Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:10282

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:10282, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.242.348/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.242.348/01(zaaknummer rechtbank C/17/156613 / FA RK 17-1164)
beschikking van 28 november 2019

inzake

[verzoekster]

wonende te [A] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,verweerster in het incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. J.E.I. Bazuin te Heerenveen,
en

[verweerder]

wonende te [A] ,verweerder in het principaal hoger beroep,verzoeker in het incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de vader,advocaat: mr. S.C. Bosch te Drachten.

ECLI:NL:GHARL:2019:10282:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.242.348/01(zaaknummer rechtbank C/17/156613 / FA RK 17-1164)
beschikking van 28 november 2019

inzake

[verzoekster]

wonende te [A] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,verweerster in het incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de moeder,advocaat: mr. J.E.I. Bazuin te Heerenveen,
en

[verweerder]

wonende te [A] ,verweerder in het principaal hoger beroep,verzoeker in het incidenteel hoger beroep,verder te noemen: de vader,advocaat: mr. S.C. Bosch te Drachten.
1

1.1
Voor het verloop van het geding tot 26 februari 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit: - een rapport van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) van 12 juli 2019;- een journaalbericht van mr. Bazuin van 16 oktober 2019 met productie(s).
1.3
Op 1 november 2019 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is mevrouw [B] verschenen.
beslissing

2

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 26 februari 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] naar [C] te verhuizen en het verzoek van de vader tot uitbreiding van de zorgregeling, zowel in de situatie dat de moeder met [de minderjarige1] naar [C] verhuist als in de situatie dat zij met [de minderjarige1] in [A] blijft wonen.
2.3
De raad adviseert als volgt.Na een belangenafweging waarbij de noodzaak van moeder om te verhuizen, de mate waarin ouders in staat zijn om met elkaar over [de minderjarige1] te communiceren, de leeftijd van [de minderjarige1] en de mate waarin [de minderjarige1] geworteld is in de huidige omgeving is afgewogen, komt de raad tot de conclusie dat het niet in het belang van [de minderjarige1] is om naar [C] te verhuizen. De raad ziet op dit moment belang voor [de minderjarige1] in continuïteit van de huidige woonsituatie in [A] .Het gevaar wat de raad nu ziet, is dat de persoonlijke nadelen van ouders worden uitvergroot en er niet realistisch en oplossingsgericht meer kan worden gedacht door ouders. Het is in het belang van [de minderjarige1] dat de strijd/onenigheid stopt, [de minderjarige1] niet in de strijd wordt meegenomen en dat ouders streven naar een duurzame oplossing. De raad acht het daarom wenselijk dat het traject voor ouders bij het Wijkteam voortgezet wordt en dat ouders waar nodig andere vormen van hulpverlening inschakelen om hun communicatie onderling te verbeteren.Wat betreft de zorgregeling constateert de raad dat het op dit moment het meeste in het belang van [de minderjarige1] is om de zorgregeling zoals die nu in de praktijk uitgevoerd wordt te continueren. Co-ouderschap conform de wens van vader, vergt rechtstreeks communicatie tussen ouders om de verschillende thuissituaties waar [de minderjarige1] in verkeert, zo goed mogelijk te kunnen afstemmen. Verdere uitbreiding van de zorgregeling met wekelijks een middag na school zou kunnen aansluiten bij de wens van [de minderjarige1] om vaker bij vader te zijn, maar onder de huidige omstandigheden waarbij een mogelijke verhuizing van moeder nog in het geding is, ouders moeizaam over [de minderjarige1] communiceren en vader voor perioden van tien dagen voor zijn werk weg is, acht de raad dit niet wenselijk. De huidige situatie waar [de minderjarige1] en ouders zich in bevinden (wel/geen verhuizing) moet eerst verduidelijkt worden en de verstandhouding tussen ouders moet eerst, na het besluit inzake de verhuizing van moeder, stabiliseren alvorens gedacht kan worden aan een uitbreiding van de zorgregeling. De raad adviseert het hof, gelet op de huidige situatie, een zorgregeling van een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in een beschikking vast te leggen.
De vervangende toestemming tot verhuizing

2.4
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.
2.5
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders gezamenlijk met het gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.
2.6
Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing in een geschil als het onderhavige alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:- de noodzaak om te verhuizen;- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving;- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;- de leeftijd van de minderjarige, zijn mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen;- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.
2.7
Het belang van de moeder om te verhuizen naar [C] is gelegen in haar wens samen met haar partner, de vader van hun gezamenlijke dochter [de minderjarige2] , [de minderjarige2] en [de minderjarige1] een gezin te vormen en in dat verband samen te wonen. Omdat haar partner vanwege een co-ouderschap over zijn kinderen uit een eerder huwelijk niet in staat is om naar [A] te verhuizen, is het vormen van een gezamenlijk gezin volgens de moeder alleen mogelijk als zij met [de minderjarige1] (en [de minderjarige2] ) naar [C] verhuist. Zowel de moeder als haar partner, die al in [C] woont, zullen dan hun huis verkopen en samen een nieuwe woning in [C] kopen, die groot genoeg is om aan alle kinderen onderdak te bieden. De partner van de moeder is op dit moment op dinsdag en donderdag bij zijn kinderen in [C] , zodat de moeder dan alleen met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is, en de moeder verblijft daarnaast een weekend per veertien dagen met haar partner, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de woning van de partner in [C] . Het zou voor iedereen rustiger zijn als zij kunnen samenwonen in [C] en bovendien is dat ook financieel gunstiger, aldus de moeder.Het belang van de vader is erin gelegen dat hij op dit moment [de minderjarige1] niet alleen in het kader van de zorgregeling ziet, maar ook vaker omdat hij betrokken is bij sociale- en sportactiviteiten van [de minderjarige1] en ook in de gelegenheid is om op school betrokken te zijn. Een verhuizing van [de minderjarige1] zou die contacten niet meer mogelijk maken en bovendien de zorgregeling inperken, of in ieder geval wordt de mogelijkheid ontnomen om deze in lijn met de wens van de vader (verder) uit te breiden. Het hof constateert dat bij de beoordeling van de belangen van de vader en de moeder vier verschillende gezinssystemen met in totaal zes minderjarige kinderen met (intensieve) contacten met een andere ouder en verschillende woonplaatsen een rol spelen. Namelijk de gebroken dan wel samengestelde gezinnen van de moeder en haar huidige partner, de huidige partner van de moeder en zijn ex-partner, de vader en zijn huidige partner en de huidige partner van de vader en haar ex-partner. Daarom zal het oordeel van het hof, ongeacht welke beslissing hef hof in deze zaak neemt, één (of meerdere) van deze gezinssystemen (zowel ten voordele als ten nadele) raken. Gelet op voornoemde omstandigheid kan naar het oordeel van het hof niet vastgesteld worden dat het belang van de moeder of de vader (en de daarmee samenhangende (gezins)situaties) groter is dan dat van de andere ouder, en evenmin dat een van die belangen dan ook zwaarder zou moeten wegen in de te maken belangenafweging, waarbij het belang van [de minderjarige1] een overweging van eerste orde is. Het hof zal dan ook, los van de belangen van de moeder en de vader, de belangen van [de minderjarige1] vaststellen en afwegen, daarbij rekening houdend met de situatie zoals deze nu is en zoals die zou worden als aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om naar [C] te verhuizen.
2.8
Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat het goed gaat met [de minderjarige1] . [de minderjarige1] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat op school en het is een vrolijk en enthousiast jongetje. Hij voelt zich vertrouwd in beide gezinnen en met zowel de dochters van de partner van de vader als [de minderjarige2] en de zoons van de partner van de moeder. [de minderjarige1] is echter wel op de hoogte van een mogelijke verhuizing met de moeder naar [C] en is zich bewust van de consequenties voor de omgang met zijn vader en dit brengt spanningen voor hem met zich mee. [de minderjarige1] praat niet over zijn gevoelens op school en hij kan in het contact met andere kinderen op school een kort lontje hebben en lastig naar zichzelf kijken in conflict met leeftijdsgenootjes. Het hof acht het derhalve, met de raad, vooral van belang dat [de minderjarige1] duidelijkheid krijgt over zijn woonsituatie.
2.9
Het hof is, evenals de raad, van oordeel dat het belang van [de minderjarige1] zelf bij continuïteit van de huidige woonsituatie in [A] zwaarder weegt dan bij een verhuizing naar [C] . [de minderjarige1] heeft zijn vertrouwde omgeving in [A] . Hij is hier immers geboren en getogen en geworteld geraakt. [de minderjarige1] gaat in [A] naar school, heeft hier naar eigen zeggen meer vriendjes dan in [C] en bovendien woont zijn vader dichtbij. Het hof acht een doorbreking van deze banden door een verhuizing van [de minderjarige1] naar [C] niet in zijn belang. Daarnaast speelt de vader een actieve rol in het leven van [de minderjarige1] . Zo brengt de vader [de minderjarige1] regelmatig op maandagochtend naar school, brengt hem naar zwemles en neemt deel aan naschoolse activiteiten. Gelet op de onderlinge strijd tussen de ouders en de slechte communicatie tussen hen bestaat er een aanmerkelijk risico dat de vader bij een verhuizing van [de minderjarige1] minder ruimte zal krijgen om als ouder invulling te geven aan zijn vaderschap. Dat is ook niet in lijn met hetgeen de ouders na hun uiteengaan zijn overeengekomen. Indien dan ook alleen naar het belang van [de minderjarige1] wordt gekeken, valt niet in te zien waarom het voor hem beter zou zijn om samen met de moeder, [de minderjarige2] en de partner van de moeder naar [C] te verhuizen in plaats van de huidige situatie, waarbij hij samen met zijn moeder en [de minderjarige2] (en grotendeels met de partner van de moeder) in zijn oorspronkelijke omgeving en in de buurt van de vader woont, te continueren. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8 is overwogen, is het hof daarmee van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het belang van [de minderjarige1] met zich brengt dat het verzoek van de moeder, vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige1] naar [C] te verhuizen, moet worden afgewezen. De bestreden beschikking zal op dit punt worden bekrachtigd.
De zorgregeling

2.10
Voorts is in geschil de zorgregeling. Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:(1:253a, lid 2, onder a) een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
2.11
Het hof is van oordeel dat het incidentele verzoek van de vader om de zorgregeling uit te breiden (naar een zogenoemd co-ouderschap) op dit moment niet in het belang van [de minderjarige1] is. Voor een co-ouderschap is immers vereist dat partijen goed met elkaar kunnen communiceren en dat is op dit moment niet het geval. Wel zal het hof, overeenkomstig het advies van de raad, de zorgregeling zoals deze op dit moment wordt uitgevoerd in de beschikking vastleggen. Aan het voorwaardelijke incidenteel appel komt het hof niet toe.
2.12
Ten overvloede wil het hof de ouders nog het volgende meegeven. Gebleken is dat partijen sinds begin 2017 met elkaar strijden over een mogelijke verhuizing. De ouders diskwalificeren elkaar en zien niet (voldoende) de gevolgen en de invloed daarvan op [de minderjarige1] . [de minderjarige1] wordt hierdoor, bewust dan wel onbewust, belast met ouderproblematiek en hij voelt dat er door beide ouders aan hem getrokken wordt. Om zich optimaal te kunnen ontwikkelen is het voor kinderen noodzakelijk dat de ouders met elkaar gaan samenwerken. Het is de ouders tot dusverre (ook niet met behulp van KKE, Veilig Thuis en TJG) echter niet gelukt hierin verbetering te brengen. Het hof is met de raad van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] is dat de strijd tussen de ouders stopt, [de minderjarige1] niet in de strijd meegenomen wordt en dat de ouders streven naar een duurzame oplossing. Het hof acht het in het belang van zowel de ouders als [de minderjarige1] dat, zoals ook ter zitting is besproken, het traject voor de ouders bij het Wijkteam voortgezet wordt en dat de ouders waar nodig andere vormen van hulpverlening inzetten om hun onderlinge communicatie te verbeteren.
ij

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

beslissing

4

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 april 2018, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
bepaalt dat [de minderjarige1] een weekend in de veertien dagen bij de vader verblijft van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

verklaart de beschikking voor wat betreft de zorgreling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.A. Vermeulen en S. Rezel, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 28 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.