Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:2230

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:2230, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.219.837/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.219.837/01(zaaknummer rechtbank Overijssel 5323999 \ CV EXPL 16-6322)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. Mema [appellant] ,

wonende te [A] , Polen,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. B.M. Breedijk, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

ECLI:NL:GHARL:2019:2230:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.219.837/01(zaaknummer rechtbank Overijssel 5323999 \ CV EXPL 16-6322)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. Mema [appellant] ,

wonende te [A] , Polen,appellant,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. B.M. Breedijk, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

1

gevestigd te Haaksbergen,wonende te [B] ,
2. [geïntimeerde2] ,3. [geïntimeerde3] ,
wonende te [B] ,geïntimeerden,in eerste aanleg: gedaagden,hierna: ,advocaat: mr. J.A.A.M. Rupert, kantoorhoudend te Haaksbergen.
Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 2 oktober 2018.

1

Ter uitvoering van het tussenarrest van 2 oktober 2018 heeft op 10 januari 2019 een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal.

2

2.1
Het hof dient eerst vast te stellen of het hof bevoegd is kennis te nemen van het geschil. [appellant] is namelijk woonachtig te Polen. Gelet hierop heeft het geschil een internationaal karakter zodat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter eerst ambtshalve moet vaststellen, dus ongeacht of tegen die aangenomen bevoegdheid is gegriefd. Het betreft hier een burgerlijke zaak waarvan de rechtsvordering in augustus 2016 is ingesteld, dus na de op 10 januari 2015 ingetreden herschikte EEX-verordening (1215/2012). De Nederlandse rechter is op grond van artikel 25 lid 1 van de herschikte EEX-verordening bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu partijen blijkens productie II van de inleidende dagvaarding expliciet een forumkeuze voor de Nederlandse rechter hebben gedaan. Het hof is daarmee bevoegd om in hoger beroep kennis te nemen van het geschil.
2.2
In het verlengde van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, ligt de vraag naar welk recht het geschil beslecht moet worden. Partijen hebben zich niet expliciet uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen door de Nederlandse advocaten en gemachtigden, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, althans dat de toepasselijkheid van dat recht voor hen geen geschilpunt vormt. Het hof zal het geschil uitsluitend naar Nederlands recht beoordelen nu partijen verder de toepassing van verdragen die ter vrije keuze staan, zoals het Weens Koopverdrag, hebben uitgesloten.
3

3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals de kantonrechter die heeft vastgesteld in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het vonnis van 9 mei 2017, nu die feiten tussen partijen niet in geschil zijn. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder als onweersproken vaststaat, gaat het om de volgende feiten:
3.2
[appellant] is een leverancier van meubels. [geïntimeerden] c.s. houden zich bezig met de groothandel in huismeubilair en de in- en verkoop van meubels. Partijen hebben sinds ongeveer 2008 zaken met elkaar gedaan, waarbij [appellant] meubels heeft geleverd aan [geïntimeerden] c.s.
3.3
[appellant] heeft [geïntimeerden] c.s. in 2014 in verband met gebrekkige producten creditfacturen gestuurd met een totaal bedrag van € 32.150,36.
3.4
Eind 2014 is de zakelijke relatie tussen [appellant] en [geïntimeerden] c.s. beëindigd.
beslissing

4

4.1
[appellant] heeft in eerste aanleg (kort samengevat) gevorderd [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 60.459,69, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. Verder vorderde [appellant] betaling van een bedrag van € 1.379,60 aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten.
4.2
[geïntimeerden] c.s. hebben in eerste aanleg verweer gevoerd, en concludeerden dat [appellant] niet ontvankelijk verklaard moest worden, althans dat zijn vorderingen afgewezen moesten worden, een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.3
De kantonrechter heeft bij vonnis van 7 maart 2017 overwogen dat [appellant] ter onderbouwing van zijn vordering de volgende stukken diende over te leggen:- de facturen waarop de vordering is gebaseerd;- stukken waaruit blijkt dat [appellant] de goederen waarvan hij betaling verlangt aan [geïntimeerden] c.s. heeft geleverd (bijvoorbeeld pakbonnen/vrachtbonnen).

4.4
Bij vonnis van 9 mei 2017 heeft de kantonrechter vastgesteld dat [appellant] heeft nagelaten genoemde stukken in het geding te brengen. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
overwegingen

5

5.1
vordert in hoger beroep:
"Dat het uw Gerechtshof op voornoemde gronden moge behagen -zo nodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden- het vonnis Rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Zwolle d.d. 9 mei 2017 onder zaak-/rolnummer 5323999/CV EXPL 16-6322 tussen partijen gewezen, het vonnis waarvan beroep, te vernietigen en de vordering van appellant op geïntimeerden, hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, alsnog toe te wijzen, alles met veroordeling van geïntimeerden, eveneens hoofdelijk, in de proceskosten van alle instanties, althans in ieder geval in de kosten van het hoger beroep.".

5.2
[appellant] heeft één grief geformuleerd tegen het vonnis van 9 mei 2017. Deze grief houdt in dat het thans wel duidelijk is op welke koopovereenkomsten de betalingsverplichting gebaseerd was. [appellant] heeft in dat kader in hoger beroep alsnog de facturen waarvan betaling gevorderd is en de bijbehorende pakbonnen en vrachtbrieven in het geding gebracht (productie 3 bij de memorie van grieven). [appellant] wijst erop dat deze stukken corresponderen met het overzicht en de creditfacturen die hij bij conclusie van repliek in eerste aanleg heeft overgelegd. Uit het feit dat [geïntimeerden] c.s. alle pakbonnen hebben getekend, blijkt volgens hem bovendien dat alle in rekening gebrachte goederen daadwerkelijk zijn geleverd.
5.3
[geïntimeerden] c.s. hebben aangevoerd dat [appellant] gedurende meerdere jaren grote hoeveelheden goederen aan haar geleverd heeft, maar dat er ook veel goederen geretourneerd zijn of nog geretourneerd zouden moeten worden. Dit retourneren hield verband met klachten van klanten van [geïntimeerden] c.s. Die klanten gaven aan dat de geleverde goederen niet goed waren. [appellant] heeft verzuimd om alle goederen die hij zou ophalen daadwerkelijk op te halen. Bovendien hadden er meer facturen gecrediteerd moeten worden.
5.4.
De stukken die als productie 3 bij memorie van grieven in geding gebracht zijn, geven volgens [geïntimeerden] c.s. nog steeds geen duidelijkheid van welke van de geleverde goederen nu betaling wordt gevorderd, wat daarvan geretourneerd is en wat nog geretourneerd zou moeten worden. De vordering is volgens [geïntimeerden] c.s. ook in hoger beroep dus niet voldoende onderbouwd.
5.5
Ten aanzien van de grief overweegt het hof als volgt. [appellant] vordert betaling van zeven facturen, onder verrekening van de creditfacturen (productie II bij conclusie van repliek). Dit komt dan neer op de volgende rekensom: € 92.610,05 - € 32.150,36 = € 60.459,69. [appellant] heeft bij memorie van grieven (productie 3) de zeven facturen overgelegd waarvan hij betaling vordert, met daarbij gevoegd de bijbehorende pakbonnen en vrachtbrieven. Door [geïntimeerden] c.s. is ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep erkend dat zij de pakbonnen en vrachtbrieven ondertekend hebben en zij betwisten niet langer, althans naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, dat de daarop vermelde goederen aan hen zijn geleverd. Zij stellen zich echter op het standpunt dat [appellant] meer goederen had moeten terugnemen en crediteren.
5.6
Tussen partijen staat vast dat [appellant] [geïntimeerden] c.s. voor een bedrag van € 32.150,36 heeft gecrediteerd naar aanleiding van klachten die [geïntimeerden] c.s. geuit heeft over de kwaliteit van de door [appellant] geleverde goederen. Voor zover [geïntimeerden] c.s. betogen dat zij ook de – na verrekening resterende - koopsom van € 60.459,69 niet verschuldigd zijn wegens ondeugdelijkheid van de geleverde goederen had het op hun weg gelegen die stelling te onderbouwen en aan te geven welke juridische gevolgtrekking zij aan dit verweer verbinden. Het hof leest in hun stellingen niet dat hun beroep op wanprestatie ertoe strekt de nakoming van hun betalingsverplichting op te schorten (totdat [appellant] een nadere prestatie heeft verricht of de overeenkomst is ontbonden en/of schadevergoeding aan [geïntimeerden] c.s. is toegekend). Kennelijk gaan [geïntimeerden] c.s. ervan uit dat hun betalingsverplichting op grond van de door hen gestelde ondeugdelijkheid van de geleverde goederen vervalt. Dat standpunt is onjuist. Behoudens afwijkend beding kan een partij bij een wederkerige overeenkomst wanneer de wederpartij haar verplichtingen onvolledig of ondeugdelijk nakomt, slechts van haar eigen verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst worden bevrijd door ontbinding van de overeenkomst (Hoge Raad 19-02-1988 ECLI:NL:HR:1988:AD0206, ).Ontbinding van de overeenkomst is echter niet gevorderd noch buitengerechtelijk ingeroepen.
5.7
Het bovenstaande brengt met dat de gevorderde hoofdsom voor toewijzing in aanmerking komt. In zoverre slaagt de grief.
5.8
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt het hof als volgt. [geïntimeerden] c.s. hebben tijdens de comparitie bij het hof aangegeven dat zij na het beëindigen van de zakelijke relatie met [appellant] in november 2014 gedurende één jaar geen contact gehad hebben met [appellant] . [geïntimeerden] c.s. zouden pas voor het eerst weer van [appellant] vernomen hebben op het moment dat de deurwaarder zich bij hen meldde. Het hof constateert dat [appellant] geen stukken in geding gebracht heeft waaruit eventuele buitengerechtelijke werkzaamheden blijken. Dit strookt met de voornoemde verklaring van [geïntimeerden] c.s. Het hof oordeelt dan ook dat [appellant] niet aangetoond heeft dat hij buitengerechtelijke werkzaamheden verricht heeft die gericht zijn op het verkrijgen van betaling buiten rechte, anders dan werkzaamheden ter voorbereiding op de procedure. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
5.9
[appellant] heeft de wettelijke handelsrente gevorderde vanaf de wettelijke vervaldag. Anders dan [appellant] vordert, zal het hof deze niet toewijzen per 1 februari 2014, nu dat niet de wettelijke vervaldag is. Nu uit de facturen geen uiterste dag van betaling blijkt, en partijen niets gesteld hebben over eventuele afspraken over de betaaltermijn, zijn [geïntimeerden] c.s. de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a lid 2 sub a BW verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop [geïntimeerden] c.s. de facturen hebben ontvangen
5.10
[appellant] heeft gevorderd dat [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld wordt tot betaling. Tegen deze vordering hebben [geïntimeerden] c.s. geen verweer gevoerd, zodat deze toegewezen wordt.
5.11
De kantonrechter heeft [appellant] in eerste aanleg veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 1.800,-. [appellant] heeft het hoger beroep slechts benut om zijn vordering nader te onderbouwen, zoals de kantonrechter reeds bij tussenvonnis gevraagd had. Wanneer [appellant] in eerste aanleg de facturen, pakbonnen en vrachtbrieven in geding had gebracht, was de kans aannemelijk dat onderhavig hoger beroep niet gevoerd had hoeven worden. [geïntimeerden] c.s. zouden in die situatie in eerste aanleg zijn veroordeeld in de proceskosten. Gelet daarop ziet het hof aanleiding om [geïntimeerden] c.s. te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en [appellant] te veroordelen in de (hogere) proceskosten in hoger beroep nu die procedure het gevolg is van de (nalatige) wijze waarop [appellant] in eerste aanleg geprocedeerd heeft.
- griffierecht € 471,- (tarief 2016)- kosten exploot € 91,29- salaris gemachtigde € (3 punten × tarief € 600,-)Totaal € 2.362,29
- griffierecht € 1.952,-- salaris advocaat € (2 punten × tarief IV € 1.959,-)Totaal € 5.870,-
Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg vast op:

Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep vast op:

beslissing

6

6.1
Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd. Het hof zal opnieuw recht doende [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk veroordelen tot betaling van € 60.459,69 aan [appellant] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de desbetreffende facturen ex artikel 6:119a lid 2 sub a BW tot aan de dag van volledige betaling van de facturen, met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van de procedure in eerste aanleg. [appellant] zal om de in rechtsoverweging 5.11 van dit arrest genoemde reden worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.
beslissing

7

Het hof, recht doende in hoger beroep:

7.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 9 mei 2017 en doet opnieuw recht;
7.2
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van € 60.459,69 aan [appellant] , vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a lid 2 sub a BW vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop [geïntimeerden] c.s. de facturen hebben ontvangen, tot aan de dag van volledige betaling van die facturen;
7.3
veroordeelt [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg aan [appellant] van € 471,- aan vastrecht, € 91,29 aan explootkosten en € 1.800,- aan salaris gemachtigde;
7.4
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep aan [geïntimeerden] c.s., welke proceskosten vastgesteld worden op € 1.952,- aan vastrecht en € 3.918,- aan salaris advocaat;
7.5
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. L. Janse en mr. G.J. Baken en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019.