Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2019:10215

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2019:10215, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.260.544


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhemafdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.260.544(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 466641)
beschikking van 26 november 2019

inzake

[verzoeker]

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de man,advocaat: voorheen mr. A.S. Bodha te Amsterdam,
en

[verweerster]

wonende te [B] ,verweerster in hoger beroep,verder te noemen: de vrouw,advocaat: mr. A.M. Beuwer te Utrecht.

ECLI:NL:GHARL:2019:10215:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhemafdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.260.544(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 466641)
beschikking van 26 november 2019

inzake

[verzoeker]

wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep,verder te noemen: de man,advocaat: voorheen mr. A.S. Bodha te Amsterdam,
en

[verweerster]

wonende te [B] ,verweerster in hoger beroep,verder te noemen: de vrouw,advocaat: mr. A.M. Beuwer te Utrecht.
1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-

het beroepschrift met producties 1 tot en met 6, ingekomen op 5 juni 2019;

het verweerschrift met producties 1 en 2;

een journaalbericht van mr. Bodha van 2 oktober 2019 (onttrekking), en

een journaalbericht van mr. Beuwer van 10 oktober 2019 met producties 3 en 4.

2.2
De mondelinge behandeling heeft op 24 oktober 2019 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen. De vrouw is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
3

De man en de vrouw zijn de ouders van: [de minderjarige] (verder: [de minderjarige] ), geboren [in] 2014 te [B] . De man heeft [de minderjarige] erkend.

4

4.1
Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van 5 september 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) dient te voldoen van € 488,- per maand.
4.2
De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven hebben betrekking op de hoogte van de draagkracht van de vrouw en het al dan niet toepassen van de zorgkorting. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de kinderalimentatie met ingang van augustus 2018, dan wel een zodanige datum als het hof redelijk acht, op een bedrag van € 191,- per maand, dan wel een zodanig bedrag als het hof redelijk acht, vast te stellen.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt het hof - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen den de bestreden beschikking te bekrachtigen, met compensatie van de kosten in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
beslissing

5

5.1
De kinderalimentatie dient te worden vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht. Het hof gaat – tenzij anders vermeld – uit van de richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Expertgroep Alimentatienormen.
Behoefte

5.2
De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van [de minderjarige] van € 545,- per maand in 2017 is niet in geschil en staat daarmee vast. De behoefte is - na indexering - in 2018 € 553,- per maand en in 2019 € 578,- per maand,
Zorgkorting

5.3
In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de zorgkorting. Hij heeft [de minderjarige] inmiddels al anderhalf jaar niet gezien en doet er alles aan om contact te krijgen met [de minderjarige] . De vrouw verzint daartegen steeds nieuwe excuses. Inmiddels heeft de raad bepaald dat een omgangsregeling gestart moet worden. Daarom is het redelijk rekening te houden met een zorgkorting van 15%.
5.4
De vrouw voert verweer. Zij betwist dat sprake is van een situatie dat zij de omgang tegenhoudt.De man heeft op 17 juli 2018 een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend bij de rechtbank. In die procedure is een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verricht. De raad heeft rapport uitgebracht op 22 mei 2019 en de ouders geadviseerd het traject “ouderschap blijft” bij [C] te gaan volgen. Met het oog daarop is de behandeling van het verzoek van de man negen maanden aangehouden en was er dus geen omgang tussen [de minderjarige] en de man.Verder is sprake (geweest) van een contactverbod, aan de man opgelegd in een strafzaak. De vrouw woont met [de minderjarige] bij haar moeder. De man heeft geprobeerd de woning van de moeder van de vrouw in brand te steken.
5.5
Het hof oordeelt als volgt.De zorgkorting heeft als doel op globale wijze vast te stellen welke kosten gemoeid zijn met de uitvoering van een zorg- en contactregeling tussen een kind en de niet-verzorgende ouder. Voor zover de niet-verzorgende ouder - hier: de vader - kosten maakt die kunnen worden beschouwd als verblijfskosten voor het kind - hier: [de minderjarige] - en de verzorgende ouder - hier: de moeder - daardoor kosten bespaart, is er aanleiding om de door de man te betalen kinderalimentatie te verminderen met de bij de omvang van de zorg- en contactregeling passende zorgkorting.Het hof stelt vast dat er vanaf de ingangsdatum van de kinderalimentatie, 5 september 2018, geen contact is tussen de man en [de minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat partijen zeer onlangs begonnen zijn met het ouderschapstraject bij [C] en dat dit traject nog geruime tijd in beslag zal gaan nemen. Wanneer en hoe het contact tussen de man en [de minderjarige] weer tot stand kan worden gebracht is derhalve op dit moment niet te beoordelen, maar voorlopig zal er nog geen sprake zijn van een vastomlijnd en regelmatig contact. Derhalve heeft de man tot heden geen omgangskosten gemaakt, althans geen kosten die kunnen worden gezien als verblijfskosten van [de minderjarige] en is geen sprake van een daarmee samenhangende besparing bij de vrouw. Gelet hierop faalt de tweede grief van de man.
5.6
Voor zover in de toekomst een structurele zorg- en contactregeling tot stand komt én aan de hiervoor onder 5.5 geschetste voorwaarden is voldaan, kunnen partijen in overleg met hulpverlening en/of hun advocaten bezien wat een passend bedrag of percentage is voor de zorgkorting en welke consequenties dat heeft voor de bijdrage die de man aan de vrouw dient te voldoen.
Draagkracht van de vrouw

5.7
In zijn eerste grief stelt de man dat ook de vrouw de verplichting heeft om zoveel als mogelijk bij te dragen in de behoefte van [de minderjarige] . De vrouw had in 2016 en 2017 een aanzienlijk hoger inkomen en kan dat nog steeds verwerven. Zij is werkzaam in de zorgsector en heeft voldoende mogelijkheden om meer uren te gaan werken en zo een hoger inkomen en een hogere draagkracht te realiseren. De vrouw spant zich echter onvoldoende in en daarom voelt de kinderalimentatie voor de man als een verkapte vorm van partneralimentatie. De man vindt dat uitgegaan kan worden van het salaris dat de vrouw destijds verwierf: € 21.000 bruto per jaar.
5.8
De vrouw wijst erop dat de man dit standpunt pas voor het eerst inneemt in deze procedure in hoger beroep. Daarom zou het hof daaraan voorbij moeten gaan.Met betrekking tot haar pogingen om inkomen te verwerven heeft zij toegelicht dat zij op 3 mei 2018 een training heeft afgerond om zelfstandig ondernemer te worden. Zij was van plan een eigen kinderdagverblijf te beginnen, maar het bleek onmogelijk om daarvoor in haar regio een betaalbaar onderkomen te vinden. Begin 2019 heeft zij weer werk gevonden in de zorg, aanvankelijk voor drie ochtenden in de week. Binnen de organisatie waar zij nu werkzaam is, tracht zij een baan met andere werkzaamheden te krijgen die zij goed kan combineren met de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en dat is haar inmiddels ook gelukt. Met ingang van 1 september 2019 is zij gemiddeld 24 uur per week gaan werken.De man heeft de stelling van de vrouw dat zij geen aanspraak heeft op kindgebonden budget (KGB) omdat zij bij haar moeder inwoont en zij daardoor fiscaal partners zijn, niet weersproken. De vrouw heeft wel recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.Bij voormeld journaalbericht van 10 oktober 2019 heeft de vrouw stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij haar werkzaamheden inmiddels daadwerkelijk heeft kunnen uitbreiden.
5.9
Het hof oordeelt als volgt.Beide ouders zijn op grond van de wet onderhoudsplichtig jegens [de minderjarige] , wat met zich meebrengt dat zij zich beiden moeten inspannen om zoveel mogelijk te kunnen bijdragen in de kosten van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . Dat de man zich hier in eerste aanleg niet of althans niet met zoveel woorden op heeft beroepen op zijn onder 5.7 weergegeven stelling, betekent niet dat hij zijn standpunt in hoger beroep niet in deze zin zou mogen aanvullen. Het hoger beroep is namelijk - mede - bedoeld om in eerste aanleg gemaakte fouten en omissies te herstellen.Met het in aanmerking nemen van een fictieve verdiencapaciteit aan de zijde van de verzorgende ouder - in casus: de vrouw - dient echter behoedzaam te worden omgegaan. Indien op basis van een fictieve verdiencapaciteit een hogere draagkracht dan feitelijk bestaat zou worden vastgesteld, met als gevolg dat de door de man te betalen kinderalimentatie lager wordt, terwijl de vrouw vervolgens niet in staat zou blijken om die verdiencapaciteit ook te verwezenlijken, dan wordt niet volledig in de behoefte van [de minderjarige] voorzien. Het hof is van oordeel dat de vrouw - zeker in het licht van het vorengaande - voldoende heeft onderbouwd en toegelicht dat zij zich daadwerkelijk inspant en ingespannen heeft om haar inkomen te vergroten. Het hof zal daarom de draagkracht van de vrouw bepalen op basis van haar feitelijke inkomen.
5.10
Het vorenstaande brengt met zich dat de draagkracht van de vrouw tot 1 september 2019 niet hoger was dan de minimumdraagkracht van € 25,- per maand, gebaseerd op een netto besteedbaar inkomen (verder: NBI) tot 1 september 2019 van minder dan € 1.350,- netto per maand in 2018 en van € 1.375,- netto per maand in 2019. Daarom faalt de eerste grief van de man voor wat betreft de periode tot 1 september 2019.
Nieuwe vaststelling vanaf september 2019

5.11
Vanaf 1 september 2019 heeft de vrouw een inkomen dat bestaat uit:- het bruto salaris van € 1.407,- per maandUit de aangehechte berekening volgt dan dat de vrouw vanaf 1 september 2019 een NBI heeft van € 1.504,- netto per maand. Daarbij hoort een volgens de draagkrachttabel bepaalde draagkracht van € 106,- per maand.
-

de vakantietoeslag van € 1.351,- en

de eindejaarsuitkering, blijkens de specificaties ongeveer 90% van de vakantietoeslag en door het hof daarom in redelijkheid begroot op € 1.210,- bruto per jaar.

5.12
De man heeft gesteld en de vrouw heeft niet betwist dat het inkomen van de man ongewijzigd is gebleven sedert de bestreden beschikking: hij ontvangt nog steeds een ziektewetuitkering.Het hof heeft de draagkracht van de man berekend op basis van de tarieven 2019 en de inkomensgegeven die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft gehanteerd. Uit de aangehechte draagkrachtberekening blijkt dat de man een NBI heeft van € 2.369,- per maand en een draagkracht van € 496,- per maand.
5.13
De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 602,- en dat is meer dan de - geïndexeerde - behoefte van [de minderjarige] van € 578,-. Uit de aangehechte berekening volgt dat de man € 476,- per maand en de vrouw € 102,- per maand dienen te dragen als hun eigen aandeel in de behoefte van [de minderjarige] .
5.14
Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen tot 1 september 2019. Vanaf die datum zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 1 september 2019 vaststellen op een bedrag van € 476,- per maand.
5.15
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage aan het uit die relatie geboren kind betreft.
5.16
Het hof zal zoals hiervoor al is overwogen, de berekeningen en de draagkrachtvergelijking aan deze beschikking hechten, deze maken daarvan deel uit.
beslissing

6

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 maart 2019, voor de periode tot 1 september 2019:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 5 maart 2019, voor de periode vanaf 1 september 2019, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 september 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag van € 476,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. I.G.M.T. Weijers-van der Marck en is op 26 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

center
100
c07bb9fe-8881-43a0-b784-b0a0e33d44d8
938
663
image/png