Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:2274

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 13-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:2274, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-002752-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:2274:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002752-18 Uitspraak d.d.: 13 maart 2019TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 mei 2018 met parketnummer 16-041146-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992, wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J. Zevenboom, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging en aldus de grondslag van het onderzoek is gewijzigd. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

- naar voornoemde woning gegaan en/of - ( vervolgens) een slot van de poortdeur geforceerd en/of - ( vervolgens) over de schutting/poort geklommen, althans de achtertuin betreden en/of - ( vervolgens) de woning genaderd en/of - ( vervolgens) door de ruit(en) naar binnen/de woning in gekeken en/of - ( vervolgens) aan de deurklink gevoeld en/of getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
- met zijn mededader(s), althans alleen, naar de woning gelegen aan de [adres] is/zijn gegaan en/of- ( vervolgens) over de schutting/poort is/zijn geklommen, althans de achtertuin heeft/hebben betreden en/of- ( vervolgens) de woning heeft/hebben genaderd en/of- ( vervolgens) door de ruit(en) naar binnen/de woning in heeft/hebben gekeken en/of- ( vervolgens) aan de deurklink heeft/hebben gevoeld en/of heeft/hebben getrokken en/of- een breekijzer, althans een (breek)voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.
Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

primair:hij op of omstreeks 15 februari 2018 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen een of meer goed(eren) en/of enig(e) geldbedrag(en) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen en/of enig(e) geldbedrag(en), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),

subsidiair:hij op of omstreeks 15 februari 2018 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten de in artikel 311 (eerste lid, onder 3°) van het Wetboek van Strafrecht omschreven diefstal, te plegen onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 311, eerste lid, onder 4° van het Wetboek van Strafrecht dan wel artikel 311, eerste lid, onder 5° van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij niet de persoon is die op de camerabeelden te zien is en dat de herkenning van verdachte door de verbalisanten onvoldoende bewijswaarde toekomt.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt voorts het navolgende. Het hof stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen aan de hand van beelden en/of foto’s en de bewijskracht daarvan. Dit geldt te meer indien deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij een ten laste gelegd feit zou kunnen aantonen. Bij de beoordeling van het bewijs is dan ook van doorslaggevend belang of deze herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende (persoons)kenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de (af)beeld(ing)en evenals de mate van zichtbaarheid van (persoons)kenmerken op die (af)beeld(ing)en. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien en hoe de herkenning tot stand is gekomen.
Het hof stelt vast dat twee verbalisanten ieder voor zich de camerabeelden hebben bekeken en daarop verdachte hebben herkend. Verbalisant [verbalisant 1] relateert dat hij verdachte herkent aan zijn gezicht en zijn haardracht. Hij kent verdachte omdat hij als wijkagent met enige regelmaat contact met hem heeft. Verbalisant [verbalisant 2] relateert dat hij wijkagent is geweest in Nieuwegein en dat hij verdachte meermalen heeft gecontroleerd tijdens een verkeerscontrole. Daarnaast heeft het hof ter zitting, in het bijzijn van verdachte, de camerabeelden bekeken en geconstateerd dat één van de personen op de camerabeelden donker haar en donkere wenkbrauwen heeft en gelijkenis vertoont met verdachte. Het hof is van oordeel dat de camerabeelden van goede kwaliteit zijn en dat daarop voldoende duidelijk onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn, in ieder geval zodanig dat daarop een betrouwbare positieve herkenning zonder meer gebaseerd kan worden.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte één van de twee personen is die op de camerabeelden is te zien.

Het hof stelt voorts vast dat verdachte zich samen met de medeverdachte omstreeks 20:55 uur in de afgesloten tuin van aangever bevond. Op de camerabeelden is te zien dat de medeverdachte daar door het raam van de woning van aangever naar binnen kijkt en aan de deurklink voelt. Verdachte kijkt ook naar binnen en heeft een langwerpig voorwerp in zijn handen. Het hof gaat er van uit dat dit een breekvoorwerp betreft. Alles in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat de handelingen van de verdachten een begin van uitvoering vormen van de voorgenomen inbraak, aangezien zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf. Dat verdachte iets anders van plan waren dan in te breken is op geen enkele manier aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

- naar voornoemde woning gegaan en- - ( vervolgens) over de schutting/poort geklommen, en- ( vervolgens) de woning genaderd en- ( vervolgens) door de ruit naar binnen/de woning in gekeken en- ( vervolgens) aan de deurklink gevoeld , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:hij op 15 februari 2018 te Nieuwegein tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goed(eren) en/of geld van hun gading, toebehorende aan [benadeelde] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming , immers zijn en/of hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader,

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte al gedurende langere tijd niet meer in aanraking is gekomen met justitie en dat verdachte nu over een eigen woning beschikt, werkt aan zijn schuldenlast en deelneemt aan een werk- en leerproject.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich samen met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Woninginbraken zijn vervelende feiten die, naast materiële schade en overlast, ook tot gevoelens van onveiligheid leiden bij de slachtoffers en in de maatschappij. Het hof rekent het verdachte daarnaast aan dat hij geen verantwoor-delijkheid neemt voor zijn handelen.

Het LOVS-oriëntatiepunt voor inbraak in een woning is een gevangenisstraf van drie maanden. Verdachte is daarnaast in het verleden meerdere keren veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder ook bij arrest van 31 oktober 2014 voor een vermogensdelict. Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, zoals gevorderd door de advocaat-generaal en opgelegd in eerste aanleg, passend en geboden. In hetgeen door de raadsman en de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden is aangevoerd ziet het hof geen reden tot oplegging van een andere straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Aldus gewezen doormr. A. van Waarden, voorzitter,mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. T. Faber, griffier,en op 13 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.mr. C.P.J. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 maart 2019.

Tegenwoordig:mr. J.P. Bordes, voorzitter,mr. A.C.L. van Holland, advocaat-generaal,mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier.De voorzitter doet de zaak uitroepen.De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.