Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:10306

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:10306, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.257.386/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.257.386/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/162188 / FA RK 18-911)
beschikking van 28 november 2019

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de vader,advocaat: mr. A. van der Pol te Leeuwarden,
en

[verweerster]

wonende te [B] ,verweerster in hoger beroep,verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden.
Als informant is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling ,gevestigd te Leeuwarden,verder te noemen: de GI.

ECLI:NL:GHARL:2019:10306:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.257.386/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/162188 / FA RK 18-911)
beschikking van 28 november 2019

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de vader,advocaat: mr. A. van der Pol te Leeuwarden,
en

[verweerster]

wonende te [B] ,verweerster in hoger beroep,verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. A.J. de Boer te Leeuwarden.
Als informant is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling ,gevestigd te Leeuwarden,verder te noemen: de GI.
1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 9 januari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het beroepschrift met productie(s) van de moeder, ingekomen op 2 april 2019;- het verweerschrift met productie(s);- een journaalbericht van mr. Van der Pol van 11 april 2019 met productie(s);
-

2.2
De mondelinge behandeling heeft op 4 oktober 2019 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen mr. [C] , mevrouw [D] en een stagiaire. Er is geen vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) verschenen.
3

Uit de affectieve relatie van de ouders is [in] 2009 geboren [de minderjarige] . [de minderjarige] is door de vader erkend. De relatie tussen de ouders is eind 2016 verbroken. De moeder oefent tot op heden het gezag over [de minderjarige] alleen uit. [de minderjarige] heeft een licht verstandelijke beperking. Zij staat sinds medio 2017 onder toezicht van de GI en verblijft sinds september 2018 in een (netwerk)pleeggezin, bij de zus (en haar echtgenoot) van de moeder. De ouders hebben beiden omgang met [de minderjarige] gedurende twee uur per vier weken.

4

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] afgewezen.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij heeft tevens zijn verzoek vermeerderd. De vader verzoekt primair hem in plaats van de moeder te belasten met het (eenhoofdig) gezag over [de minderjarige] , althans subsidiair hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag.
4.3
De moeder voert verweer en verzoekt het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen.
beslissing

5

5.1
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.Het derde lid van dit artikel bepaalt dat wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek van de ouder om hem alleen met het gezag te belasten slechts wordt ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
5.2
De vader stelt, samengevat, dat hij goed contact heeft met [de minderjarige] in het pleeggezin en dat hij, anders dan de moeder, vanaf het begin van de plaatsing een betrokken vader is. Hij meent dat hij, meer dan de moeder, het belang van [de minderjarige] voorop kan stellen en dat hij - primair - het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] dient uit te oefenen. Bij het verkrijgen van gezag, zal hij deel uitmaken van het leven van [de minderjarige] en over haar kunnen meebeslissen, meer dan nu het geval is. Juist nu sprake is van een pleeggezinplaatsing binnen het netwerk van de moeder, staat hij als vader zonder gezag op achterstand. De vader acht - subsidiair - een gezamenlijke gezagsuitoefening mogelijk, zeker als de GI nog enige tijd betrokken blijft in het kader van de ondertoezichtstelling. Daarbij merkt hij op dat de moeder door de communicatie met hem te weigeren niet beloond mag worden met de afwijzing van zijn verzoek om gezamenlijk gezag.
5.3
De moeder voert, samengevat, aan dat partijen niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen. De ouders diskwalificeren elkaar en dat is niet goed voor [de minderjarige] die mede door haar verstandelijke beperking kwetsbaar is. Voor de moeder is niet duidelijk waarom de vader meent dat hij het gezag over [de minderjarige] beter kan uitoefenen dan de moeder, zeker nu hij niet altijd het belang van [de minderjarige] voor ogen houdt. De moeder wijst er op dat zij als ouder een stap terug heeft gedaan in de verzorging en opvoeding en in het belang van [de minderjarige] instemt met de uithuisplaatsing. Zij erkent dat zij het moeilijk heeft gehad met die beslissing en daarom eerst enige afstand heeft gehouden. Inmiddels is het contact met [de minderjarige] (en het pleeggezin) hersteld en heeft zij regelmatig omgang met [de minderjarige] .
5.4
De GI heeft ter zitting verklaard dat er, gezien de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, geen basis is voor gezamenlijk gezag. [de minderjarige] zal, naar verwachting, bij gezamenlijk gezag nog meer klem en verloren raken tussen de ouders, die beiden voor haar belangrijke personen in haar leven zijn. De GI acht het ook niet in het belang van [de minderjarige] om de vader in plaats van de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag.
5.5
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen de ouders nog altijd verstoord is en dat nagenoeg iedere communicatie tussen de ouders ontbreekt. De ouders zijn al langere tijd niet in staat tot overleg en samenwerking, ook niet waar het zaken betreft die [de minderjarige] aangaan. Ouders diskwalificeren elkaar, wijzen vooral naar de ander en zijn niet in staat om het eigen aandeel in de verstoorde verhouding te zien. Dit zijn destijds mede de redenen geweest voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Binnen de ondertoezichtstelling heeft de GI een vorm van systeemtherapie ingezet om de ouders zich hiervan meer bewust te laten worden en meer zicht te (laten) krijgen op hun (on)mogelijkheden om tot overleg en samenwerking te komen. Dit heeft onvoldoende resultaat gehad. De systeemtherapie richt zich inmiddels alleen op het verkrijgen van de instemming en goedkeuring van beide ouders voor een langdurige voortzetting van de plaatsing van [de minderjarige] in het huidige pleeggezin. Ook dit verloopt echter moeizaam, met name door de - hierna nader te bespreken - wens van de vader dat [de minderjarige] op termijn bij hem komt wonen. Er is naar het oordeel van het hof geen concreet uitzicht op een verbetering van de communicatie tussen de ouders.
5.6
Voor het hof staat verder vast dat de vader niet onvoorwaardelijk instemt met de plaatsing van [de minderjarige] in het pleeggezin. De vader erkent dat [de minderjarige] op haar plek is en zich goed ontwikkelt in het pleeggezin. De ouders zijn het er beiden dan ook over eens dat de huidige plaatsing in het belang van [de minderjarige] is. De vader heeft echter de basisschoolleeftijd van [de minderjarige] genoemd als termijn voor de uithuisplaatsing en stemt niet zonder meer in met voortzetting van de plaatsing daarna. Hij heeft uitdrukkelijk de wens uitgesproken, ook richting de moeder en [de minderjarige] , dat [de minderjarige] op termijn bij hem en zijn echtgenote komt wonen. Hoewel deze wens op zichzelf invoelbaar is, gaat hij hiermee voorbij aan de onrust en onduidelijkheid die dit meebrengt voor [de minderjarige] (en het pleeggezin) ten aanzien van haar verblijf in het pleeggezin. De vader heeft onvoldoende oog voor de duidelijkheid en zekerheid die [de minderjarige] nodig heeft wat betreft haar verblijf in het pleeggezin, en de steun en goedkeuring die zij daarvoor van beide ouders nodig heeft. Met zijn wens dat [de minderjarige] bij hem komt wonen, miskent hij bovendien dat zijn woning c.q. zijn gezin voor [de minderjarige] een beladen woonplek is omdat haar halfbroer, geboren uit een eerdere relatie van de vader, in het gezin van de vader verblijft en er volgens [de minderjarige] seksueel grensoverschrijdende handelingen van die halfbroer bij [de minderjarige] hebben plaatsgevonden. De vader heeft zichtbaar moeite om dit onder ogen te zien, terwijl er concrete aanwijzingen zijn dat daarvan inderdaad sprake is geweest. Niet alleen de moeder maar ook [de minderjarige] zelf heeft hierover herhaaldelijk verteld, ook tijdens de therapie die zij heeft gehad omdat zij verstoord seksueel gedrag heeft laten zien. De moeder heeft ter zitting verklaard dat genoemde halfbroer weliswaar het seksueel misbruik ontkent maar dit eerder, in het bijzijn van de toenmalige jeugdbeschermer van de GI, wel heeft toegegeven terwijl vast staat dat de strafrechtelijke vervolging is afgedaan met een voorwaardelijk sepot met een proeftijd van één jaar. De ontkenning van de vader van de gebeurtenissen raakt de basisveiligheid van [de minderjarige] .
5.7
Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat de GI, op basis van de begeleide omgangscontacten, heeft geconstateerd dat de vader ook tijdens deze omgangscontacten moeite heeft om aan te sluiten bij (de belevingswereld van) [de minderjarige] en met enige regelmaat zaken bij haar neerlegt en met haar bespreekt die niet passend zijn. Ook hierdoor voelt [de minderjarige] zich niet altijd gehoord en gezien door de vader.
5.8
Alles in ogenschouw nemende is het hof met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] bij gezamenlijke gezagsuitoefening meer klem en verloren zal raken tussen haar ouders. Het risico is (te) groot dat door het gezamenlijk gezag meer conflicten over [de minderjarige] zullen ontstaan tussen de ouders, ook wanneer de kinderbeschermingsmaatregelen zullen voortduren en de GI een bemiddelende rol tussen de ouders kan blijven spelen. Gezien de kwetsbaarheid van [de minderjarige] en het reeds bestaande loyaliteitsconflict is gezamenlijk gezag niet aan de orde.
5.9
Tegen de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden acht het hof het evenmin in het belang van [de minderjarige] wenselijk om de vader in plaats van de moeder met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten.
5.10
Het hof zal in hoger beroep zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de vader met betrekking tot de wijziging van het gezag afwijzen.
beslissing

6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en beslissen als volgt.

beslissing

7

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 9 januari 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. I.M. Dölle en mr. C. Koopman, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 28 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.