter verleende vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] . De vrouw verzoekt de bestreden beschikking op dit punt te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij beschikking de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen.
4.3
De man is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de afwijzing van zijn verzoeken om een omgangs- en informatieregeling vast te stellen. De man verzoekt in het principaal beroep de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen en in het incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft het afwijzen van de door de man gewenste omgangs- en informatieregeling en alsnog te bepalen dat de man eens per twee weken op zondag vanaf 13.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met [de minderjarige] , althans een door het hof in goede justitie te bepalen omgangsregeling, alsmede dat de vrouw de man eens per maand schriftelijk op de hoogte dient te stellen omtrent de gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [de minderjarige] en het vermogen van [de minderjarige] , in die zin dat de vrouw tenminste met betrekking tot de gezondheid van [de minderjarige] aan de man informatie zal verstrekken.
4.4
De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele beroep, dan wel het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking op deze punten te bekrachtigen.
4.5
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
beslissing

5

vervangende toestemming tot erkenning

5.1
Uitgangspunt is dat aan de verwekker vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend, tenzij komt vast te staan dat dit de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Daarbij staat voorop dat het in het belang is van kinderen dat zij weten van wie zij afstammen en dat de juridische werkelijkheid zoveel mogelijk aansluit bij de biologische werkelijkheid over het vaderschap. Dit belang is zo groot dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden de rechter het verzoek van de man kan afwijzen. Het is aan de vrouw om haar stelling dat het verzoek niet moet worden toegewezen te onderbouwen en aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat voormelde belangenafweging dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de man. Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor niet voldoende dat er sprake is van emotionele weerstand bij de vrouw dan wel dat er sprake is van een moeizame of ernstig verstoorde verhouding tussen de vrouw en de man, of slechte of geen communicatie en loyaliteitsconflicten.
5.2
Het hof is van oordeel dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de angst die zij ervaart is terug te voeren op concrete gedragingen van de man en dat als gevolg daarvan sprake is van een "tenzij -situatie" zoals hiervoor benoemd. Weliswaar is gebleken van omstandigheden die bij de vrouw onrustige gevoelens teweeg brengen waardoor de vrouw (veel) stress ervaart, maar deze omstandigheden acht het hof onvoldoende om te concluderen dat voormelde risico’s reëel zijn en zich in dit geval zullen voordoen. De emotionele bezwaren van de vrouw tegen erkenning van [de minderjarige] door de man vormen op zichzelf bezien onvoldoende reden om de man vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] te weigeren. Hoewel de vrouw stelt dat haar angst voortkomt uit door de man bij haar veroorzaakte trauma’s en emotionele ontwrichting, is het hof van oordeel dat niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden waaraan na de inmiddels verstreken periode van vier jaren dergelijke verstrekkende gevolgen kunnen worden toegeschreven. Enkel de verklaring van de vrouw dat haar psycholoog heeft gezegd dat therapie op dit moment geen toegevoegde waarde heeft omdat de vrouw eerst rust nodig heeft is onvoldoende.
5.3
Het hof zal de beslissing met betrekking tot de vervangende toestemming tot erkenning van het vaderschap ook niet aanhouden in afwachting van nadere informatie. Het verzoek van de man dateert inmiddels van meer dan 2,5 jaar geleden en niet is gebleken dat de vrouw sindsdien inspanningen heeft verricht om de man, als vader van [de minderjarige] een plek in haar leven te geven. Ook het dringende advies van de raad en de overweging van de kinderechter in de bestreden beschikking om professionele hulpverlening te aanvaarden, is door de vrouw niet, in elk geval onvoldoende, opgepakt. Zo is gebleken dat er nog steeds geen statusvoorlichting aan [de minderjarige] heeft plaatsgevonden en is ook niet gebleken dat de vrouw anderszins inspanningen heeft verricht om [de minderjarige] in staat te stellen haar vader te leren kennen. Uit de stukken ontstaat het beeld dat de vrouw niet zozeer gericht is op de toekomst maar meer op het verleden. Vaststaat dat de vrouw niet wil dat de man (op dit moment) een plek krijgt in het leven van [de minderjarige] . Het is evenwel de taak van de vrouw om de belangen van [de minderjarige] op de eerste plaats te zetten en in een zodanige mate aan haar eigen problematiek te werken dat de man een plek kan krijgen in het leven van hun beider dochter. Het hof weegt daarbij mee dat uit het onderzoek van de raad niet is gebleken dat aan de zijde van de man sprake is van zodanige ernstige bezwaren die een erkenning in de weg zouden staan. Integendeel, uit de stukken komt naar voren dat de man een stabiel leven leidt met werk, een partner met wie hij een kind heeft en dat de man waar nodig hulpverlening accepteert. Hij wordt door de hulpverlener ervaren als een meewerkende, gemotiveerde en vriendelijke man en dat is ook het beeld dat bij het hof ter zitting van de man is ontstaan. Ook weegt het hof mee dat uit het rapport van de raad van 8 november 2017 blijkt dat [de minderjarige] een gezonde, over het algemeen vrolijke en goed ontwikkelde kleuter is. Sociaal lijkt zij goed in staat op een leeftijdsadequate wijze contacten met anderen aan te gaan en zij wordt omschreven als een weerbaar meisje. De zorgen die de raad over [de minderjarige] heeft komen voort uit zorgen van de raad omtrent het functioneren van de vrouw als opvoeder, waaronder begrepen het achterwege blijven van statusvoorlichting aan [de minderjarige] . Alles afwegende, acht het hof de door de moeder gestelde belemmeringen, evenals de raad, niet zodanig dat vanuit het belang van [de minderjarige] een contra-indicatie bestaat voor erkenning door de man.
5.4
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] betreft, bekrachtigen.
5.5
Uit het voor overwogene volgt dat de taak van de bijzondere curator met ingang van heden is beëindigd.
omgangsregeling

5.6
Zoals hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat aan de man vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] moet worden verleend. Om pragmatische redenen gaat het hof ervan uit dat de man van deze toestemming ook gebruik maakt en [de minderjarige] op korte termijn als dochter erkent. De man wordt daarmee de juridische vader van [de minderjarige] . Het hof gaat daarom voorbij aan de stellingen van de vrouw voor zover betrekking hebbende op het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking of family-life tussen hem en [de minderjarige] op grond waarvan zijn verzoek zou moeten worden afgewezen.
5.7
Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat [de minderjarige] recht heeft op omgang met haar vader en dat op de staat een positieve verplichting rust om in het licht van de omstandigheden van het geval naar de mate van het mogelijke het recht op omgang ook te effectueren. De belangen van [de minderjarige] vormen daarbij de eerste overweging en kunnen daarbij boven de belangen van de ouders gaan.
5.8
Een afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling kan slechts op de gronden bij wet voorzien en een dergelijke beslissing is altijd tijdelijk van aard.
5.9
De raad heeft inmiddels meer dan een jaar geleden onderzoek verricht naar (onder meer) de mogelijkheden van omgang tussen [de minderjarige] en haar vader. Het onderzoek van de raad heeft geleid tot een ambtshalve uitbreiding van het onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel. Omdat de raad toen van mening was dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling werd bedreigd, heeft de raad een verzoek tot ondertoezichtstelling bij de kinderrechter ingediend. Bij beschikking van 8 december 2017 is dat verzoek door de kinderrechter afgewezen. Hulpverlening in het gedwongen kader is derhalve niet ingezet terwijl het hof nu ook vaststelt dat hulpverlening in het vrijwillige kader is uitgebleven.Het hof heeft dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de situatie rondom [de minderjarige] en de ernstige bedreiging in haar ontwikkeling die toen door de raad is geconstateerd in positieve zin is veranderd. In dat kader staat immers in elk geval vast dat er onveranderd geen statusvoorlichting heeft plaatsgevonden. Een belangrijke belemmering voor een omgangsregeling vormde voor de raad toen onder meer het gegeven dat [de minderjarige] geen weet heeft van haar vader en haar vader niet kent. De raad heeft het toen van belang geacht om de mogelijkheden van omgang tussen [de minderjarige] en haar vader eerst te beoordelen nadat er statusvoorlichting heeft plaatsgevonden. Vanuit het gegeven dat de raad meer dan een jaar geleden heeft vastgesteld dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, er sindsdien geen hulpverlening is ingezet, [de minderjarige] onveranderd niet weet wie haar vader is en het feit dat het hof zich geen beeld van de moeder heeft kunnen vormen omdat de moeder niet ter zitting bij het hof is verschenen, is het hof van oordeel dat in het belang van [de minderjarige] de raad opnieuw een (verkort) onderzoek dient in te stellen naar de mogelijkheden van omgang tussen [de minderjarige] en haar vader en het hof te adviseren over het traject dat daarvoor moet worden ingezet en/of zo mogelijk de ouders te (laten) verwijzen naar een (gespecialiseerde) organisatie teneinde een (voorlopige) omgangsregeling op te starten en (intensief) te begeleiden. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak in zoverre aanhouden.
informatieregeling

5.10
De vrouw die met het gezag is belast, is bij wet gehouden om de niet met het gezag belaste ouder (hier: de man) op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [de minderjarige] en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. De rechter kan op verzoek van een ouder een regeling hieromtrent vastleggen.
5.11
Het hof is van oordeel dat om dezelfde redenen als hiervoor vermeld er aanleiding bestaat om een definitieve beslissing op het verzoek van de man aan te houden. Het hof zal de raad vragen ook hieromtrent het hof nader te adviseren en meer in het bijzonder omtrent de aard en de frequentie van de informatieregeling. Niettemin rekent het hof het wel al tot de taak van de vrouw om er voor te zorgen dat de man reeds met ingang van heden tenminste minimaal éénmaal per zes maanden te beginnen met maart 2019 - de nodige informatie over [de minderjarige] krijgt en mede met behulp van recente foto's en informatie - ter grootte van minimaal een half A4 - op de hoogte wordt gehouden van haar gezondheid en ontwikkeling, zodat de man zich een beeld kan vormen van haar opgroeien. Indien de vrouw meent dat rechtstreeks contact tussen haar en de man niet van haar gevergd kan worden, ligt het op de weg van de vrouw om er zorg voor te dragen dat deze informatie door tussenkomst van derden aan de man wordt verstrekt. Het hof zal om die reden een voorlopige informatieregeling vast stellen als hierna vermeld.
6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 februari 2018, voor zover het de vervangende toestemming tot erkenning van [de minderjarige] betreft;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 21 februari 2018, voor zover daarbij de verzoeken van de man tot het vaststellen van een omgang- en informatieregeling zijn afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt een voorlopige informatieregeling in die zin dat de vrouw, zo nodig door tussenkomst van derden, de man éénmaal per zes maanden –te beginnen met maart 2019– schriftelijk (ten minste op half A4 formaat) informeert over de ontwikkeling en gezondheid van [de minderjarige] , onder bijvoeging van recente foto’s;

verzoekt de raad een nader onderzoek in te (doen) stellen als hiervoor onder 5.9 en 5.11 omschreven en uiterlijk op 3 april 2019 daaromtrent te rapporteren;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;

verklaart deze beschikking voor zover het betreft de voorlopige informatieregeling uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, M.P. den Hollander en M. Weissink, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 3 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.