Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:2233

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:2233, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.227.175/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.175/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5543821 MC EXPL 16-13723)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

thans verblijvende te [A] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend te Rotterdam,
tegen

ECLI:NL:GHARL:2019:2233:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.175/01(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5543821 MC EXPL 16-13723)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

thans verblijvende te [A] ,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend te Rotterdam,
tegen

1

gevestigd te Hilversum,hierna: ,
2. Simpel Media B.V.,

gevestigd te Amsterdam,hierna: ,geïntimeerden,in eerste aanleg: gedaagden,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. H.A.J.M. van Kaam, kantoorhoudend te Amsterdam.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 2 augustus 2017 dat de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, heeft gewezen.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 oktober 2017,- de memorie van grieven,- het H16 formulier van 15 december 2017 met daaraan gehecht de getuigenverklaring van de zijde van [appellant] ,- de memorie van antwoord (met producties),- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties),- het H12 formulier van 21 december 2018 met daaraan gehecht een productie van [appellant] ,- de pleidooien d.d. 15 januari 2019 (overeenkomstig de pleitaantekeningen).
2.2
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.
2.3
[appellant] vordert in hoger beroep - samengevat - dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg alsnog toewijst, met veroordeling van RTL c.s. in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.
3

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het bestreden vonnis van 2 augustus 2017, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht of anderszins van bezwaren is gebleken. Aangevuld met enige andere tussen partijen vaststaande feiten gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2
[appellant] is in 2013 door [B] (hierna: [B] ) opgezocht in Thailand, nadat [appellant] in eerste instantie zelf per e-mail contact had gezocht met [B] . [appellant] is enige tijd nadien door Thailand uitgezet naar Nederland en is in Nederland vervolgens aangehouden en strafrechtelijk vervolgd.
3.3
Op 4 maart 2014 is [appellant] door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, veroordeeld wegens het plegen van een of meer zedendelicten. De rechtbank heeft [appellant] vijf jaar gevangenisstraf opgelegd.
3.4
In het televisieprogramma “ [----] ”, uitgezonden door RTL en geproduceerd door Simpel Media, is [in] 2014 aandacht besteed aan de zaak van [appellant] . In deze uitzending is - samengevat - de zoektocht van [B] in Thailand naar [appellant] te zien, de confrontatie tussen [B] en [appellant] , gevolgd door de arrestatie van [appellant] door de Thaise politie, de uitzetting van [appellant] en tot slot de veroordeling van [appellant] .
3.5
Op 21 augustus 2014 is [appellant] door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden eveneens veroordeeld, waarbij zeven jaar gevangenisstraf is opgelegd.
3.6
Op 10 juli 2015 heeft bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, een kort geding plaatsgevonden tussen [appellant] en RTL c.s. in verband met een geplande herhaling van de in 3.4 genoemde uitzending van [in] 2014. Het door [appellant] gevorderde verbod op uitzending is door de voorzieningenrechter afgewezen.
3.7
De (herhaalde) uitzending heeft plaatsgevonden [in] 2015. De uitzending betrof een herhaling van de uitzending van [in] 2014 met aan het einde een korte epiloog waarin wordt vermeld dat [appellant] in hoger beroep is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf.
beslissing

3

3.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd een verklaring voor recht dat RTL c.s. onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, de hoofdelijke veroordeling van RTL c.s. tot betaling van € 15.000,- aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente dan wel te bepalen dat de schade nader bij staat dient te worden opgemaakt en de hoofdelijke veroordeling van RTL c.s. in de kosten van de procedure.
3.2.
RTL c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.3.
In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten. Het vonnis is wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4

Volgens RTL c.s. is de dagvaarding in hoger beroep op grond van artikel 120 Rv nietig omdat daarin is vermeld dat [appellant] in beroep komt van het vonnis in eerste aanleg waarbij zijn vorderingen zijn toegewezen en in het petitum is opgenomen dat de vorderingen van [appellant] dienen te worden afgewezen, terwijl de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg juist zijn afgewezen in plaats van toegewezen. Dit betoog is ongegrond. Van een tot nietigheid leidend gebrek als bedoeld in artikel 120 jo artikel 111 jo artikel 45 Rv is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het voorschrift dat de appeldagvaarding een duidelijke en bepaalde conclusie moet bevatten, strekt ter waarborging dat het voor geïntimeerde voldoende duidelijk is wat beoogd wordt zodat geïntimeerde zich daartegen kan verdedigen (HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0413). Nu [appellant] in zijn memorie van grieven alsnog vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn vorderingen toewijst, waarmee [appellant] zijn vergissing heeft hersteld, is RTL door de onjuiste vermelding in de appeldagvaarding niet in haar verdediging geschaad.

overwegingen

5

5.1
Centraal in dit geschil staat de vraag of de herhaalde uitzending van “ [----] ” [in] 2015 onrechtmatig is jegens [appellant] . Bij de beantwoording van die vraag dient, zoals de rechtbank terecht voorop heeft gesteld, een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, welk recht mede wordt beschermd door artikel 8 EVRM en ook het recht op bescherming van de goede naam en reputatie omvat, en anderzijds het mede door artikel 10 EVRM beschermde fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting waaronder ook de journalistieke vrijheid valt. De toetsing dient in een keer te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden van het geval, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van artikel 8 lid 2 EVRM dan wel artikel 10 lid 2 EVRM (HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9230).
5.2
De genoemde belangenafweging dient eveneens te worden gemaakt als het gaat om een veroordeelde persoon. Hierbij is relevant dat het verlies van reputatie het voorzienbare gevolg kan zijn van het plegen van een misdrijf (EHRM 7 februari 2012, ECLI:NL:XX:2012:BW0603 en EHRM 27 juli 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:0727JUD005548000). Het belang van een onherroepelijk veroordeelde dader "om alleen gelaten te worden", is een omstandigheid die in de afweging een rol kan spelen (vgl. HR 21 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1240).
5.3
Met de komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vrijheid van meningsuiting van RTL c.s. in dit geval dient te prevaleren. In de toelichting op deze grief heeft [appellant] aangevoerd dat hij ten tijde van de uitzending al bijna een jaar onherroepelijk was veroordeeld. [appellant] heeft geen cassatie ingesteld tegen het in 3.5 genoemde arrest van het hof maar heeft berust in deze uitspraak en heeft in zijn zaak spijt betuigd. Verder heeft [appellant] vanaf zijn terugkeer naar Nederland zelf geen mediacontact gezocht en had hij ten tijde van de uitzending een mediaverbod, zodat hij zich niet kon verweren. Gelet op deze omstandigheden is de herhaling van de uitzending, zeker nu deze werd voorzien van een zeer beperkte, onvolledige epiloog en daarmee enkel amusement op het oog had, disproportioneel, aldus nog steeds [appellant] .
5.4
Het hof leest in deze grief en de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen en verweren dan die reeds in eerste aanleg door hem zijn aangevoerd en door de kantonrechter zijn verworpen. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat, gelet op alle relevante omstandigheden, het recht op vrijheid van meningsuiting van RTL c.s. zwaarder weegt dan het belang van [appellant] om “alleen gelaten te worden”. Het hof stelt daartoe voorop dat de uitzending van “Op de vlucht” van 12 juli 2015 feitelijk een herhaling is van de eerdere aflevering die op 8 mei 2014 is uitgezonden, waarbij vlak voor de aftiteling in een korte epiloog wordt ingegaan op de (uitkomst van de) procedure in hoger beroep. Het gelaat van [appellant] is geblurd evenals direct tot hem herleidbare kenmerken zoals tatoeages en ringen wanneer deze close-up in beeld komen. De achternaam van [appellant] wordt niet genoemd. Het onderwerp van de (aanloop naar de) arrestatie en de veroordeling van [appellant] wegens het plegen van een of meer ernstige zedendelicten, waar in de uitzending aandacht aan is besteed, betreft naar het oordeel van het hof een misstand die de samenleving raakt. Het recht op vrijheid van meningsuiting brengt mee dat RTL c.s. ter uitoefening van haar journalistieke functie daar na de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van [appellant] in hoger beroep opnieuw aandacht voor kan vragen, ook al is sinds die veroordeling inmiddels bijna een jaar verstreken. Daarbij heeft te gelden dat [appellant] , vanwege de aard en ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten, uitgebreide en herhaalde berichtgeving daarover in de media kan verwachten en ook heeft te dulden. Aan de omstandigheid dat [appellant] vanaf zijn terugkeer naar Nederland zelf geen mediacontact heeft gezocht, wat RTL c.s. overigens betwist, en hij zich vanwege een mediaverbod niet kon verweren, kan dan ook geen doorslaggevende betekenis ten gunste van [appellant] toegekend worden. Net als de kantonrechter neemt het hof in de belangenafweging verder mee dat hetgeen in de herhaalde uitzending is weergegeven steun vindt in het door [appellant] niet betwiste feitenmateriaal en dat in de weergave van de beelden van [appellant] rekening is gehouden met zijn privacybelang.Al met al acht het hof de tijd die sinds de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van [appellant] is verstreken, mede gelet op de aard en ernst van de betrokken misstand en de wijze waarop de berichtgeving heeft plaatsgevonden, niet dermate lang dat het belang van [appellant] “om alleen gelaten te worden” zwaarder behoort te wegen dan het belang van uitingsvrijheid van RTL c.s.
5.5
Het feit dat de herhaalde uitzending is voorzien van een kortdurende epiloog, waarvan tussen partijen vaststaat dat deze in ieder geval nog geen minuut duurt en die slechts vermeldt dat [appellant] in hoger beroep is gekomen en dat hij in hoger beroep is veroordeeld tot zeven jaar, kan niet leiden tot een ander oordeel. Het stond RTL c.s. in beginsel vrij om de informatie over de zaak onder de aandacht van het publiek te brengen op de wijze en in de vorm die haar goeddunkt. Het opleggen van restricties of voorwaarden aan de inhoud en de wijze van uitzending, zoals [appellant] lijkt te bepleiten waar hij stelt dat de epiloog onvolledig is omdat daarin niet naar voren komt dat hij geen cassatie heeft ingesteld en zijn spijt heeft betuigd, komt neer op het beperken van de uitingsvrijheid van RTL c.s. en dat is in dit geval niet gerechtvaardigd. Over de spijtbetuiging merkt het hof bovendien op dat deze in de strafzaak door het hof bij de bepaling van de strafmaat is meegewogen en als onoprecht is beoordeeld.
5.6
In de bepleit [appellant] dat de kantonrechter niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat hetgeen in de uitzending wordt weergegeven voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal en dat de epiloog geen neutrale weergave van de procedure in hoger beroep betreft. [appellant] meent dat RTL c.s. bewust informatie heeft achtergehouden, waarmee de suggestie is gewekt dat [appellant] zich niet met de veroordeling zou verenigen. De epiloog betreft namelijk geen neutrale weergave omdat uitsluitend is vermeld dat [appellant] in hoger beroep is veroordeeld en daarbij een hogere straf heeft gekregen dan in eerste aanleg. Dat [appellant] inmiddels geen ontkennende veroordeelde meer is en dat hij via Slachtoffer in Beeld contact met het slachtoffer had, komt niet aan de orde. Op zijn minst had [appellant] naar zijn mening gevraagd behoren te zijn of had vermeld moeten worden dat [appellant] zich had berust.
5.7
Deze grieven stuiten af op hetgeen het hof hiervoor over de herhaalde uitzending met epiloog heeft overwogen. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat van een bewuste verzwijging met een suggestie van het tegendeel geen sprake is. Dat RTL c.s. [appellant] niet om een reactie heeft gevraagd en deze reactie niet in de uitzending is verwerkt, rechtvaardigt in dit geval geen beperking van de uitingsvrijheid van RTL c.s. en brengt het hof niet tot een andere belangenafweging. Voorts ziet het hof ook niet in waarom de door [appellant] klaarblijkelijk voorgestane uitgebreidere epiloog de door [appellant] gestelde (en door RTL betwiste) schade had kunnen voorkomen, terwijl [appellant] op dit punt ook niets gesteld heeft.
5.8
De richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] onvoldoende heeft gemotiveerd heeft gesteld dat de bedreigingen waarmee hij binnen de penitentiaire inrichting is geconfronteerd specifiek een gevolg zijn van de herhaalde uitzending in 2015. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] dit ook in hoger beroep echter niet voldoende toegelicht en onderbouwd. De door [appellant] in hoger beroep overgelegde getuigenverklaring van [C] en het overzicht van zijn detentiehistorie zijn daartoe in ieder geval niet toereikend. Daaruit blijkt namelijk niet dat sprake is geweest van een voldoende concrete (of voorgedane) bedreiging richting [appellant] , die rechtstreeks valt toe te schrijven aan de herhaalde uitzending op 12 juli 2015. Van belang daarbij acht het hof dat informatie over de zaak van [appellant] reeds via de eerste uitzending op 8 mei 2014 en via andere mediakanalen openbaar is gemaakt. Zelfs een onbewerkte foto en de volledige naam van [appellant] in combinatie met de door hem begane zedendelicten waren voor de herhaling van de uitzending op 12 juli 2015 al op het internet te vinden. Nu [appellant] voor het overige slechts in algemene bewoordingen bewijs heeft aangeboden, zal het hof aan dat bewijsaanbod voorbij gaan.
5.9
[appellant] heeft in hoger beroep verder nog aangevoerd dat het door hem geleden nadeel van herhaalde uitzending ook daarin is gelegen dat als gevolg van de herhaling en onvolledige epiloog het inmiddels opgestarte verzoeningstraject met het slachtoffer via Slachtoffer in Beeld heeft vertraagd en verstoord. Enige onderbouwing van deze stelling is geheel nagelaten, zodat het hof niet toekomt aan bewijslevering. Het op dit punt gedane bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd. Overigens acht het hof de door [appellant] gestelde omstandigheid van onvoldoende belang om in deze zaak tot een andere belangenafweging te komen.
5.10
In wijst [appellant] op het ontbreken van toestemming van het slachtoffer en haar moeder voor de tweede uitzending. De kantonrechter heeft op dit punt overwogen dat het enkele feit dat die toestemming eventueel zou ontbreken onvoldoende gewicht in de schaal aan de zijde van [appellant] legt om de belangenafweging in zijn voordeel te doen omslaan. Ook op dit punt volgt het hof de kantonrechter in zijn overweging, waarbij het hof nog aantekent dat het al dan niet verlenen van toestemming voor de herhaalde uitzending geen persoonlijk belang van [appellant] betreft maar een belang van het slachtoffer en haar moeder op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Zij zijn echter geen partij in deze procedure.
beslissing

4

4.1.
De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.
4.2.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van RTL c.s. zullen worden vastgesteld op € 1.952,- aan griffierecht en € 3.222,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief II).
4.3.
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.
beslissing

5

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland te Almere van 2 augustus 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van RTL c.s. vastgesteld op € 1.952,- voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde kostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Willemse, R.E. Weening en G.J. Baken en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.