Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:10287

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 02-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:10287, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-000936-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2019:10287:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000936-19 Uitspraak d.d.: 2 december 2019TEGENSPRAAK
Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 februari 2019 met parketnummer 18-930273-17 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,thans verblijvende in [locatie] .
Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

- vernietiging van het vonnis van de rechtbank;- veroordeling van verdachte ter zake het primair tenlastegelegde; - oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest;- oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging;- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 14.500,-;- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;- onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 november 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E.T. van Dalen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 februari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake het primair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest. Verder is aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging opgelegd, is beslist op het beslag en is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het de opgelegde straf, de maatregelen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een (deels) andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist. Wel zal het hof bij het bevestigen van het vonnis de gronden aanvullen als hierna vermeld.
Ten aanzien van het bewijs

Verweren van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting van het hof - kort samengevat - betoogd dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, aangezien sprake is van drie grote, onverklaarbare gaten in de bewijsvoering. Het gaat, kort gezegd, om de volgende elementen:
Het scenario dat door verdachte en zijn raadsman is geschetst, komt kort gezegd hierop neer dat verdachte zag hoe aangeefster een mes van de keukentafel pakte en dit meenam naar boven. Vervolgens is verdachte aangeefster gevolgd en heeft hij zijn volle gewicht tegen de slaapkamerdeur gezet. Toen deze deur door de druk openging, is verdachte als gevolg van het wegvallen van de druk bovenop aangeefster gevallen, waarbij het mes dat zij zelf in haar hand vasthield in haar borstkas terecht moet zijn gekomen. Subsidiair is betwist dat sprake was van voorbedachten rade.

Verder heeft verdachte gesteld dat de politie de geluidsopname van het 112-gesprek heeft gemanipuleerd, door met speciale software zijn stemgeluid na te bootsen en zodoende een bekennende verklaring van verdachte in de geluidsopname te verwerken. Hetgeen de verbalisanten in het proces-verbaal van 24 november 2017 hebben vermeld, namelijk dat verdachte na aanhouding onderweg naar het politiebureau zou hebben verklaard dat hij aangeefster heeft neergestoken, is volgens verdachte gelogen.
Aanvullende bewijsoverwegingen van het hof

Hoofdagent [verbalisant] heeft in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2017 verklaard dat zij in de slaapkamer van aangeefster een grote zwarte hond aantrof. Op de bij dit proces-verbaal gevoegde foto is deze hond ook te zien. Nog daargelaten dat het al dan niet aanwezig zijn van de hond niet relevant is voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, mist het verweer van de raadsman op dit punt dus feitelijke grondslag.
Het hof kan het verweer dat verdachte onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om een mes te pakken niet volgen. Verdachte heeft gedurende enkele maanden in de woning van aangeefster verbleven, zodat hij bekend mag worden verondersteld met de inrichting van de woning en ook de opbergplaats van keukenmessen. Verdachte is de woning door inklimming via het door hem vernielde keukenraam binnengedrongen. De politie trof bij aankomst twee openstaande keukenlades aan. Gelet hierop is de stelling van de raadsman dat verdachte geen mes heeft kunnen pakken voor hij de trap opliep niet steekhoudend.

Ook het derde beweerdelijke gebrek in de bewijsconstructie heeft het hof niet aangetroffen. Naar algemene ervaringsregels brengt het met geweld verbreken van glas, zoals in casu door daar met een tuintafel tegenaan te stoten, veel geluid teweeg. Het enkele feit dat op de opname van het gesprek van aangeefster met de alarmcentrale glasgerinkel hoorbaar is, rechtvaardigt dan ook geenszins de gevolgtrekking dat zij zich op dat moment nog beneden in de woning bevond.

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank uitgesproken bewezenverklaring, het geselecteerde bewijs en de bewijsoverwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het door en namens verdachte aangedragen scenario acht het hof niet aannemelijk geworden, nu het dossier geen enkele steun biedt voor dat scenario. Het hof stelt vast dat het door verdachte aangedragen scenario reeds afstuit op het bewijs, te weten hetgeen aangeefster over de toedracht heeft verklaard. Meerdere bewijsmiddelen ondersteunen de door aangeefster afgelegde verklaring.

Het subsidiaire verweer dat geen sprake zou zijn van voorbedachten rade, wordt zonder meer door de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd.

In hoger beroep zijn aangeefster en getuige [getuige] door de raadsheer-commissaris gehoord. Voor zover zij op details iets anders dan bij de politie hebben verklaard, laat zich dat verklaren door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Aangeefster en getuige [getuige] zijn in de kern niet teruggekomen op hetgeen zij bij de politie hebben verteld. Het hof acht de verklaringen betrouwbaar en is van oordeel dat de rechtbank de ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen op juiste gronden voor het bewijs heeft gebruikt.

Het hof ziet in de enkele bewering van verdachte dat verbalisanten verdachte willen benadelen, geen aanleiding om aan de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 24 november 2017 te twijfelen, zodat er geen reden is om dit proces-verbaal van het bewijs uit te sluiten.

Tot slot verwerpt het hof de enkele, niet-onderbouwde, laat staan aannemelijk gemaakte suggestie van verdachte dat de op de zogenoemde 112-geluidsopname met zijn stem te horen bewoordingen, in feite een bekentenis van verdachte, niet door hem zouden zijn uitgesproken, maar met speciale software door de politie daarin is gemanipuleerd. In de inhoud van het dossier vindt het hof geen enkele aanleiding om van deze suggestie van verdachte uit te gaan. Het hof stelt wel vast dat niet in discussie is dat de op de geluidsopname te horen woorden correct in het proces-verbaal van politie zijn uitgewerkt. Conclusie is dat er evenmin reden bestaat dit onderdeel van het door de rechtbank geselecteerde bewijs uit te sluiten.

Voor het overige verwijst het hof naar de overwegingen van de rechtbank in het vonnis dat door het hof, behoudens voormelde uitzonderingen, bij dit arrest zal worden bevestigd.

-

in tegenstelling tot de verklaring van aangeefster dat haar hond aanwezig was, is er op de geluidsopname van het 112-gesprek geen hond hoorbaar en is door de politie ter plaatse ook geen hond aangetroffen;

verdachte heeft niet in een tijdsbestek van minder dan een minuut een mes kunnen zoeken en vinden in de keukenlade;

aangeefster kan zich, anders dan zij heeft verklaard, ten tijde van het bellen met 112 niet in haar slaapkamer hebben bevonden, aangezien op de geluidsopname van het gesprek duidelijk glasgerinkel hoorbaar is.

Oplegging van straf en maatregel


De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord, het zwaarste levensdelict dat het strafrecht kent. Voor het slachtoffer is de aanval van verdachte bijzonder pijnlijk en beangstigend geweest. De omstandigheid dat het slachtoffer, de ex-vriendin van verdachte, het doelbewust insteken op haar borstkas heeft overleefd, kan slechts aan een gelukkig toeval worden toegeschreven.

Het slachtoffer heeft in de twee weken voorafgaand aan 24 november 2017 zoveel als voor haar mogelijk was geweigerd verdachte binnen te laten toen hij voor haar woning stond. Zij heeft voorafgaand aan het delict haar eigen woning uit angst voor verdachte een periode verlaten. Een dag voor het delict heeft de politie verdachte thuis bezocht en hem gewaarschuwd geen contact meer te zoeken. Niettemin is verdachte op de avond van 24 november 2017 naar de woning van het slachtoffer gegaan, heeft hij zich met geweld toegang tot de woning verschaft en het slachtoffer, zijn ex-vriendin, die naar boven op haar slaapkamer was gevlucht met een scherp keukenmes in de borst gestoken. Uit het handelen van verdachte en de door hem uitgesproken woorden voorafgaand en tijdens het delict leidt het hof af dat verdachte vastberaden was in zijn voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven en niets hem heeft kunnen weerhouden dit plan tot uitvoering te brengen, althans dit te proberen.

Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte zwaar en levensbedreigend lichamelijk letsel opgelopen. Zij is operatief behandeld, met blijvende littekens op de borst en een maandenlange hersteltijd tot gevolg. Verder lijdt aangeefster aan een posttraumatische stressstoornis en heeft zij op advies van haar behandelaar moeten verhuizen naar een andere woning. Uit een recente brief van de GGZ blijkt dat de traumaverwerkingstherapie tot op heden niet succesvol is geweest. Al met al is sprake van een zeer ingrijpende gebeurtenis voor het slachtoffer, waarvan de gevolgen nog altijd een zware wissel trekken op haar leven. Tot op de dag van vandaag legt verdachte de schuld bij het slachtoffer en weigert hij enige verantwoordelijkheid te nemen voor het lichamelijke en psychische leed dat hij bij het slachtoffer heeft veroorzaakt.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij vrij recentelijk onherroepelijk tot een gevangenisstraf is veroordeeld voor een geweldsfeit. Dit wordt in strafverzwarende zin meegewogen bij het bepalen van de op te leggen straf. Op basis van de – verderop te bespreken – rapportage van het NIFP stelt het hof met de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van het delict verminderd toerekeningsvatbaar was, hetgeen in strafverminderende zin wordt meegewogen.

Al het voorgaande en in het bijzonder de grote ernst van het feit in aanmerking genomen kan naar het oordeel van het hof niet met een andere of lichtere straf worden volstaan dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van substantiële duur. Oplegging van de in eerste aanleg en hoger beroep geëiste gevangenisstraf van vijf jaren acht het hof, alles overziend, passend en geboden.

Verdachte is klinisch geobserveerd in het Pieter Baan Centrum, op basis waarvan GZ-psycholoog R. Haveman en psychiater D.C.W.H. Naus van het NIFP onderzoek hebben verricht naar de psyche van verdachte. Tevens heeft milieuonderzoek plaatsgevonden, uitgevoerd door forensisch milieuonderzoeker A. van As-Van der Zwan. Een en ander heeft geleid tot de multidisciplinaire rapportage van 2 januari 2019.

Namens verdachte is de bruikbaarheid van de rapportage betwist. De raadsman acht het rapport te gedateerd om daarop een ingrijpende maatregel als tbs te baseren. Verder zijn in het milieuonderzoek verklaringen opgenomen van een zevental referenten waarvan de betrouwbaarheid door verdachte in twijfel wordt getrokken. Ook vraagt de verdediging zich af of het rapport wel conform de NIFP-richtlijn tot stand is gekomen. Tot slot zijn er wat verdachte betreft onvoldoende inzage- en correctiemogelijkheden geboden. Mocht het rapport wel bruikbaar worden geacht, dan stelt de verdediging voor om de gedwongen behandeling binnen een minder verstrekkend kader te laten plaatsvinden.

Het hof stelt vast dat de deskundigenrapportage korter dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is opgesteld, zodat aan het wettelijke actualiteitsvereiste van artikel 37a, derde lid, jo artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan. De betrokken onderzoekers hebben in het kader van beantwoording van in de fase van hoger beroep door de verdediging gestelde vragen uitgelegd dat het onderzoek conform de NIFP-richtlijn heeft plaatsgevonden. Het milieuonderzoek is tot stand gekomen middels kwalitatieve informatieverwerking door een daartoe opgeleide en conform de gedragscodes werkende milieuonderzoeker. Voor zover mogelijk is de door de referenten ingebrachte informatie op juistheid geverifieerd. Verder blijkt zowel uit de rapportage als uit de brief van de onderzoekers d.d. 9 juli 2019 dat verdachte meermalen in de gelegenheid is gesteld de opgestelde rapportages in concept in te zien en naar aanleiding daarvan op- en aanmerkingen te maken. Verdachte heeft dit ook uitgebreid gedaan, onder meer in een bij de rapportage gevoegd schrijven en in latere brieven aan de rechtbank en het hof. Gelet op dit alles treffen de verweren van de verdediging met betrekking tot de NIFP-rapportage geen doel en acht het hof deze rapportage bruikbaar voor de beantwoording van de vraag of aan verdachte een maatregel moet worden opgelegd.

Uit het onderzoek komt verdachte naar voren als een bovengemiddeld intelligente man met uitgesproken problematiek in de persoonlijkheidsontwikkeling. Hoewel verdachte zich had voorgenomen niet aan het onderzoek mee te werken, heeft hij meerdere malen langdurig met de onderzoekers gesproken, waarbij hij veel van zichzelf heeft laten zien. Ook is een uitgebreid milieuonderzoek uitgevoerd waarbij een groot aantal referenten is geraadpleegd. Verdachte disfunctioneert al vanaf zijn vroege adolescentie op alle leefgebieden. Hij is onder meer niet in staat gebleken een maatschappelijke carrière op te bouwen of langdurig een woning te behouden. In intieme relaties blijkt verdachte niet in staat de autonomie, grenzen en behoeftes van anderen te verdragen en te respecteren. Dit leidt tot forse agressieve impulsdoorbraken. Dit acting-outgedrag vindt plaats bij oplopende druk, maar ook zet verdachte agressie en manipulatie in om zijn doelen te bereiken. De gewetensontwikkeling en empathie vertonen grove gebreken en er is sprake van een antisociale persoonlijkheidsdynamiek. Verder voelt verdachte zich verheven in de relatie tot anderen, hetgeen duidt op narcistische problematiek. Onderliggend blijkt verdachte echter gemakkelijk krenkbaar en achter zijn schijnbare onaantastbaarheid is er feitelijk sprake van afhankelijkheid. Verdachte handelt voornamelijk vanuit zijn egocentrisch perspectief, waarbij hij anderen gebruikt als verlengstuk van zijn eigen behoeftes. Verdachte vertoont snel wisselende en oppervlakkige expressie van emoties en heeft de neiging anderen te exploiteren. Verdachte voldoet aan alle facetten waarmee psychopathie wordt geassocieerd. Er is sprake van een manipulatieve interpersoonlijke stijl en veelvuldig ernstig asociaal gedrag. Naast deze psychomatische dynamiek is sprake van borderline dynamiek. Verdachte heeft snel de indruk dat relaties diepgaander en intiemer zijn dan ze daadwerkelijk zijn en reageert labiel op verlating. Hij vertoont agressief gedrag in zowel instrumentele als reactieve zin. Verdachte lijdt aan een zodanig ernstige persoonlijkheidsproblematiek dat hij geen enkel probleembesef of ziekte-inzicht heeft. Hij bedient zich van primitieve afweermechanismen, onder meer projectie en externalisatie. Iedere verantwoordelijkheid voor mislukkingen in zijn leven legt verdachte bij anderen. Verder is sprake van langdurige middelenproblematiek.

De onderzoekers concluderen dat bij verdachte primair sprake is van een ernstige en complexe persoonlijkheidsstoornis, waarbij hij voldoet aan de criteria van zowel een borderline- als een antisociale persoonlijkheidsstoornis met tevens narcistische kenmerken. Ook is sprake van een hoge mate van psychopathie.

Met betrekking tot het tenlastegelegde constateren de onderzoekers overeenkomsten met eerdere relatiebreuken. Verdachte verdraagt het niet dat zijn vriendin, die hij als verlengstuk van zijn eigen behoefte ziet, de relatie verbreekt en lijkt vervolgens de controle over zichzelf te verliezen. Deze hevig gekrenkte reactie kan geheel vanuit zijn persoonlijkheidspathologie worden verklaard. Hij vervalt vervolgens in zijn hiervoor genoemde primitieve afweermechanismen. De onderzoekers komen tot de slotsom dat het gedrag van verdachte tijdens het tenlastegelegde in behoorlijke mate werd bepaald door de gebrekkige coping en primitieve afweermechanismen, passend bij zijn ernstige persoonlijkheidsproblematiek, op grond waarvan zij concluderen tot verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De onderzoekers adviseren om verdachte een gedwongen behandeling op te leggen, waarbij de nadruk zal moeten liggen bij het aanleren van minder schadelijke copingstrategieën. Volgens de onderzoekers zal de behandeling moeizaam en tijdrovend zijn. Bovendien staat of valt de behandeling bij de motivatie van verdachte, waarbij het ontbrekende ziekte-inzicht en ziektebesef complicerende factoren zullen zijn. De onderzoekers waarschuwen bovendien voor het risico van schijnaanpassing, gezien het betrekkelijk goede functioneren van verdachte in detentie. Bij een klinische opname zal de pathologie mogelijk minder opvallend aanwezig zijn. Het risico op herhaling is met name gelegen in parasitair frauduleus gedrag in (intieme) relaties buiten een kliniek.

De onderzoekers zien, gelet op het hoge recidiverisico en ervaringen uit het verleden, waarbij verdachte niet in staat is gebleken voldoende mee te werken aan behandelingen in een voorwaardelijk kader, geen andere mogelijkheid dan te adviseren verdachte te behandelen in het kader van tbs met dwangverpleging.

Het hof is van oordeel dat de bevindingen en conclusies van de deskundigen navolgbaar zijn. Het hof verenigt zich met de bevindingen van de NIFP-onderzoekers, zoals vastgelegd in het door hen met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende advies, en neemt hun aanbevelingen over.

Het hof acht het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord dat verdachte na een gevangenisstraf en zonder dat het recidivegevaar is weggenomen, terugkeert in de maatschappij. Het hof is dan ook van oordeel dat het terugdringen van voornoemd hoge recidiverisico en de bescherming van de maatschappij die nodig is, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van tbs met bevel tot verpleging.

Bij verdachte bestond tijdens het begaan van het feit – een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld – een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Er is een grote kans op herhaling, zodat de veiligheid van anderen c.q. de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel tbs noodzakelijk maakt. Het hof zal dan ook gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. Het hof is gezien de bevindingen van de onderzoekers van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van goederen eist dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaar te boven gaan.

Beslag

Het slachtoffer heeft ter zitting van het hof via haar raadsvrouw te kennen gegeven dat zij geen prijs stelt op teruggave van de inbeslaggenomen kledingstukken en daarvan afstand doet. Uit hetgeen overigens namens het slachtoffer is aangevoerd leidt het hof af dat voor het haar toebehorende inbeslaggenomen keukenmes hetzelfde geldt, zodat het ervoor wordt gehouden dat ook daarvan afstand is gedaan. Dit brengt mee dat geen beslag meer voorligt waar op moet worden beslist.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 30.812,52. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 13.416,24. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en haar oorspronkelijke vordering daarbij gematigd tot een bedrag van € 30.408,59, waarvan € 20.000,00 immateriële schade.

De verdediging heeft in hoger beroep ten aanzien van de materiële schade uitsluitend de gevorderde kosten voor huishoudelijke hulp betwist. Volgens de raadsman valt niet uit te sluiten dat de periode waarin de benadeelde partij zwaar beperkt is geweest in haar vermogen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden korter is geweest dan de zes weken in de vordering en dat de periode waarin zij licht beperkt is geweest wat langer.

Het hof oordeelt als volgt. Gezien de ernst van het letsel acht het hof aannemelijk dat de benadeelde partij gedurende zes weken zwaar beperkt is geweest in haar vermogen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en vervolgens zes weken licht beperkt. Gelet hierop acht het hof de vordering op dit punt gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 2.658,00 (te weten 6 x € 295,00 en 6 x € 148,00).

Ook ten aanzien van de overige gevorderde materiële schadeposten, die namens verdachte niet (langer) zijn betwist, is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij deze schade als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks heeft geleden.

Voor wat betreft de gevraagde immateriële schadevergoeding overweegt het hof het volgende. Het hof heeft de gemotiveerde, door de verdediging op dit onderdeel niet inhoudelijk betwiste, stellingen van de benadeelde partij in aanmerking genomen. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten. Daarbij is in het bijzonder gelet op de agressieve wijze waarop verdachte heeft geprobeerd het leven van de benadeelde partij te beëindigen. Die is zeer gewelddadig geweest en verdachte is in zijn handelen nietsontziend geweest. Verdachte is bovendien de woning van aangeefster daarbij binnengedrongen als gevolg waarvan aangeefster zich in haar eigen woning op haar slaapkamer heeft verschanst. Vastgesteld wordt dat het onrechtmatige handelen van verdachte zeer diep heeft ingegrepen in het leven nadien van de benadeelde partij. De benadeelde partij is als gevolg van het handelen van verdachte ernstig gewond geraakt. De benadeelde partij heeft blijvend lichamelijk letsel in de vorm van littekens en er is sprake van geestelijk letsel. Deskundige hulp voor haar psychische klachten is sinds de op haar gepleegde poging tot moord noodzakelijk gebleken. De hoogte van immateriële schadevergoeding dient als overwogen naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Het hof heeft daarbij ook gelet op uitspraken die door andere rechters zijn gedaan. Het hof acht alles afwegende een bedrag van € 15.000,00 billijk.

Verdachte is tot vergoeding van voormelde materiële en immateriële schade gehouden zodat de vordering tot na te melden bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze. Nu voldoening van het bedrag van de maatregel door verdachte (vooralsnog) illusoir zal zijn, gelet op de langdurige detentie en de daaropvolgende tbs met bevel tot verpleging, ziet het hof aanleiding de duur van de vervangende hechtenis te bepalen op 1 dag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 63 en 289 Sr.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregelen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van .
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 november 2017.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen doormr. J. Dolfing, voorzitter,mr. L.G. Wijma en mr. Z.J. Oosting, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,en op 2 december 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Oosting is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

_9b4ab490-5368-4700-8b97-56489a9c74dd
1

Proces-verbaalnummer PL0100-2017310474-7, p. 36 van het dossier.