Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:10273

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:10273, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.267.461


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.267.461

beschikking van 28 november 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap
SOA People Nederland N.V.

gevestigd te Nieuwegein,verzoekster,hierna: SPN,advocaat: mr. M.H.G. Plieger,
tegen:

de stichting
Stichting Haga ziekenhuis

gevestigd te ’s-Gravenhage,verweerster,hierna: Haga,advocaat: mr. D.B. Zieren.

ECLI:NL:GHARL:2019:10273:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.267.461

beschikking van 28 november 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap
SOA People Nederland N.V.

gevestigd te Nieuwegein,verzoekster,hierna: SPN,advocaat: mr. M.H.G. Plieger,
tegen:

de stichting
Stichting Haga ziekenhuis

gevestigd te ’s-Gravenhage,verweerster,hierna: Haga,advocaat: mr. D.B. Zieren.
procesverloop

1

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- het op 10 oktober 2019 ingekomen verzoekschrift van SPN (met producties) tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, - het faxbericht van 23 oktober 2019 van mr. Plieger,- het faxbericht van 31 oktober 2019 van mr. Zieren,- het op 5 november 2019 ontvangen faxbericht van mr. Zieren,- het faxbericht van 5 november 2019 van mr. Plieger.
1.2
Beide partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek. Haga heeft zich ten aanzien van het verzoek gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarbij heeft Haga opgemerkt dat een kostenveroordeling van Haga achterwege dient te blijven, nu zij zich niet verzet tegen het verzoek.
overwegingen

2

2.1
Op 3 september 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, tussen SPN als eiseres en Haga als gedaagde een vonnis gewezen. Haga en SPN hebben een geschil over de vraag of Haga haar overeenkomsten met SPN per 31 december 2017 rechtsgeldig mocht beëindigen. De overeenkomsten zien onder meer op het gebruik door Haga van bepaalde software. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de overeenkomsten per 31 december 2017 rechtsgeldig zijn beëindigd en heeft de op die overeenkomsten gebaseerde vorderingen van SPN jegens Haga afgewezen. Op dit moment is nog geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
2.2
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor van SPN stelt het hof het volgende voorop. Ingevolge artikel 186 Rv kan de rechter in gevallen waarin bij wet het bewijs door getuigen is toegelaten, op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor bevelen. Een voorlopig getuigenverhoor kan niet alleen ertoe strekken om bewijs te verkrijgen, maar ook om belanghebbenden bij een bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, om hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen (zie onder meer HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433).
2.3
De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge artikel 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, en de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben (vgl. onder meer HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.2). Voorts geldt dat, zo nodig, ook duidelijk dient te worden gemaakt waarom de te horen getuigen hierover (mogelijk) kunnen verklaren (HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433). Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig vermeldt welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist ertoe degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor (zie bijvoorbeeld HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250).
2.4
Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW). Daarvan kan sprake zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten, op de grond dat het verzoek strijdig is met de eisen van een goede procesorde en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld, bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW) (zie HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433).
2.5
Uit het verzoek van SPN blijkt voldoende duidelijk over welke feiten SPN getuigen wil horen. SPN heeft toegelicht dat het onder meer gaat om:- de feiten en omstandigheden betreffende de in eerste aanleg als producties 1A tot en met 1E overgelegde overeenkomsten die partijen hebben gesloten, zoals welke personen aan de zijde van Haga daarbij betrokken waren, wat de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken personen in het algemeen en specifiek ten aanzien van de overeenkomsten waren, de totstandkoming en uitvoering van die overeenkomsten en de ‘break-option’;- de overgang naar het AFAS systeem, zoals wat de reden daarvoor was, hoe de besluitvorming te dien aanzien is verlopen en hoe die overgang is geëffectueerd;- het gebruik door Haga van de software als bedoeld in de overeenkomsten 1A tot en met 1E. Daarover wil SPN onder meer de volgende getuigen horen:- [getuige 1] ; - [getuige 2] ;- [getuige 3] .
2.6
SPN wil met het voorlopig getuigenverhoor onder meer onderzoek doen naar de feiten om te bezien of zij (tegen)bewijs kan leveren en, in het verlengde daarvan, of het zin heeft om in hoger beroep te procederen. SPN stelt dat zij in bij de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld om bewijs te leveren. Verder wil SPN het aanwezige bewijs van de feiten veilig stellen. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande genoegzaam dat SPN, mede gelet op de herkansingsfunctie van het hoger beroep en in aanmerking nemend dat het voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft op feiten waarover in eerste aanleg geen getuigen zijn gehoord, voldoende belang heeft bij een voorlopig getuigenverhoor.
2.7
Haga heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van SPN, op grond waarvan het hof het verzoek zou moeten afwijzen. Gesteld noch gebleken is dat SPN met het indienen van het verzoek misbruik van bevoegdheid maakt of dat het verzoek strijdig is met de goede procesorde. Van andere zwaarwegende belangen die aan toewijzing van het verzoek in de weg zouden staan, is het hof verder niet gebleken. 2.8 Het hof zal het verzoek van SPN om een voorlopig getuigenverhoor toewijzen. Het hof ziet geen aanleiding om in deze verzoekschriftprocedure een proceskostenveroordeling uit te spreken.
beslissing

3

Het hof:

wijst het verzoek van SPN tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toe;

bepaalt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden voor het horen van – in ieder geval – de getuigen zoals genoemd in rov. 2.5;

bepaalt dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.A.M. Vaessen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat SPN de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden januari 2020 tot en met april 2020 zal opgeven na uitspraak van deze beschikking bij de griffie van het hof, waarna datum en tijdstip van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat SPN overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door R. Prakke-Nieuwenhuizen, Th.C.M. Willemse en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 november 2019.