Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:2245

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:2245, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.241.780/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.780/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/117948 / HA ZA 17-42)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [A] ,

wonende te [B] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. W.H. Bussink, kantoorhoudend te Assen,
tegen

Zorggroep Perspectief B.V.,

gevestigd te Assen,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.M. Pol, kantoorhoudend te Assen.

ECLI:NL:GHARL:2019:2245:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.780/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/117948 / HA ZA 17-42)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [A] ,

wonende te [B] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. W.H. Bussink, kantoorhoudend te Assen,
tegen

Zorggroep Perspectief B.V.,

gevestigd te Assen,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. J.M. Pol, kantoorhoudend te Assen.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 17 mei 2017 en 16 mei 2018 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.
2. Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep van 20 juni 2018,- de memorie van grieven,- de memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
[appellant] vordert, zo begrijpt het hof, in het hoger beroep - samengevat - het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 16 mei 2018 te vernietigen en alsnog de oorspronkelijke vordering van [appellant] toe te wijzen met veroordeling van Zorggroep Perspectief in de kosten van beide instanties.
3

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.12 van het bestreden vonnis nu daartegen geen bezwaren zijn ontwikkeld, aangevuld met wat overigens nog is komen vast te staan in hoger beroep.
3.2
Zorggroep Perspectief is een bedrijf dat zorg verleent aan hulpbehoevenden op het psychische en sociale vlak.
3.3
Bij besluit van 18 december 2012 heeft het Zorgkantoor aan [A] voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 38.249,32 netto toegekend. Die toekenning werd gedaan in verband met de volgende "functies":- persoonlijke verzorging;- begeleiding individueel;- begeleiding in groepsverband.
3.4
Op 5 mei 2013 heeft [A] met Zorggroep Perspectief met terugwerkende kracht tot 1 april 2013 een 'Zorgovereenkomst PGB Budgethouder & Zorggroep Perspectief" (hierna: de zorgovereenkomst) gesloten. De te verrichten werkzaamheden zijn daarin aangeduid als "Begeleiding individueel" en "Begeleiding Groep". In artikel 8 is bepaald dat Zorggroep Perspectief het recht heeft het overeengekomen tarief bij te stellen "in vervolg op of naar aanleiding van bijstellingen van de PGB-regeling (…)". In artikel 12 van de overeenkomst is bepaald dat deze van rechtswege eindigt, zonder dat voorafgaande opzegging nodig is, indien en zodra "Het recht op persoonsgebonden budget voor opdrachtgever eindigt en niet wordt verlengd" en "Het persoonsgebonden budget onder andere voorwaarden wordt verleend". Met een deel (€ 21.184,13) van het aan hem toegekende pgb heeft [A] in 2013 zorg ingekocht bij Zorggroep Perspectief.
3.5
Bij besluit van 19 november 2014 - voor zover van belang - heeft het Zorgkantoor de verantwoording van de besteding (via Zorgroep Perspectief) van het pgb van [A] over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 in haar geheel (het hiervoor in 3.4 genoemde bedrag van € 21.184,13) afgewezen. Daartoe is overwogen dat niet gereageerd is op een viertal brieven van het Zorgkantoor waarin is verzocht om informatie ten behoeve van het administratief vooronderzoek, van Zorggroep Perspectief een aantal - nader in de beschikking gespecificeerde - stukken niet is ontvangen en in de zorgovereenkomst een vast maandtarief is afgesproken, wat niet gebruikelijk is als het aantal geleverde uren sterk varieert. Verder is in de beschikking vermeld dat [A] niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek.
3.6
Bij afzonderlijk besluit van 19 november 2014 (de beschikking subsidievaststelling pgb) heeft het Zorgkantoor over 2013 een bedrag van € 38.249,32 (waarin begrepen het hiervoor genoemde bedrag van € 21.184,13) aan niet verantwoord pgb van [A] teruggevorderd.

3.7
[A] heeft tegen de beide besluiten van 19 november 2014 op 24 december 2014 een bezwaarschrift ingediend.
3.8
Bij besluit van 23 december 2013 heeft het Zorgkantoor aan [A] voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 37.004,05 netto toegekend. Die toekenning werd, net als in 2013, gedaan in verband met de volgende "functies":- persoonlijke verzorging;- begeleiding individueel;- begeleiding in groepsverband.
3.9
[appellant] heeft over de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014, zo blijkt uit het besluit van 14 juli 2015 van het Zorgkantoor, de volgende verantwoording afgelegd:eigen gebruik pgb 11.913,30Zorggroep Perspectief 12.149,60Het Zorgkantoor heeft deze verantwoording afgewezen.
3.10
Bij besluit van 15 juli 2015 (beschikking subsidievaststelling) heeft het Zorgkantoor van [A] een bedrag van € 20.518,99 teruggevorderd. Dat bedrag had betrekking op de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014. [A] heeft hiertegen op 18 augustus 2015 een bezwaarschrift ingediend.
3.11
Bij besluit van 3 november 2015 heeft het Zorgkantoor de bezwaren van [A] met betrekking tot de subsidievaststelling voor 2013 ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd. Overwogen is dat het afgesproken maandtarief niet in overeenstemming is met de daadwerkelijk geleverde zorg en dat de facturen van de zorgverlener niet specifiek genoeg zijn, aangezien hier niet uit volgt op welke dagen zorg is verleend. Verder is door [A] niet inzichtelijk gemaakt dat dubbele zorgverlening noodzakelijk was, zodat de uren slechts één keer kunnen worden meegenomen. Daarnaast blijkt uit de bankafschriften dat de maanden augustus 2013 en december 2013 vooraf zijn betaald wat in strijd is met de Regeling subsidies AWBZ. De conclusie luidt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat Zorggroep Perspectief AWBZ-zorg heeft geleverd, waardoor het bedrag van € 21.184,13 afgewezen zal blijven.
3.12
Bij afzonderlijk besluit van 3 november 2015 heeft het Zorgkantoor de bezwaren van [A] met betrekking tot de subsidievaststelling voor 2014 ongegrond verklaard. Overwogen is dat het afgesproken maandtarief niet in overeenstemming is met de werkelijk geleverde zorg, dat de overgelegde facturen onvoldoende specifiek zijn, dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom soms dubbele zorgverlening noodzakelijk was en onvoldoende inzichtelijk is gemaakt welke zorg daadwerkelijk is geleverd. Ten aanzien van de door Zorggroep Perspectief geleverde zorg is overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij AWBZ-zorg heeft geleverd.
3.13
[A] is tegen de beide besluiten van 3 november 2015 in beroep gegaan bij de rechtbank Noord-Nederland. Bij uitspraak van 23 juni 2016 heeft de rechtbank overwogen dat de door Zorggroep Perspectief verleende zorg niet is aan te merken als zorg in de zin van artikel 6 Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt. Beslist is vervolgens dat het Zorgkantoor de verantwoorde zorg
(€ 21.184,15) voor begeleiding door Zorggroep Perspectief over de periode 1 januari 2013 tot en met december 2013 terecht heeft afgekeurd en bevoegd was het pgb lager vast te stellen.

3.14
Bij afzonderlijke uitspraak van 23 juni 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat de door Zorggroep Perspectief geboden zorg niet is aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het Zorgkantoor de verantwoorde zorg voor begeleiding door Perspectief over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 ten aanzien van het bedrag van € 12.149,60 terecht heeft afgekeurd.
3.15
Op 3 november 2016 heeft [A] Zorggroep Perspectief in gebreke gesteld en gevorderd een bedrag van € 33.333,73 - te weten: de hiervoor genoemde bedragen van € 21.184,13 en € 12.149,60 - als schadevergoeding aan haar te betalen.
beslissing

4

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd Zorggroep Perspectief te veroordelen tot betaling van € 33.333,73, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.108,34, eveneens vermeerderd met wettelijke rente, en proceskosten.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen in het bestreden vonnis afgewezen. De motivering van de rechtbank kan als volgt worden samengevat. De bestuursrechter heeft al geoordeeld dat de door Zorggroep Perspectief verleende zorg geen zorg in de zin van artikel 6 Bza was en daarom niet uit het pgb bekostigd kon worden. Dat staat daarom ook in de civiele procedure vast. In de tussen partijen gesloten zorgovereenkomst staat niet dat de te verlenen zorg moest voldoen aan de eisen van artikel 6 Bza. De enkele omstandigheid dat Zorggroep Perspectief wist of had moeten weten dat de zorg uit het pgb zou worden betaald, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat slechts overeengekomen is het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 6 Bza. Zorggroep Perspectief heeft, conform overeenkomst, de daarin omschreven zorg verleend. Van wanprestatie is dan ook geen sprake. [A] was budgethouder. Hij was verantwoordelijk voor de besteding van het hem toegekende pgb-budget. Als de geleverde zorg geen AWBZ-zorg is komt dat om die reden geheel voor verantwoordelijkheid van [A] .
overwegingen

5

Inleiding

5.1
[appellant] heeft een viertal grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. In die grieven worden de volgende thema's aangesneden:a. inhoud overeenkomst: wel of niet slechts zorg als bedoeld in artikel 6 Bza (grieven I en II);b. wanprestatie van Zorggroep Perspectief (grief III)c. Verantwoordelijkheid van de budgethouder (grief IV).De grieven zullen hierna in deze volgorde worden behandeld. De grieven I en II lenen zich daarbij voor gezamenlijke behandeling.
Systeem AWBZ

5.2
Voordat aan behandeling van de grieven wordt toegekomen is het nuttig in het kort te schetsen hoe het systeem van de pgb's in elkaar zit. De feiten zijn ontleend aan bijlage 2 bij de beschikking op bezwaar van 3 november 2015 (productie 7 bij dagvaarding), de hiervoor (onder 3.13 en 3.14) genoemde uitspraken van de bestuursrechter en openbare bron (tekst Bza zoals geldend in 2013 en 2014). Tegen de desbetreffende bijlage en uitspraken zijn door partijen geen bezwaren geformuleerd.
5.3
Verzekerden die in Nederland wonen, kunnen aanspraak maken op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. In plaats van zorg in natura, kan het zorgkantoor op verzoek een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekken. Deze zorgsubsidie staat geregeld in de ministeriële Regeling subsidies AWBZ (hierna te noemen: Rsa). In artikel 2.6.9 Rsa is een aantal verplichtingen neergelegd voor de budgethouder. Het budget wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en tijdelijk verblijf zoals dit is vastgelegd in het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza).
5.4
In artikel 2 Bza staat dat de verzekerde, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling of een zorgverzekering, aanspraak heeft op:a. persoonlijke verzorging als omschreven in artikel 4;b. verpleging als omschreven in artikel 5;c. begeleiding als omschreven in artikel 6: d. behandeling als omschreven in artikel 8.
5.5
In artikel 6 Bza wordt begeleiding als volgt omschreven: 1. Begeleiding omvat (door een instelling) te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde. 3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:
• de sociale redzaamheid; • het bewegen en verplaatsen; • het psychisch functioneren; • het geheugen en de oriëntatie of • die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.
• het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen, • het ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of • het overnemen van toezicht op de verzekerde.
5.6
In artikel 8 Bza (geldend in 2013 en 2014) is behandeling als volgt omschreven:Behandeling omvat door een instelling te verlenen behandeling van specifiek medische, specifiek gedragswetenschappelijke of specifiek paramedische aard gericht op herstel of voorkoming van verergering van een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, waaronder voorkoming van verergering van gedragsproblemen in verband met een zodanige aandoening, beperking of handicap.
5.7
Aan de uitspraak van de bestuursrechter van 23 juni 2016 (productie 9 bij dagvaarding, pagina 5) kan ook nog het volgende ontleend worden. Op grond van de nummers 13 en 149 van de Vergoedingenlijst pgb 2013 is uitgesloten van vergoeding vanuit het pgb. Voorts komen op grond van nummer 152 van de Vergoedingenlijst pgb 2013 trainingen die zijn gericht op agressieregulatie evenmin voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Het verlenen van hulp bij de administratie (hulp bij regelzaken en de post) valt niet onder begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.
Toelichting grieven

5.8
In zijn toelichting op de grieven voert [appellant] het volgende aan. De tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van het zogenaamde Haviltexcriterium. Zorggroep Perspectief wist dat de door haar te leveren zorg uit het pgb van [A] betaald zou worden. Financiële middelen om zorg in te kopen en te betalen buiten het pgb-budget om had [A] niet en dat wist Zorggroep Perspectief. [A] had voorts geen kennis van het pgb-systeem. Zorggroep Perspectief had dat als professioneel zorgverlener wel. Zij moest dus weten dat zorg op grond van artikel 6 Bza wel, maar die op grond van artikel 8 Bza niet uit het pgb werd vergoed. Zij had dan ook geen andere zorg mogen verlenen dan de, op grond van artikel 6 Bza, vergoedbare zorg. Door dat toch te doen is zij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Het enkele feit dat die overeenkomst niet een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 6 Bza bevat doet daaraan niet af. Indien de te leveren zorg niet uit het pgb vergoed kon worden had het bovendien op de weg van Zorggroep Perspectief gelegen [A] daarop te wijzen voordat zorg werd geleverd en zich te vergewissen van de instemming van [A] daarmee.
Nieuwe verbintenis?

5.9
De stellingen van [appellant] komen erop neer dat tussen partijen niet meer is overeengekomen dan levering van (uit het pgb te betalen) zorg als bedoeld in artikel 6 Bza. Indien die stelling juist is bestond voor het leveren van (niet uit het pgb te betalen) zorg als bedoeld in artikel 8 Bza geen grond.
5.10
De tussen partijen gesloten overeenkomst bevat niet een clausule die aan Zorggroep Perspectief de verplichting oplegde zorg te verlenen als bedoel in artikel 6 Bza. De stellingen van [appellant] komen er, aldus Zorgroep Perspectief, in feite op neer dat [appellant] van oordeel is dat het hof de overeenkomst moet aanvullen met een nieuwe verbintenis, te weten het uitsluitend leveren van zorg als bedoeld in artikel 6 Bza. Uitleg van een overeenkomst kan echter, aldus Zorgroep Perspectief, niet leiden tot een nieuwe verbintenis.
5.11
Dit verweer haalt het niet. De stellingen van [appellant] komen erop neer dat uitleg van de gesloten overeenkomst de conclusie wettigt dat slechts het verlenen van zorg als bedoeld in artikel 6 Bza is overeengekomen, ook al bevat de schriftelijke vastlegging van die overeenkomst een dergelijke clausule niet. Indien [appellant] gelijk heeft is geen sprake van een nieuwe verbintenis, maar geldt dat de overeenkomst verplichtte tot levering van (uitsluitend) zorg als bedoeld in artikel 6 Bza. Onderzocht zal dus moeten worden welke inhoud de gesloten overeenkomst had.
Uitleg overeenkomst

5.12
De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Aldus de Hoge Raad in het arrest van 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex).
5.13
De gesloten overeenkomst draagt als titel "Zorgovereenkomst PGB Budgethouder & Zorggroep Perspectief". Reeds in de titel is aldus een directe relatie gelegd met het pgb en de budgethouder daarvan. De te verrichten werkzaamheden zijn daarin aangeduid als "Begeleiding individueel" en "Begeleiding Groep". Het woord "Begeleiding" sluit aan bij het in artikel 6 Bza gehanteerde begrip "Begeleiding" in tegenstelling tot het in artikel 8 Bza gehanteerde begrip "Behandeling". In artikel 8 van de overeenkomst is bepaald dat Zorggroep Perspectief het recht heeft het overeengekomen tarief bij te stellen "in vervolg op of naar aanleiding van bijstellingen van de PGB-regeling (…)". Aldus wordt een directe relatie gelegd tussen de door Zorggroep Perspectief in rekening te brengen tarieven en pgb-tarieven. In artikel 12 van de overeenkomst is voorts nog bepaald dat deze van rechtswege eindigt, zonder dat voorafgaande opzegging nodig is, indien en zodra "Het recht op persoonsgebonden budget voor opdrachtgever eindigt en niet wordt verlengd" en "Het persoonsgebonden budget onder andere voorwaarden wordt verleend". De aanwezigheid van een pgb-budget waaruit de door Zorggroep Perspectief te leveren zorg kan worden betaald lijkt aldus van wezenlijk belang te zijn.
5.14
Onweersproken is door [appellant] aangevoerd dat [A] voor de betaling van de bij Zorggroep Perspectief ingekochte zorg geen andere financieringsbron had dan het hem toegekende pgb-budget en dat Zorggroep Perspectief dat wist. Onweersproken is voorts gebleven dat Zorggroep Perspectief als professioneel zorgverlener wist dat slechts zorg als bedoeld in artikel 6 Bza voor vergoeding via het pgb-budget in aanmerking kwam en dat [A] die kennis niet had. Tot slot is nog van belang dat Zorggroep Perspectief niet de stelling heeft verdedigd dat zij ook niet door het pgb-budget gedekte zorg wilde leveren.
5.15
Het voorgaande in onderling verband bezien rechtvaardigt de conclusie dat partijen zijn overeengekomen dat door Zorggroep Perspectief slechts zorg verleend zou worden voor zover deze uit het aan [A] toegekende pgb-budget kon worden voldaan.
5.16
Zorggroep Perspectief heeft nog wel erop gewezen dat [A] als budgetbeheerder zelf verantwoordelijk was voor het beheer van zijn budget, dat [A] daarbij werd bijgestaan door een budgetbeheerder en dat op haar geen verplichting rustte [A] te informeren over de wijze waarop zijn pgb moest worden besteed. Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van dit alles doet dat niet af aan de conclusie dat slechts overeengekomen is het verlenen van zorg voor zover deze uit het aan [A] toegekende pgb-budget kon worden voldaan en dat voor het verlenen van en in rekening brengen van andersoortige diensten de tussen [A] en Zorggroep Perspectief gesloten overeenkomst geen grondslag bood.
Verleende zorg

5.17
[appellant] heeft het standpunt ingenomen dat de feitelijk door Zorggroep Perspectief verleende zorg niet is aan te merken als zorg die uit het verleende pgb-budget kon worden verleend. Voor 2013 gaat het om een bedrag van € 21.184,13 en voor 2014 om een bedrag van € 12.149,60.
5.18
Het Zorgkantoor heeft die bedragen van [A] terug gevorderd op basis van de stelling dat de verleende zorg is aan te merken als "Behandeling" in de zin van artikel 8 Bza en niet als "Begeleiding" in de zin van artikel 6 Bza. De bestuursrechter heeft die beslissing in zijn beschikkingen van 23 juni 2016 in stand gelaten.
5.19
Hoewel Zorggroep Perspectief geen partij was in de procedure bij de bestuursrechter en de besluiten van het Zorgkantoor niet aan haar gericht waren, heeft het oordeel van de bestuursrechter ook in deze procedure betekenis. [appellant] heeft namelijk, onder verwijzing naar de beoordeling door het Zorgkantoor en de bestuursrechter, het volgende betoogd. De feitelijk door Zorggroep Perspectief verleende zorg is geen zorg in de zin van artikel 6 Bza. De door Zorggroep Perspectief geboden zorg was in de kern namelijk niet gericht op het concreet ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen en/of het concreet ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, zodat die activiteiten niet zijn aan te merken als begeleiding in de zin van artikel 6 Bza. De door Zorggroep Perspectief verleende individuele begeleiding (door middel van gespreksvoering, psycho-educatie en praktische ondersteuning) is voor zover die gericht is op het aanleren van sociale, emotionele, communicatie- en gedragsvaardigheden, aan te merken als behandeling, therapie in de zin van artikel 8 van het Bza. Ook activiteiten die tot doel hebben bepaalde vaardigheden bij te brengen die erin resulteren dat ongewenst gedrag zal verminderen en gewenst gedrag zal toenemen, kunnen niet als begeleiding worden aangemerkt. De door Zorggroep Perspectief geboden activiteiten zien echter naar hun aard en strekking op het aanleren van vaardigheden of gedrag, en zijn daarmee aan te merken als behandeling. Op grond van de nummers 13 en 149 van de Vergoedingenlijst pgb 2013 is behandeling uitgesloten van vergoeding vanuit het pgb. Dit betekent dat de geboden activiteiten niet vanuit het pgb voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts komen op grond van nummer 152 van de Vergoedingenlijst pgb 2013 trainingen die zijn gericht op agressieregulatie evenmin voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Verder vallen de door Perspectief geboden activiteiten, voor zover die betrekking hebben op het verlenen van hulp bij de administratie (hulp bij regelzaken en de post) niet onder begeleiding als bedoeld in artikel 6 van het Bza.
5.20
Zorggroep Perspectief heeft in hoger beroep aangevoerd dat het haar heeft verbaasd dat [A] haar niet betrokken heeft bij de bezwaar- en beroepsprocedures omdat zij dan informatie had kunnen verschaffen over de verleende zorg en de wijze waarop deze op de facturen was gespecificeerd. Zij zag voldoende kans om het oordeel van het Zorgkantoor om te buigen.
5.21
Dit verweer van Zorggroep Perspectief is beperkt uitgewerkt. Het hof wil daarom nader geïnformeerd worden door Zorggroep Perspectief over de vraag of en in hoeverre de door haar geleverde zorg, anders dan de bestuursrechter heeft aangenomen en [appellant] stelt, wel degelijk is aan te merken als zorg als bedoeld in artikel 6 Bza en over de daarmee samenhangende bewijsvraag.
Gevolgen

5.22
Indien en voor zover andere zorg verleend is dan zorg als bedoeld in artikel 6 Bza geldt dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van Zorggroep Perspectief in de nakoming van de gesloten overeenkomst. Daarin was immers slechts overeengekomen het leveren van zorg als bedoeld in artikel 6 Bza en die zorg is dan niet geleverd.
5.23
De vraag is vervolgens of, indien wordt uitgegaan van een tekortkoming van Zorggroep Perspectief, de door [appellant] geleden schade kan worden toegerekend aan Zorggroep Perspectief en/of kan worden aangemerkt als door die tekortkoming veroorzaakte schade nu de verantwoordelijkheid voor het beheer van het budget en het afleggen van verantwoording daarover bij [appellant] lag en, naar het lijkt, de terugvordering van het pgb-budget mede is veroorzaakt door tekortkomingen bij het afleggen van die verantwoording. Dat laatste maakt het hof op uit de door het Zorgkantoor gehanteerde argumenten voor terugvordering zoals weergegeven in de desbetreffende besluiten, opgenomen in de overwegingen 3.11 en 3.12 hiervoor). Het hof wil de standpunten van partijen hierover vernemen.
5.24
De feitelijke situatie is in dat geval voorts dat [A] heeft betaald voor een prestatie die zonder rechtsgrond is geleverd. Dat maakt, naar het lijkt, de door [A] geleverde prestatie (betaling) onverschuldigd. [appellant] heeft zich niet op deze grondslag beroepen, maar het hof is ambtshalve gehouden rechtsgronden aan te vullen. Voordat het dat eventueel doet stelt het partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de grondslag van onverschuldigde betaling en de gevolgen daarvan.
Comparitie van partijen

5.25
Het hof zal een comparitie van partijen gelasten. Daarop kunnen partijen zich bij akte uitlaten over de hiervoor onder 5.21, 5.23 en 5.24 aangesneden kwesties. Verzocht wordt ervoor zorg te dragen dat de desbetreffende akte uiterlijk twee weken voor comparitiedatum in het bezit van hof en wederpartij is. De comparitie zal tevens gebruikt worden voor het beproeven van een schikking.
5.26
In afwachting van de resultaten van de comparitie van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
beslissing

6

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen ( [appellant] in persoon en Zorggroep Perspectief vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hof dat daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder 5,21, 5.23 en 5.24 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

verzoekt partijen hun standpunten neer te leggen in een ter comparitie te nemen akte en ervoor zorg te dragen dat deze akte uiterlijk twee weken voor comparitiedatum in het bezit van hof en wederpartij is;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met september 2019 zullen opgeven op de , waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.M. ter Berg, mr. J.H. Kuiper en mr. M. Willemse en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.