Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:104

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:104, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.249.312/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.249.312/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/159314 HA ZA 18/022)
arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

Centric Netherlands B.V.,

gevestigd te Gouda,appellante,in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. C. van der Schoot, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

ECLI:NL:GHARL:2019:104:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.249.312/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/159314 HA ZA 18/022)
arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

Centric Netherlands B.V.,

gevestigd te Gouda,appellante,in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,hierna: ,advocaat: mr. C. van der Schoot, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

1

gevestigd te Buitenpost,hierna: ,
2. Gemeente Tytsjerksteradiel,

gevestigd te Burgum,hierna: ,geïntimeerden,in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. G. Verberne, kantoorhoudend te Amsterdam.
1

Tussen partijen is een geding aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2

2.1
Bij exploot van 1 november 2018 is door Centric hoger beroep ingesteld van twee beslissingen van (de rolrechter van) de rechtbank, genomen op 3 oktober 2018 en op 15 oktober 2018.

2.2
Bij brief van 13 november 2018 heeft de rolraadsheer Centric in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

2.3
Centric heeft zich in een akte van 16 november 2018 uitgelaten.

2.4
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
3

3.1.
Uit de overgelegde dossierstukken is het hof het volgende gebleken. Tussen partijen is een geschil aanhangig bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, (hierna: de rechtbank). Nadat in de procedure in eerste aanleg van dupliek in reconventie was gediend, is de zaak verwezen naar de roldatum van 3 oktober 2018 voor “”. Centric heeft daarop op 3 oktober 2018 een B16-formulier ingediend waarin zij verklaard heeft prijs te stellen op een mondelinge behandeling, mede omdat in deze zaak geen comparitie heeft plaatsgevonden.

3.2.
In het roljournaal is daarop bij de roldatum 3 oktober 2018 de opmerking “ [hof: Centric] [hof: de gemeenten] geplaatst. De rechtbank heeft de zaak vervolgens naar de rol van 14 november 2018 verwezen voor vonnis. Daarop heeft Centric in een brief aan de rechtbank van 9 oktober 2018 geschreven dat zij op de rol van 3 oktober 2018 pleidooi heeft gevraagd in plaats van comparitie, en heeft zij de rechtbank verzocht het verzoek om pleidooi alsnog toe te staan. Naar aanleiding van deze brief heeft de rechtbank op 15 oktober 2018 aan Centric geschreven dat door haar geen verzoek om pleidooi is gedaan maar om comparitie, terwijl de daartoe gegeven motivering door de rechtbank onvoldoende is geacht.
3.3.
In een brief van 13 november 2018 heeft Centric de rechtbank verzocht te bepalen dat het Centric wordt toegestaan in hoger beroep te komen tegen de beslissingen van de (rolrechter van de) rechtbank van 3 oktober 2018 en 15 oktober 2018. De rechtbank heeft Centric hierop in een brief van 15 november 2018 meegedeeld dat het verzoek tot instellen van tussentijds hoger beroep is afgewezen, nu het verzoek te laat is ingediend waardoor een onredelijke vertraging ontstaat.

3.4.
Het hof overweegt als volgt. Het verzoek van Centric op de rol van 3 oktober 2018 tot het houden van een mondelinge behandeling, is door de rechtbank gekwalificeerd als een verzoek om comparitie, welk verzoek door de rolrechter van de rechtbank is afgewezen. Wat daar verder ook van zij, op grond van artikel 131 Rv staat tegen een dergelijke beslissing geen hogere voorziening open.

3.5.
Voor zover het verzoek van Centric een verzoek tot het houden van pleidooi zou betreffen, is de rolbeslissing waarbij dit verzoek is afgewezen hoogstens aan te merken als een tussenvonnis. Op grond van artikel 337 lid 2 Rv is tussentijds hoger beroep van een tussenvonnis uitgesloten, tenzij de rechter die de uitspraak heeft gedaan anders heeft bepaald, hetzij in de bestreden tussenuitspraak zelf, hetzij bij afzonderlijke beslissing op een binnen de beroepstermijn, daartoe strekkend verzoek. De rechtbank heeft bij de voornoemde brief van 15 november 2018 afwijzend beslist op het verzoek van Centric tussentijds hoger beroep open te stellen. Dat heeft tot gevolg dat Centric niet-ontvankelijk in haar hoger beroep moet
worden verklaard. Hetgeen Centric hiertegen in haar brief aan het hof van 16 november 2018 heeft aangevoerd kan daaraan niet afdoen.

3.6.
De conclusie luidt dat Centric niet-ontvankelijk is in haar beroep tegen de beslissingen van de rechtbank het verzoek van Centric om comparitie dan wel pleidooi af te wijzen.

3.7.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Centric in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
beslissing

4

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart Centric niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;

veroordeelt Centric in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot heden aan de zijde van de gemeenten begroot op € 726,- aan verschotten en nihil aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op8 januari 2019.