Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:2224

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:2224, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.202.067/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel rechtzaaknummer gerechtshof 200.202.067/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/149569 / HA ZA 14-188)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. C. Heijs, kantoorhoudend te Groningen,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [B] ,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellant in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. F.B. Flooren, kantoorhoudend te Groningen.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 mei 2018 hier over.

ECLI:NL:GHARL:2019:2224:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel rechtzaaknummer gerechtshof 200.202.067/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/149569 / HA ZA 14-188)
arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. C. Heijs, kantoorhoudend te Groningen,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [B] ,geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellant in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. F.B. Flooren, kantoorhoudend te Groningen.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 mei 2018 hier over.

1

1.1
Ingevolge het tussenarrest van 1 mei 2018 heeft op 23 juli 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich in afschrift bij de stukken. Mr. Heijs en mr. Flooren hebben hierbij comparitieaantekeningen overgelegd.

1.2
Namens [appellante] zijn ter voorbereiding van voornoemde comparitie aan het hof toegezonden een brief van 28 juni 2018 met productie(s) en een brief van 5 juli 2018 met productie(s).

1.3
Namens [geïntimeerde] is ter voorbereiding van voornoemde comparitie aan het hof toegezonden een brief van 6 juli 2018 met productie(s).
1.4
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het voor de comparitie overgelegde dossier, waaraan de onder 1.2 en 1.3 genoemde brieven, het proces-verbaal en voornoemde comparitieaantekeningen zijn toegevoegd.

1.5
De vordering van [appellante] in de memorie van grieven luidt:"
met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 gewezen tussen appelante als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en gerequireerde als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (deels) te vernietigen voor zover:

en het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016,

met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 gewezen tussen appellante

als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en gerequireerde als gedaagde in

conventie, eiser in reconventie (deels) deels te vernietigen voor zover de rechtbank in

het vonnis onder "C: Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip

"besparingen" heeft geoordeeld:

II het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016,

met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 gewezen tussen appellante

als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en gerequireerde als gedaagde in

conventie, eiser in reconventie (deels) te vernietigen voor zover de rechtbank onder

a. de rechtbank onder 5.1 van het vonnis heeft beslist dat partijen bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden het uitgangspunt dienen te hanteren dat voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te worden uitgegaan van hetgeen onder "C. Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip besparingen" van het vonnis is overwogen en beslist;

b. onder 4.18 dat noch uit de tekst van de huwelijkse voorwaarden noch aan de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de huwelijkse voorwaarden mochten toekennen, kan worden afgeleid dat partijen bedoeld hebben bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen;

c. onder 4.19 dat de door [appellante] gestelde omstandigheden, die erop neerkomen dat partijen nimmer hebben verrekend en altijd hebben geleefd als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd (los van de vraag of dit feitelijk juist is) niet tot het oordeel kunnen leiden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewikkeld op de door [appellante] voorgestane wijze;

d. onder 4.20 dat met betrekking tot de ondernemingen - gelet op de door [geïntimeerde] aangehaalde artikelen uit de huwelijkse voorwaarden - niet gezegd kan worden dat deze vermoed worden tot het vermogen van beide partijen te behoren, waarbij de rechtbank betrekt dat [appellante] niet meer heeft bijgedragen aan de ondernemingen dan hand- en spandiensten;

e. onder 4.22 eerste gedachtestreepje dat de ontslagvergoeding die (deels) is gebruikt om de oprichting van de ondernemingen te financieren, deze niet is aan te merken als overgespaarde inkomsten, nu deze inkomsten zijn aangewend ter financiering van de onderneming(en) en [geïntimeerde] op deze wijze na het ontslag bij zijn vorige werkgever weer in staat was inkomen (winst) te verwerven;

f. onder 4.22 derde gedachtestreepje dat indien komt vast te staan dat er overgespaarde inkomsten/winst in beginsel voor verrekening in aanmerking komen/komt, met inachtneming van artikel 6, lid 4 van de huwelijkse voorwaarden (welke bepaling overigens in overeenstemming is met de jurisprudentie van de Hoge Raad) vast gesteld dient te worden tot welk bedrag dit aan de ondernemingen kan worden onttrokken;

5.1
beslist dat wat betreft de verdeling van de woning dient te worden uitgegaan van

hetgeen in rechtsoverweging 4.31 is overwogen en beslist en het vonnis te vernietigen

voor zover onder 4.31 is geoordeeld dat de woning dient te worden verdeeld conform

het voorstel van [appellante] , zij het dat een en ander uiteindelijk te financieren moet zijn

voor haar en dat (wat betreft de waarde van de woning) een onafhankelijk deskundige

deze dient te taxeren per datum verdeling/taxatie;

III a. en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellante ter zake de verrekening van het ondernemingsvermogen toe te wijzen en te beslissen dat het totale ondernemingsvermogen zijdens geïntimeerde tot het te verrekenen vermogen behoort en de helft van de waarde van dat ondernemingsvermogen per peildatum aan appellante toekomt en geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van de helft van de waarde van het ondernemingsvermogen, in ieder geval de aandelen in DBP Projectadvisering BV (inclusief DBZ), de helft van de waarde van zijn aandelen in CHE-Eemshaven BV, de helft van de waarde van de aandelen in Side Realty Invest BV, de helft van de waarde van de aandelen in Oude Snik BV en de helft van de waarde van Poldemar, en uw Gerechtshof het bedrag vaststelt dat appellante ter zake het ondernemingsvermogen toekomt, welk bedrag vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf 1 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, welke waardes nader vastgesteld dienen te worden door een door uw Hof aan te wijzen deskundige,dan wel de zaak te verwijzen naar een nadere pro forma zitting met de opdracht aan geïntimeerde uiterlijk op de nader te bepalen pro forma zitting opgave te verstrekken van het ondernemingsvermogen, waaronder de waarde van de aandelen in DBP Projectadvisering BV (inclusief DBZ), CHE-Eemshaven BV, Side Realty Invest BV, Oude Snik BV en de waarde van Poldemar, waarop door de vrouw kan worden gereageerd, dan wel een deskundige aan te wijzen die de waarde van het ondernemingsvermogen, waaronder de waarde van de aandelen van de man in DBP Projectadvisering BV (inclusief DBZ), CHE-Eemshaven BV, Side Realty Invest BV, Oude Snik BV en de waarde van Poldemar gaat vaststellen;
b. en opnieuw rechtdoende te beslissen dat de woning te [A] aan de [a-straat] 6 [A] wordt verkocht en geïntimeerde te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 [A] door hem te verplichten samen met appellante een door Uw Gerechtshof aan te wijzen NVM makelaar - binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest - opdracht te verstrekken om tot verkoop over te gaan tegen een volgens deze makelaar geadviseerde vraagprijs althans voor een laatprijs van maximaal 25% lager dan deze geadviseerde vraagprijs, bij gebreke waarvan Uw Gerechtshof appellante machtigt op grond van artikel 3:174 lid 1 BW om het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 te [A] in verkoop te geven, althans Uw Gerechtshof bepaalt dat het in dezen te wijzen arrest de voor de verkoop noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van geïntimeerde zal vervangen (artikel 3:300 lid 2 BW);geïntimeerde bij een verkoop te veroordelen op eerste sommatie van appellante en uiterlijk binnen 5 dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest aan hem, tot medewerking aan levering van het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 te [A] aan de kopende partij, door medewerking te verlenen aan het opmaken van en het verlijden van de akte van levering, bij gebreke waarvan Uw Gerechtshof appellante machtigt op grond van artikel 3:174 lid 1 BW om het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 [A] namens geïntimeerde te leveren, althans Uw Gerechtshof bepaalt dat het in dezen te wijzen arrest de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van geïntimeerde zal vervangen (artikel 3:300 lid 2 BW);
IV het vonnis voor het overige te bevestigen;

V met veroordeling van gerequireerde in de kosten van het geding in beide instanties, de

kosten van de deskundige en die van de gelegde beslagen ad € 5.015,01 althans

zodanig bedrag als uw Hof juist acht daaronder begrepen, te vermeerderen met de

nakosten ad € 205,- zonder betekening en € 273,- ingeval van betekening, een en

ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het

geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te

vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde

termijn voor voldoening;

VI het arrest voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren

1.6
De conclusie van [geïntimeerde] in de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, luidt: " IN APPEL:I. Het vonnis van de Rechtbank Groningen d.d. 29 juni 2016 voor zover is beslist onder
5.1
over het uitgangspunt dat gehanteerd dient te worden voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals onder (a) "C Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip besparingen" van het vonnis is overwogen en beslist ten aanzien van:

(b) Rechtsoverweging 4.18 dat niet afgeleid kan worden uit de huwelijkse voorwaarden dat partijen dienen af te wikkelen als waren zij gehuwd, te concluderen tot het falen van deze grief zodat deze rechtsoverweging bekrachtigt dient te worden;

(c) Rechtsoverweging 4.19 waarin het standpunt van de vrouw dat partijen nimmer hebben verrekend en altijd hebben geleefd als ware zij in gemeenschap gehuwd zodat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid afgewikkeld dient te worden op de door [appellante] voorgestane wijze is afgewezen, te concluderen tot het falen van deze grief en deze rechtsoverweging te bekrachtigen;

(d) Rechtsoverweging 4.20 waarbij is overwogen dat over de ondernemingen van [geïntimeerde] niet gezegd kan worden dat deze tot het vermogen van beide partijen behoren, te concluderen tot het falen van deze grief en deze rechtsoverweging te bekrachtigen;

(e) Rechtsoverweging 4.22 eerste gedachtestreepje dat de ontslagvergoeding niet aan te merken is als overgespaarde inkomsten, te concluderen tot het falen van deze grief en deze rechtsoverweging te bekrachtigen.

(f) Rechtsoverweging 4.22 derde gedachtestreepje dat indien vast komt te staan dat er overgespaarde inkomsten zijn. De winst in beginsel voor verrekening in aanmerking komt, met inachtneming van artikel 6 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld dient te worden tot welk bedrag dit aan de ondernemingen kan worden onttrokken, deze grief te laten falen en te concluderen tot bekrachtiging van deze overweging voor zover er is overwogen dat minstens op grond van de tekst van de huwelijkse voorwaarden artikel 6 lid 4 in acht genomen moet worden;

(
Dan wel de zaak te verwijzen naar een pro forma zitting met de opdracht aan geïntimeerde om nadere opgave te verstrekken van het ondernemingsvermogen, onder de voorwaarde dat Uw Gerechtshof eerst een beslissing neemt of en zo ja waarover precies verrekend dient te worden toe te wijzen;

(
II. Het vonnis van de Rechtbank Groningen d.d. 29 juni 2016 te vernietigen voor zover de rechtbank onder 5.1 heeft beslist onder rechtsoverweging 4.31 dat de woning verdeeld dient te worden conform het voorstel van [appellante] , zij het dat het een en ander te financieren moet zijn voor haar en een onafhankelijke deskundige deze dient te taxeren per datum verdeling/taxatie. Deze grief slaagt voor zover het gaat om aan wie de woning dient te worden toegedeeld, nu partijen het er inmiddels over eens zijn dat de voormalig echtelijke woning het beste verkocht kan worden aan een derde partij.

III. Opnieuw rechtdoende

IV. Het vonnis voor het overige te bekrachtigen, dit af te wijzen.

V. Met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties, af te wijzen.

VI. Het arrest voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dit toe te wijzen.

IN INCIDENTEEL APPEL MET CONCLUSIE:

"
Het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016, met

zaaknamen C/18/149569/HA 14-188, gewezen tussen appellante als eiseres in conventie,

verweerster in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie, eiser in reconventie

(deels) te vernietigen voor zover:

I. Onder rechtsoverweging 4.2, afgezien zou zijn van het verweer verjaring en ontvankelijkheid;

II. Onder rechtsoverweging 4.3, dat nu reeds beslist is dat de reconventionele vorderingen van geïntimeerde slechts als verweer zullen worden meegenomen;

III. Onder rechtsoverweging 4.8 stelt dat het beroep op het vervalbeding niet slaagt;

IV. Onder rechtsoverweging 4.21 het begrip besparingen uitlegt als overgespaarde inkomsten;

V. Onder rechtsoverweging 4.22 tweede gedachtestreepje, dat indien er overgespaarde inkomsten/winst aanwezig is in de onderneming hierover verrekend zal moeten worden;

VI. Onder rechtsoverweging 4.22 derde gedachtestreepje, in beginsel minstens artikel 6 lid 4 in acht wordt genomen mocht er een verrekening dienen plaats te vinden over de ondernemingen, echter dat primair op grond van de redelijkheid en billijkheid er nu geen verrekening meer kan worden gevorderd;

VII. Onder rechtsoverweging 4.23 de rechtbank meent dat mogelijk de vereniging Poldemar in de verdeling betrokken dient te worden hetgeen onjuist is;

VIII. Onder rechtsoverweging 4.27 het overzicht van de vrouw als uitgangspunt is genomen hetgeen onjuist is, het overzicht van de man dient uitgangspunt te zijn;

IX. Onder rechtsoverweging 4.30 de overwaarde van de woning bij helfte verdeeld dient te worden, nu de berekening van de man onduidelijk is, de man toegelaten dient te worden om dit nader uiteen te zetten met als uitgangspunt dat de man niet om niet eigen vermogen heeft ingebracht in de woning;

X. Onder rechtsoverweging 4.31 de woning wel aan een derde verkocht kan worden, maar niet op de wijze zoals [appellante] wil dat dit geschiedt;

Opnieuw rechtdoende:

XI. Dat teneinde de verkoop van de echtelijke woning te kunnen bewerkstelligen de makelaar hiervan de regie krijgt, die dan wel makelaar [C] kan zijn of een andere NVM makelaar door Uw Gerechtshof aan te wijzen;

XII. Het vonnis voor het overige te bekrachtigen;

XIII. De vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties;

1.7
De conclusie van [appellante] in de memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende wijziging van eis in principaal appel, luidt:
MET CONCLUSIE

In incidenteel appel:
I. Geïntimeerde zich tot uw Gerechtshof wendt met het eerbiedig verzoek, bij arrest in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellant in zijn incidenteel appel en vorderingen niet ontvankelijk te verklaren althans die hem te ontzeggen of die af te wijzen en het vonnis d.d. van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 29 juni 2016 met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 - waar nodig met verbetering of aanvulling van gronden - te bekrachtigen voor zover [appellante] daartegen niet heeft geappelleerd;

II. appellant in incidenteel appel te veroordelen in de kosten van het incidentele appel;

En bij wijze van wijziging van eis in principaal appel:
Appellante zich tot uw Gerechtshof wendt en

I. haar vordering onder III sub a tot verkoop van de woning wijzigt/aanvult en uw Gerechtshof verzoekt, bij arrest voor zover mogelijkheid uitvoerbaar bij voorraad:

primair de beslissing van de rechtbank tot toedeling van de woning aan [appellante] te bekrachtigen en de beslissing van de rechtbank ter zake de woning te vernietigen voor zover is geoordeeld dat (wat betreft de waarde van de woning) een onafhankelijk deskundige deze dient te taxeren per datum verdeling/taxatie en op dit onderdeel opnieuw rechtdoende te beslissen en te bepalen dat de woning aan [appellante] wordt toebedeeld voor een bedrag van € 325.000,- mits [appellante] de toedeling van de woning aan haar kan financieren;subsidiair voor het geval [appellante] de toedeling van de woning aan haar voor € 325.000,- niet kan financieren of uw Hof haar primaire vordering ter zake de woning afwijst, hetgeen door [appellante] in de memorie van grieven ter zake de woning is gevorderd toewijst (…).
II. Voor het overige tot persistit!

2

2.1
Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 juni 2016 (hierna: het bestreden vonnis) is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, zijn de navolgende.

2.2
Partijen hebben voorafgaand aan hun huwelijk samengewoond, eerst in een woning aan de [b-straat] 39 in [A] , welke woning op naam van [geïntimeerde] stond, daarna in een woning aan de [c-straat] 36 te [A] , welke woning op beider naam stond.

2.3
Partijen zijn op 1 juni 1990, toen zij nog woonden aan de [c-straat] 36 te [A] , met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In de akte van huwelijkse voorwaarden van 30 mei 1990 is onder andere het volgende opgenomen: "
Er zal tussen de echtgenoten geen enkele vermogensgemeenschap bestaan.

(…)

Artikel 4.

(..)

(…)

Artikel 6.

4. Ten aanzien van de zaken betrekking hebbende op beroep of bedrijf geldt het vermoeden dat deze toebehoren aan de echtgenoot die het betreffende beroep of bedrijf uitoefent of heeft uitgeoefend.

1. Ieder kalenderjaar voegen de echtgenoten hun besparingen bijeen ter verdeling bij helfte. Deze samenvoeging en verdeling vindt niet plaats over de perioden dat er, anders dan in onderling overleg, geen gemeenschappelijke huishouding is.

2. Het vorderingsrecht van de ene echtgenoot jegens de andere terzake van de in lid 1 bedoelde verdeling bij helfte, vervalt bij het einde van het derde kalenderjaar volgende op het desbetreffende tenzij lid 4 van toepassing is.

3. Het in de leden 1 en 2 bepaalde laat onverlet de verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed; deze verrekening zal - met toepassing van de beginselen van goede trouw en billijkheid - uitsluitend betrekking hebben op tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

4. Indien de op grond van het hiervoor sub 1 bepaalde tot uitkering verplichte echtgenoot een bedrijf of beroep uitoefent en het uit te keren bedrag zou moeten worden onttrokken aan het bedrijfs- of beroepsvermogen, zal, voor het geval een dergelijke onttrekking in het belang van bedoeld bedrijf of beroep niet verantwoord is, de uitkering eerst behoeven plaats te vinden zodra de betrokken echtgenoot daartoe anderszins in staat is casu quo de uitkering uit bedoeld vermogen als verantwoord kan worden aangemerkt. (….)

Aan de akte van huwelijkse voorwaarden is een staat van aanbrengsten gehecht.
2.4
De arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] bij Geveke Bouw, waar hij sinds 1 september 1996 werkzaam was, is per 1 november 2000 ontbonden. [geïntimeerde] heeft in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding ontvangen ten bedrage van ƒ 104.300,- bruto, oftewel ƒ 58.052,89 netto. Dit bedrag is op 31 oktober 2000 bijgeschreven op een en/of rekening van partijen.
2.5
[geïntimeerde] is voor 100% aandeelhouder in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DBP Projectadvisering B.V. (verder te noemen: DBP), welke vennootschap is opgericht op 17 november 2000. DBP houdt op haar beurt 100% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DBZ Planontwikkeling B.V. (verder te noemen: DBZ), welke vennootschap is opgericht op 21 november 2000.

2.6
DBZ heeft sinds 2009 32,66% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CHE Eemshaven B.V.

2.7
Tot 2010 hield DBZ 33,3% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Side Realty Invest B.V. (verder te noemen: Side Realty Invest B.V.).

2.8
[geïntimeerde] is lid van de vereniging Poldemar.

2.9
[geïntimeerde] heeft op 2 september 2010 bij de rechtbank Groningen een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. [appellante] heeft vervolgens een verweerschrift met nevenverzoeken ingediend, waarna bij beschikking van 29 maart 2011 de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 7 juli 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Bij de beschikking van 29 maart 2011 zijn de overige verzoeken aangehouden.

2.10
Bij beschikking van 2 augustus 2011 heeft de rechtbank in de echtscheidingsprocedure onder meer het volgende overwogen:" "De rechtbank heeft partijen bij deze beschikking gelast de tussen hun bestaande (beperkte) huwelijksgemeenschap te verdelen, waarbij een notaris is benoemd om de verdeling te bewerkstelligen en een onzijdig persoon. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.11
Eind augustus 2013 hebben partijen een gesprek gehad bij de notaris. Zij hebben bij de notaris geen overeenstemming bereikt omtrent de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/verdeling van de (eenvoudige) gemeenschap. Bij brief van 19 september 2013 heeft de notaris geconstateerd dat tussen partijen wel overeenstemming bestaat over de verdeling van de voormalige echtelijke woning, maar niet over de wijze van afdoening van de huwelijkse voorwaarden en dat partijen daardoor, ook niet deels, tot afspraken zijn gekomen.

3

3.1
[appellante] heeft [geïntimeerde] op 13 juni 2014 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen en - kort gezegd - de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van het gezamenlijke vermogen van partijen gevorderd. [geïntimeerde] heeft ten aanzien daarvan vorderingen in reconventie ingesteld.

3.2
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 oktober 2015 een comparitie van partijen gelast, welke comparitie geen doorgang heeft gevonden. Bij het bestreden vonnis van 29 juni 2016 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt beslist: "
de huwelijkse voorwaarden de volgende uitgangspunten dienen te hanteren:

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen niet hebben bedoeld om bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwdin gemeenschap van goederen en dat evenmin aanleiding bestaat voor het oordeel dat naarmaatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewikkeld als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd. Ten aanzien van het begrip "besparingen" heeft de rechtbank, voor zover hier van belang,geoordeeld dat daaronder niet valt de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen. De door de rechtbank genoemde bankrekeningen zijn de bankrekeningen met de nummers [00000] , [00001] , [00002] , [00003] , [00004] , [00005] en [00006] . Ten aanzien van de verdeling van de woning heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de woning dient te worden verdeeld conform het voorstel van [appellante] , wat kortgezegd inhoudt dat de woning aan [appellante] wordt toegedeeld tegen de waarde die een onafhankelijke deskundige taxeert per datum verdeling/taxatie.
- Het beroep op het vervalbeding door [geïntimeerde] is niet gerechtvaardigd;

(…)
- Wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te worden uitgegaan van hetgeen onder "C. Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip besparingen" is overwogen en beslist;

- De saldi van de bankrekeningen genoemd in rechtsoverweging 4.24 dienen bij helfte worden verdeeld met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.27 is overwogen;

- Wat betreft de verdeling van de woning dient te worden uitgegaan van hetgeen in rechtsoverweging 4.30 en 4.31 is overwogen en beslist.

3.3
De rechtbank heeft voorts bepaald dat van het vonnis van 29 juni 2016 hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

3.4
De rechtbank heeft bij het vonnis van 29 juni 2016 tevens een comparitie van partijen bevolen, waarbij aan de orde zal komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien. Deze comparitie is op verzoek van partijen aangehouden in afwachting van de uitkomst van het onderhavige hoger beroep.
beslissing

4

4.1
[appellante] is met zes grieven in principaal hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. [geïntimeerde] is met tien grieven in incidenteel hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk per onderwerp bespreken.

4.2
De (voorwaardelijke) reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] zijn deels het gevolg van de door hem beoogde wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van het gemeenschappelijke vermogen. Blijkens het bestreden vonnis wordt door de rechtbank hetgeen in reconventie is aangevoerd aangemerkt als verweer op de door [appellante] in conventie gedane vorderingen die het gevolg zijn van de door haar gewenste wijze van verdeling en verrekening. Het is kennelijk niet de bedoeling om het door [geïntimeerde] in (voorwaardelijke) reconventie geformuleerde in zoverre buiten beschouwing te laten. Voor zover [geïntimeerde] een vordering heeft geformuleerd wegens gemaakte kosten na de peildatum, valt deze buiten het bestek van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden of de verdeling van de gemeenschap. Het hof gaat er desalniettemin vanuit dat de rechtbank ook deze post zal beoordelen, alvorens een eindbeslissing te geven.
De voormalige echtelijke woning

4.3
Partijen hebben ter comparitie overeenstemming bereikt over de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan [appellante] . Het hof verwijst voor de inhoud van de gemaakte afspraken naar het van de comparitie van partijen opgemaakte proces-verbaal. De zesde grief in het principaal hoger beroep en de tiende grief in het incidenteel hoger beroep behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

4.4
Partijen twisten nog wel over de vraag of aan [geïntimeerde] een vergoeding toekomt in verband met investeringen die hij met privévermogen stelt te hebben gedaan in de voormalige echtelijke woning.

4.5
Met de negende grief in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vast is komen te staan dat de voormalige echtelijke woning ook deels met privévermogen van [geïntimeerde] is gefinancierd.

4.6
[geïntimeerde] stelt - kort samengevat - dat hij voor de aankoop van de woning [b-straat] 39 te [A] , welke woning hij in 1982 alleen in eigendom heeft verkregen, een bedrag van ƒ 40.000,- aan eigen geld heeft ingebracht, dat dit bedrag na verkoop van deze woning vervolgens opnieuw is geïnvesteerd in de gezamenlijke woning [c-straat] 36 te [A] en vervolgens na verkoop van die woning ook weer in de gezamenlijke woning [a-straat] 6 te [A] (de voormalige echtelijke woning). [geïntimeerde] berekent zijn vergoedingsrecht op € 144.960,-.

4.7
[appellante] stelt dat [geïntimeerde] het bedrag van ƒ 40.000,- dat hij uit de verkoop van de woning [b-straat] 39 te [A] heeft ontvangen op een aparte spaarrekening heeft gezet en niet heeft gebruikt voor de financiering van de woning [c-straat] 36 te [A] (en vervolgens voor de woning [a-straat] 6 te [A] ). Van dit geld is volgens [appellante] later onder meer een caravan gekocht.

4.8
Uit de overgelegde stukken komt naar voren dat partijen in 1988 een perceel grond hebben gekocht aan de [c-straat] 36 te [A] en op dat perceel een nieuwbouwhuis hebben gerealiseerd.

4.9
Uit het als productie 110 bij de akte uitlating d.d. 14 november 2016 van [appellante] overgelegde rekeningafschrift (eerste blad, bovenste afschrift) blijkt dat op 19 september 1988 van een niet nader genoemde rekening een bedrag van ƒ 78.500,- is overgeboekt op rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] onder de omschrijving "verstrekking lening".

4.10
Op 31 maart 1989 hebben partijen aan de Rabobank een hypothecaire inschrijving op het pand aan de [c-straat] 36 Te [A] tot een bedrag van ƒ 70.000,- verleend.

4.11
De woning van [geïntimeerde] aan de [b-straat] 39 te [A] is op 26 april 1989 overgedragen en de verkoopopbrengst minus kosten van ƒ 103.640,74 is blijkens het als productie 110 bij de akte uitlating d.d. 14 november 2016 van [appellante] overgelegde rekeningafschrift (eerste blad, middelste afschrift) op 29 april 1989 overgeschreven op rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] .

4.12
Op 1 mei 1989 heeft een afboeking naar een niet nader genoemde rekening plaatsgevonden van rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] van ƒ 78.500,- onder de omschrijving "Aflossing lening".

4.13
Op 22 juni 1989 heeft een overboeking plaatsgevonden van ƒ 40.000,- van rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] naar de spaarrekening met rekeningnummer [00001] ten name van [geïntimeerde] (productie 110 bij de akte uitlating d.d. 14 november 2016 van [appellante] overgelegde rekeningafschriften (eerste blad, onderste afschrift en tweede blad, bovenste afschrift). [appellante] stelt dat [geïntimeerde] hiermee zijn investering van ƒ 40.000,- vanuit de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 te [A] weer heeft teruggehaald naar privé. [geïntimeerde] stelt echter dat het slechts toeval is dat de hoogte van deze overboeking overeenstemt met het bedrag van zijn eerder investering en hij betwist dat het bedrag van ƒ 40.000,- afkomstig is uit de verkoop van de [b-straat] 39 in [A] .

4.14
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de overgelegde stukken niet worden vastgesteld dat voormelde overboeking van ƒ 40.000,- naar de spaarrekening van [geïntimeerde] is gedaan met gelden afkomstig uit de verkoop van de woning [b-straat] 39 te [A] . De rekening met rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] werd namelijk ook met andere gelden gevoed en bovendien is er een periode van bijna twee maanden gelegen tussen de ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 te [A] en de overboeking van ƒ 40.000,- naar de spaarrekening ten name van [geïntimeerde] . Daarmee is de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] zijn oorspronkelijke investering van ƒ 40.000,- vanuit de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 te [A] heeft teruggehaald naar privé naar het oordeel van hof onvoldoende vast komen te staan.

4.15
Het hof is echter van oordeel dat op grond van de beschikbare informatie in het dossier zoals hiervoor weergegeven evenmin valt vast te stellen dat de woning [c-straat] 36 te [A] gedeeltelijk met privévermogen van [geïntimeerde] is betaald. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de koopsom en de termijnen van de koop/aannemingsovereenkomst van de woning [c-straat] 36 te [A] zijn voldaan. Niet duidelijk is in hoeverre de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 daarvoor is aangewend en in hoeverre zij (zoals [geïntimeerde] ter comparitie heeft gesteld) spaargeld hebben aangewend om de koop/aannemingssom te voldoen. Er is daarom naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan dat de woning [c-straat] 36 te [A] gedeeltelijk met privévermogen van [geïntimeerde] is betaald. Dat brengt met zich dat ook ten aanzien van de woning [a-straat] 6 te [A] (de voormalige echtelijke woning) niet vast is komen te staan dat daarin vanuit privévermogen van [geïntimeerde] is geïnvesteerd. De negende grief in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve en het hof zal het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigen.
De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen

4.16
Partijen zijn in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding overeengekomen.

4.17
De rechtbank heeft geoordeeld dat als peildatum wat betreft de afwikkeling van het verrekenbeding, zowel met betrekking tot de samenstelling als de omvang van hetgeen verrekend dient te worden, dient te worden uitgegaan van 26 augustus 2009, nu partijen op dat moment feitelijk uit elkaar zijn gegaan en vanaf dat moment geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden in de zin van artikel 6, lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Nu tegen dit oordeel door partijen niet is gegriefd, zal het hof hiervan uitgaan.

4.18
[geïntimeerde] beroept zich op de in artikel 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervaltermijn.

4.19
Tussen partijen is niet in geschil dat deze vervaltermijn aanvangt op 26 augustus 2009 en eindigt op 26 augustus 2012. Partijen twisten over de vraag of aan de [geïntimeerde] een beroep toekomt op deze vervaltermijn.

4.20
Met de derde grief in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat een beroep op deze vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Na toelichting ter comparitie begrijpt het hof dat ook de eerste grief in het incidenteel hoger beroep betrekking heeft op dit oordeel van de rechtbank.

4.21
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] een beroep op het vervalbeding toekomt tot uitgangspunt genomen dient te worden dat een dergelijk beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, tenzij blijkt van omstandigheden die een beroep op dit beding rechtvaardigen (vgl. HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617 (Rensing/Polak I)).
4.22
Ter onderbouwing van zijn stelling dat een beroep op het vervalbeding in casu gerechtvaardigd is, voert [geïntimeerde] aan dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [appellante] afzag van haar vordering tot verrekening op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. Dat is echter op grond van de overgelegde stukken naar het oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan. Anders dan [geïntimeerde] stelt, heeft de rechtbank bij de beschikking van 2 augustus 2011 niet afwijzend beslist op het verzoek van [appellante] betreffende de verrekening, maar is bij die beschikking ook ten aanzien van de verrekening een notaris benoemd om de verdere afwikkeling op zich te nemen. Voor [appellante] bestond gelet hierop geen aanleiding om in hoger beroep te komen van de beschikking van 2 augustus 2011 en uit het niet instellen van hoger beroep kan niet worden afgeleid dat [appellante] afzag van haar beroep op verrekening. Dat partijen zich vervolgens pas op 29 augustus 2013 daadwerkelijk tot de (opvolger van) de bij de beschikking van 2 augustus 2011 benoemde notaris hebben gewend, maakt niet dat [geïntimeerde] er op mocht vertrouwen dat [appellante] afzag van haar vordering tot verrekening. Uit de als productie 17 bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van [appellante] aan de partner van [geïntimeerde] van 15 januari 2013 en de als productie 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van [appellante] aan [geïntimeerde] van 29 april 2013 blijkt dat [appellante] zich ook in de tussenliggende periode is blijven beroepen op verrekening. Ook het tijdsverloop tussen de brief van de notaris van 19 september 2013 waarin hij mededeelt dat de standpunten van partijen te ver uit elkaar liggen om zijn taak als boedelnotaris te kunnen vervullen, en de dagvaarding van [geïntimeerde] door [appellante] in de onderhavige procedure op 14 juni 2014, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [appellante] afzag van haar vordering tot verrekening, ook niet in het licht van het feit dat [appellante] werd bijgestaan door een advocaat. [geïntimeerde] stelt verder dat ook het feit dat hij [appellante] goed verzorgd heeft achtergelaten, doordat hij een hoge kinder- en partneralimentatie met haar is overeenkomen en heeft toegestaan dat zij in de echtelijke woning bleef wonen, maakt dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [appellante] zou afzien van haar aanspraken op grond van het verrekenbeding. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. De vermogensrechtelijke aanspraken die [appellante] heeft op grond van het verrekenbeding moeten los worden gezien van de vraag of [geïntimeerde] [appellante] verzorgd heeft achtergelaten en uit de overgelegde stukken komen geen aanwijzingen naar voren dat [appellante] in ruil voor de overeengekomen alimentatie en het verschafte woongenot zou hebben afgezien van haar beroep op verrekening. Het hof is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat niet vast is komen te staan dat bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [appellante] zou afzien van haar aanspraken op grond van het verrekenbeding.

4.23
De feiten en omstandigheden die [geïntimeerde] verder nog heeft aangevoerd, zijn evenmin toereikend om een beroep op het vervalbeding te rechtvaardigen. Het hof is gelet hierop van oordeel dat aan [geïntimeerde] geen beroep toekomt op het vervalbeding. De eerste grief en de derde grief in het incidenteel hoger beroep falen derhalve.

4.24
Partijen twisten over hoe de door hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden dienen te worden uitgelegd. Daarbij is in het bijzonder tussen hen in geschil:- of zij hebben bedoeld om bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen;- wat moet worden verstaan onder het begrip "besparingen" in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden.
4.25
De uitleg van een bepaling in huwelijkse voorwaarden dient volgens vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Daarbij komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (vgl. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199). Hierbij gaat het ook, maar niet uitsluitend, om de formuleringen die partijen hebben gebezigd. Bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.
* Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen?

4.26
Met de eerste grief in het principaal hoger beroep komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vast is komen te staan dat partijen bedoeld hebben om bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen.

4.27
[appellante] stelt dat partijen enkel op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd om haar te beschermen tegen schuldeisers van een eventuele toekomstige onderneming van [geïntimeerde] . Het stond partijen volgens [appellante] voor ogen om hun inkomen en vermogen in hun onderlinge verhouding gemeenschappelijk te doen zijn. Dat blijkt volgens [appellante] ook uit het feit dat partijen een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen en uit het feit dat zij daarbij hebben gekozen voor een volgens [appellante] ruim inkomstenbegrip.

4.28
[geïntimeerde] betwist dat partijen beoogden om hun inkomen en vermogen gemeenschappelijk te doen zijn. Uit artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden blijkt volgens [geïntimeerde] dat partijen iedere vermogensrechtelijke gemeenschap hebben willen uitsluiten. De huwelijkse voorwaarden zijn geen standaard voorwaarden, zodat er vanuit moet worden gegaan dat deze weloverwogen op deze wijze zijn opgesteld en besproken. Ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was volgens [geïntimeerde] nog niet te overzien dat het opnemen van een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden er jaren later in sommige gevallen toe zou leiden dat afgewikkeld moet worden alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan.

4.29
Het hof stelt voorop dat partijen in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen dat er tussen hen geen enkele vermogensgemeenschap zal bestaan. Het hof is van oordeel dat aan de letterlijke tekst van deze bepaling groot gewicht toekomt. Hoewel [appellante] stelt zich niet te herinneren of de notaris haar goed heeft geïnformeerd over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, moet er naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat door de notaris in elk geval zal zijn besproken dat partijen in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden iedere vermogensgemeenschap hebben uitgesloten. Door [appellante] zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat zij er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat partijen iets anders zijn overeengekomen dan in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is vermeld. Partijen hebben weliswaar in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding opgenomen, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen aanwijzing dat partijen hebben beoogd om (finale afrekening conform) een algehele gemeenschap van goederen met elkaar overeen te komen. Indien partijen hadden willen overeenkomen dat zij aan het einde van het huwelijk zouden afrekenen als waren zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, dan hadden zij dat met zoveel woorden als finaal verrekenbeding kunnen (en moeten) opnemen in de huwelijkse voorwaarden. Het hof volgt daarbij [geïntimeerde] in zijn stelling dat in 1990 nog niet was te voorzien dat het opnemen van een periodiek verrekenbeding mogelijk tot gevolg zou kunnen hebben dat er afgewikkeld zou moeten worden alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan.

4.30
Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat uitleg van de huwelijkse voorwaarden meebrengt dat partijen niet hebben bedoeld om overeen te komen dat bij het einde van het huwelijk dient te worden afgewikkeld alsof zij in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd.

4.31
Het door [appellante] gedane bewijsaanbod om haar moeder, zichzelf, [geïntimeerde] en de notaris te doen horen zal het hof passeren nu dit onvoldoende concreet en niet ter zake dienend is. De eerste grief in het principaal hoger beroep faalt derhalve.

4.32
Met de tweede grief in het principaal hoger beroep komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [appellante] aangevoerde feiten en omstandigheden er niet toe leiden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewikkeld als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd.

4.33
[appellante] stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat onverkorte handhaving van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.34
Zij voert daartoe in de eerste plaats aan dat partijen zich staande huwelijk hebben gedragen alsof zij in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. Dit blijkt volgens [appellante] onder meer uit het feit dat partijen tijdens het huwelijk testamenten op de langstlevende hebben gemaakt, levensverzekeringen op elkaars leven hebben afgesloten, gezamenlijke bankrekeningen hadden en samen woningen hebben aangekocht. Ook het feit dat partijen tijdens het huwelijk niet periodiek hebben verrekend conform artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden vormt volgens [appellante] een aanwijzing dat partijen hebben geleefd alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen.

4.35
Het hof is van oordeel dat op grond van de door [appellante] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet vast is komen te staan dat partijen zich staande huwelijk zodanig hebben gedragen dat afwikkeling volgens de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het maken van testamenten op de langstlevende en het afsluiten van verzekeringen op elkaars leven heeft tot doel om elkaar na overlijden goed verzorgd achter te laten en is niet alleen aan de orde tussen in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwde echtelieden. Dat geldt evenzeer voor de aankoop van een woning, het aangaan van een hypothecaire geldlening en het openen van een gezamenlijke bankrekening. Daar komt bij dat uit de overgelegde stukken vast is komen te staan dat [geïntimeerde] naast de gezamenlijke bankrekeningen ook privé-bankrekeningen had. Voor zover het niet uitvoeren van het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden al een bewuste keuze van partijen zou zijn geweest, brengt dat naar het oordeel van het hof op zichzelf nog niet mee dat partijen er in hun onderlinge verhouding vanuit wilden gaan dat zij in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. Daarbij acht het hof ook weer van belang dat in 1990 nog niet was te voorzien dat het niet uitvoeren van een periodiek verrekenbeding tot gevolg zou kunnen hebben dat partijen met elkaar zouden moeten afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren geweest.

4.36
Ook de overige door [appellante] gestelde omstandigheden geven naar het oordeel van het hof geen aanleiding om te oordelen dat onverkorte handhaving van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden van partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat, zoals hierna zal worden overwogen, de waarde van de aandelen van [geïntimeerde] in zijn ondernemingen verrekend moet worden. Ook de tweede grief in het principaal hoger beroep faalt derhalve.

4.37
Tussen partijen is in geschil wat moet worden verstaan onder het begrip "besparingen", genoemd in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden en meer specifiek of de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen daar ook onder valt. [geïntimeerde] stelt zich in zijn vierde grief in het incidenteel hoger beroep op het standpunt dat het begrip "besparingen" niet gelijkgesteld kan worden aan het begrip "overgespaarde inkomsten".

4.38
Het hof stelt voorop dat beide partijen ter zitting hebben erkend dat op grond van de verklaringen van partijen niet valt vast te stellen wat partijen hebben bedoeld te verstaan onder het begrip "besparingen" in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn het erover eens dat het hof het begrip "besparingen" daarom dient uit te leggen aan de hand van de taalkundige betekenis. Naar het oordeel van het hof is er op grond van een taalkundige uitleg geen aanleiding om het begrip "besparingen" beperkter uit te leggen dan het begrip "overgespaarde inkomsten". Het hof zal er dan ook van uitgaan dat onder het begrip "besparingen" in ieder geval wordt verstaan het geld dat bespaard is gebleven van het inkomen, na aftrek van de kosten van de huishouding. Welke rol de ontslagvergoeding van [geïntimeerde] in dit kader speelt behandelt het hof hierna, zie rechtsoverweging 4.45. De vierde grief in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve.

4.39
Vast staat dat partijen nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat zijn salaris steeds is gestort op de en/of-rekening van partijen, maar dat enkele feit brengt naar het oordeel van het hof nog niet met zich dat partijen aan hun verrekenplicht hebben voldaan.

4.40
Op grond van artikel 1:141 lid 1 BW dienen partijen alsnog tot verrekening over te gaan, waarbij deze verrekening zich uitstrekt tot het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van wat niet is verrekend met inbegrip van de vruchten daarvan.
4.41
Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat het gehele vermogen van zowel [geïntimeerde] als [appellante] dat aanwezig is op de peildatum wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

4.42
Tegen het bewijsvermoeden van lid 3 staat tegenbewijs open. Voor het leveren van tegenbewijs is voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd. Het is aan [geïntimeerde] om in dat kader per vermogensbestanddeel dat in geschil is te stellen dat de waarde niet is gevormd uit hetgeen op de voet van het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding verrekend had moeten worden (vgl. Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:161).

4.43
Het hof zal hierna eerst ingaan op de aandelen van [geïntimeerde] in DBP en DBZ.

4.44
[geïntimeerde] stelt dat de oprichting van DBP en DBZ is betaald met de ontslagvergoeding die hij heeft ontvangen en die in zijn optiek niet behoeft te worden verrekend, nu dit geen "besparing" als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden betreft.

4.45
Het hof dient in de eerste plaats te beoordelen of de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen een op grond van artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden te verrekenen "besparing" is. Het hof is, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 4.38, van oordeel dat de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen valt onder het begrip "besparingen" en derhalve verrekend had moeten worden. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de ontslagvergoeding was bedoeld als inkomenscompensatie voor [geïntimeerde] en dat daarover destijds ook inkomstenbelasting is betaald. De vierde grief in het principaal hoger beroep slaagt derhalve.
4.46
Het hof dient vervolgens te beoordelen of voldoende vast is komen te staan dat de oprichting van DBP is betaald met de ontslagvergoeding.

4.47
Uit het als productie 33 bij de dagvaarding overgelegde rekeningafschrift blijkt dat Geveke Bouw B.V., zijnde de voormalige werkgever van [geïntimeerde] , op 31 oktober 2000 een bedrag van ƒ 58.042,89 heeft overgeboekt op de en/of-girorekening van [geïntimeerde] en [appellante] met rekeningnummer [00007] .

4.48
Uit het als productie 34 bij de dagvaarding overgelegde rekeningafschrift en het als productie 59 van de conclusie van repliek overgelegde rekeningafschrift, volgnummer 0001, blijkt dat op 15 november 2000 van diezelfde en/of-girorekening van [geïntimeerde] en [appellante] met rekeningnummer [00007] een overboeking van ƒ 40.000,- heeft plaatsgevonden op rekeningnummer [00008] ten name van DBP, welke vennootschap op 17 november 2000 is opgericht.
4.49
Uit het als productie 59 overgelegde rekeningafschrift, volgnummer 0001, blijkt dat op 20 november 2000 van de rekening van DBP met rekeningnummer [00008] een bedrag van ƒ 40.000,- is overgeboekt naar rekeningnummer [00009] ten name van DBZ onder vermelding van "inz. oprichting bv". DBZ is op 21 november 2000 opgericht.

4.50
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat zowel het startkapitaal van DBP als het startkapitaal van DBZ is voldaan vanuit voormeld bedrag van ƒ 40.000,- en er moet naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat dit bedrag van ƒ 40.000,- afkomstig is uit de ontslagvergoeding van ƒ 58.042,89. Hoewel de ontslagvergoeding is overgemaakt op de gezamenlijke rekening van [geïntimeerde] en [appellante] , welke rekening ook met andere gelden werd gevoed, is naar het oordeel van het hof gelet op de hoogte van het saldo van deze gezamenlijke rekening vóórdat de ontslagvergoeding werd gestort (ƒ 7.055,22) en de korte termijn gelegen tussen ontvangst van de vergoeding en de overboeking, aannemelijk dat de overboeking van ƒ 40.000,- is gedaan vanuit de gelden van de ontslagvergoeding en dat dit deel van de ontslagvergoeding niet is besteed aan de kosten van de huishouding.

4.51
Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs als hiervoor bedoeld in rechtsoverweging 4.42. [geïntimeerde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de aandelen in DBP en DBZ op de peildatum niet is gevormd uit hetgeen op de voet van het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding verrekend had moeten worden. Het hof stelt dan ook vast dat de aandelen van [geïntimeerde] in DBP en DBZ zijn aangekocht met "besparingen" die nog niet tussen partijen zijn verrekend. Dit leidt tot de conclusie dat de waarde van de aandelen van [geïntimeerde] in DBP en DBZ volledig in de verrekening dienen te worden betrokken. Dat brengt tevens mee dat ook de waarde van de andere ondernemingen van [geïntimeerde] (CHE Eemshaven B.V. en Side Realty Invest) dient te worden verrekend, nu deze op de peildatum onderdeel vormden van DBZ. De derde en vierde grief in het principaal hoger beroep slagen in zoverre.

4.52
Dit betekent dat het hof het bestreden vonnis in zoverre zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bepalen dat de waarde van de ondernemingen van [geïntimeerde] per peildatum (DBP, DBZ, CHE Eemshaven en Side Realty Invest) volledig dient te worden verrekend. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, opdat daar kan worden beslist over de wijze waarop de waarde van deze ondernemingen per peildatum dient te worden vastgesteld en opdat verder op de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellante] kan worden beslist, met inachtneming van hetgeen hiervoor over de afwikkeling van het periodiek verrekenbeding is overwogen en beslist.

4.53
Het hof komt gelet op het vorenstaande oordeel niet toe aan de vijfde grief in het principaal hoger beroep en aan de vijfde, zesde en een deel van de zevende grief in het incidenteel hoger beroep, die betrekking hebben op de vaststelling welk bedrag aan de ondernemingen van [geïntimeerde] kan worden onttrokken.

4.54
Ten aanzien van De Oude Snik B.V. is naar het oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan dat dit een onderneming van [geïntimeerde] betreft. Uit het als productie 37 bij de conclusie van dupliek overgelegde uittreksel uit het handelsregister komt naar voren dat [D] bestuurder is van De Oude Snik B.V. [geïntimeerde] heeft ter comparitie naar voren gebracht dat DBZ een hypothecaire lening aan De Oude Snik B.V. heeft verstrekt, welke lening in december 2006, bij verkoop van het onderpand, door De Oude Snik B.V. aan DBZ is terugbetaald en welk bedrag vervolgens door DBZ is doorgestort naar Side Realty Invest. Deze lezing wordt naar het oordeel van het hof bevestigd door de als productie 37 overgelegde bankafschriften. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om te bepalen dat ook de waarde van De Oude Snik B.V. dient te worden verrekend.

4.55
[geïntimeerde] komt in de zevende grief in het incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het lidmaatschap van de vereniging Poldemar en het aandeel van [geïntimeerde] in de woning " [E] " in [F] (Spanje).

4.56
Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken niet vast komen te staan dat per de peildatum voor verrekening vatbare vermogensbestanddelen aanwezig waren voortvloeiende uit het lidmaatschap van de vereniging Poldemar. Uit het afschrift van de bankrekening van Poldemar bij ING Bank met rekeningnummer [00010] blijkt dat het saldo rond de peildatum (op 21 oktober 2009) € 308,66 bedroeg. Van dit bedrag staat niet vast in hoeverre dat aan de leden kan worden uitgekeerd, zodat dit reeds om die reden niet voor verrekening in aanmerking komt.

4.57
Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vereniging Poldemar in 2001 een huurkoopovereenkomst is aangegaan ten aanzien van de woning " [E] " in [F] (Spanje), op grond van welke overeenkomst de (vier leden van de) vereniging de mogelijkheid werd geboden de woning na tien jaar te kopen, waarbij de betaalde huurpenningen in mindering zouden strekken op de koopprijs. [appellante] stelt dat de (vier leden van de) vereniging Poldemar op de peildatum daarom een vordering hadden op de eigenaar van de woning ter grootte van de op dat moment reeds betaalde huurpenningen en dat het aandeel van [geïntimeerde] in deze vordering