Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2020:305

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2020:305, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is K19/230159


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K19/230159 van

[Klager]

klager,woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde:mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam.

ECLI:NL:GHAMS:2020:305:DOC
nl

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K19/230159 van

[Klager]

klager,woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn gemachtigde:mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam.
1

Het klaagschrift is op 9 april 2019 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland om geen strafvervolging in te stellen tegen:

[Beklaagde 1] en [Beklaagde 2],

ter zake van meineed, valsheid in geschrift en het beïnvloeden van een getuige;
[Beklaagde 3],

ter zake van uitlokken/medeplegen van meineed, uitlokken/medeplegen van valsheid in geschrift en het gebruiken van een vals proces-verbaal en dwang met misbruik van gezag;
[Beklaagde 4],

ter zake van het gebruik maken van een vals proces-verbaal en het doen van een poging tot beïnvloeding van een getuige;
(hierna: gezamenlijk aan te duiden als beklaagden en individueel met hun naam).

2

Na de behandeling in raadkamer heeft de advocaat-generaal in haar verslag van 23 december 2019 het hof in overweging gegeven klager niet-ontvankelijk in zijn beklag te verklaren dan wel het beklag af te wijzen.
3

Het hof heeft kennisgenomen van:- het klaagschrift en de aanvulling daarop;- de verslagen van de advocaat-generaal;- de schriftelijke reactie van klager op het definitieve verslag van de advocaat-generaal;- de schriftelijke reactie hierop van de advocaat-generaal;- de in deze zaak door de Rijksrecherche opgemaakte processen-verbaal; - het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket Noord- Holland van 9 mei 2019;- de beslissingen van de Hoge Raad inzake aanwijzing van een ander gerecht als bedoeld in artikel 510, eerste lid, Sv in de zaken tegen de officieren van justitie;- stukken van de strafzaak tegen klager: - het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 6 april 2018;- het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juli 2019; - het uittreksel van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 13 juni 2019; - het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal.
4

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 12 december 2019 het beklag toe te lichten. Namens klager is zijn advocaat in raadkamer verschenen; zij heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd. De advocaat heeft het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overlegde pleitnota.

Voorts heeft het hof beklaagden in de gelegenheid gesteld op 12 december 2019 op verschillende tijdstippen te worden gehoord.

In raadkamer zijn achtereenvolgens verschenen:- [Beklaagde 1], bijgestaan door mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden; - [Beklaagde 2], bijgestaan door mr. E.J. Kuiters, advocaat te Leeuwarden; - [Beklaagde 3], bijgestaan door mr. C.L.A. de Sitter, advocaat te Rotterdam en - [Beklaagde 4].
Beklaagden hebben het hof verzocht de klacht af te wijzen. Mrs. Anker, Kuiters en De Sitter hebben het woord gevoerd overeenkomstig de inhoud van de door hen aan het hof overgelegde pleitnota’s.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest.

5

De feiten waarop het beklag ziet betreffen een proces-verbaal van politie dat is opgemaakt en ingebracht in de tegen klager bij de rechtbank Noord-Nederland aanhangig gemaakte strafzaak. Om die reden kan klager als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering worden aangemerkt. Klager is ontvankelijk in zijn beklag.

overwegingen

6

6.1.
Inleiding

Klager heeft bij brief van 20 september 2017 aangifte gedaan tegen beklaagden [Beklaagde 1] en [Beklaagde 2]. Bij brief van 21 mei 2018 heeft klager aanvullend aangifte gedaan tegen beklaagden [Beklaagde 3] en [Beklaagde 4].

Naar aanleiding van de aangiften heeft de Rijksrecherche onderzoek verricht onder leiding van de officier van justitie te Noord-Holland. In dit onderzoek zijn [Beklaagde 1], [Beklaagde 2] en [Beklaagde 3] als verdachten gehoord; [Beklaagde 4] is als getuige gehoord.

De officier van justitie heeft bij brief van 10 januari 2019 aan klager laten weten dat geen vervolging tegen [Beklaagde 1], [Beklaagde 2] en [Beklaagde 3] wordt ingesteld om in die brief genoemde redenen. [Beklaagde 4] is niet als verdachte aangemerkt.

Tegen deze beslissingen richt zich het beklag. Klager vraagt om vervolging van [Beklaagde 1], [Beklaagde 2], [Beklaagde 3] en [Beklaagde 4].

In de tegen klager aanhangige strafzaak hebben de rechtbank Noord-Nederland in eerste aanleg en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan; in deze uitspraken komen de feiten waarop het beklag ziet aan de orde. De rechtbank heeft bij vonnis van 6 april 2018 de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard; bij arrest van 25 juli 2019 heeft het gerechtshof dit vonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Noord-Nederland.

6.2.
Kort overzicht van de gegevens die uit het dossier naar voren komen

In het opsporingsonderzoek naar een woningoverval in Gees hebben [Beklaagde 1] en [Beklaagde 2] op 30 januari 2017 op het politiebureau in Pijnacker [de getuige] in aanwezigheid van haar advocaat als getuige gehoord. In opdracht van de teamleiding hebben zij van dit verhoor een gespreksverslag opgemaakt. In februari 2017 hebben zij in opdracht van de zaaksofficier van justitie [Beklaagde 3] een proces-verbaal van verhoor als getuige opgemaakt waarin de inhoud van het eerder opgemaakte gespreksverslag integraal als verklaring van [de getuige] is weergegeven. [Beklaagde 3] heeft dit proces-verbaal voor de pro-formazitting op 23 maart 2017 aan het strafdossier toegevoegd.

6.3.
De klacht ten aanzien van [Beklaagde 1] en [Beklaagde 2] met betrekking tot het

opmaken van het proces-verbaal en wat daarover uit het dossier naar voren komt

In de kern komt het verwijt erop neer dat het proces-verbaal een aantal valsheden bevat. Het gaat daarbij om de volgende drie zinsneden:

1 “Naar later bleek dat het verhoor abusievelijk niet op geluid is opgenomen.”

[Beklaagde 1] heeft uitgelegd dat zij met deze zin heeft bedoeld weer te geven dat het geluid niet was opgenomen omdat zij en [Beklaagde 2] meenden dat de teamleider dit niet nodig vond, maar dat hun achteraf bleek dat de teamleider juist wel had gewild dat het verhoor was opgenomen en dat dit ten onrechte niet was gebeurd. Daar doelt het woord ‘abusievelijk’ op.

[Beklaagde 2] heeft verklaard dat hij contact had opgenomen met de teamleider om hem te melden dat de advocaat van [de getuige] niet wilde dat er een proces-verbaal of geluidsopnames van het verhoor zouden worden gemaakt. Toen de teamleider daarop reageerde met de mededeling dat zij aantekeningen en na afloop een gespreksverslag moesten maken, werd om die reden geen geluidsopname gemaakt.

2 “Nadat de getuige haar verklaring niet had doorgelezen, weigerde zij de verklaring te ondertekenen”

Over deze zinsnede heeft [Beklaagde 1] gezegd dat zij in een telefoongesprek met de advocaat van [de getuige] heeft medegedeeld dat zij het proces-verbaal aan [de getuige] wilden voorlezen waarna [de getuige] haar verklaring zou kunnen ondertekenen. Toen de advocaat aan [Beklaagde 1] te verstaan gaf dat [de getuige] niet zou tekenen, vatte zij dit op als een weigering van [de getuige]. [Beklaagde 1] vindt dat zij hiermee onzorgvuldig is geweest en dat het duidelijker was geweest als zij in het proces-verbaal niet had opgenomen dat [de getuige] zelf had geweigerd, maar had vermeld dat de advocaat van [de getuige] telefonisch had laten weten dat zijn cliënte niet zou tekenen.

3 “Waarvan door ons is opgemaakt dit proces-verbaal, dat wij sloten en ondertekenden te Pijnacker op maandag 30 januari 2017”.

Met betrekking tot de sluitingsdatum en de plaats van ondertekening heeft [Beklaagde 1] verklaard dat zij vóór het verhoor van [de getuige] op 30 januari 2017 was begonnen met de voorbereiding van het proces-verbaal dat daarvan zou worden opgemaakt; zij had al ‘kop en staart’ (met daarin de plaats en de datum) gemaakt en de te stellen vragen op een rij gezet. Toen later de opdracht kwam om een proces-verbaal op te maken gebruikte zij dit concept en nam daarin de tekst van het gespreksverslag op. [Beklaagde 1] zag pas tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris in oktober 2017 dat zij verzuimd had plaats en datum van de sluiting van het proces-verbaal – in feite: Meppel, 23 februari 2017 – aan te passen.
[Beklaagde 2] heeft verklaard dat hij het reeds door [Beklaagde 1] ondertekende proces-verbaal ook heeft ondertekend waarbij hij alleen naar de inhoud van het in het proces-verbaal opgenomen gespreksverslag heeft gekeken en niet naar de overige onderdelen.

6.4.
De klacht ten aanzien van [Beklaagde 3] en [Beklaagde 4] met betrekking

tot het (gebruik van het) proces-verbaal en wat daarover uit het dossier naar voren

komt

Klager verwijt [Beklaagde 3] dat zij het proces-verbaal van verhoor van [de getuige] in het strafdossier heeft gevoegd terwijl daarin onjuistheden stonden; zij heeft geen contextinformatie gegeven in verband met de (in klagers ogen) onjuistheid en de onbetrouwbaarheid van de verklaring van [de getuige]. Klager verwijt [Beklaagde 4], als opvolger van [Beklaagde 3] dat hij gebruik is blijven maken van het proces-verbaal; ook hij heeft verzuimd contextinformatie te geven.
[Beklaagde 3] heeft verklaard dat de verklaring van [de getuige] vragen opriep; het opsporingsteam vond geen bevestiging voor de juistheid van haar verklaring in de telefoongesprekken die waren afgeluisterd. Het was echter mogelijk dat vanuit een cel (ook) gebruik werd gemaakt van een telefoon waarvan het bestaan bij de politie niet bekend was; daarnaast vroeg men zich af of [de getuige] niet twee zaken door elkaar haalde. [Beklaagde 3] vond de verklaring niet zo onbetrouwbaar dat deze niet gebruikt kon worden. Zij had rond 22 februari 2017 met de leidinggevende van beide brigadiers afgesproken dat [de getuige] ten aanzien van de kritische punten nader door de politie zou worden gehoord. Dat lukte niet op korte termijn. Op de pro-formazitting van 23 maart 2017 was [Beklaagde 3] voorzichtig met het geven van details. Het was de eerste pro-formazitting, het onderzoek liep nog en er zou nog een regiezitting komen; zij ging er vanuit dat de getuige nader gehoord zou worden.

[Beklaagde 4] heeft de behandeling van de strafzaak in maart 2017 van [Beklaagde 3] overgenomen. Hij heeft verklaard dat hij feitelijk pas bij de regiezitting in juni 2017 inhoudelijk bij de zaak betrokken was. Op dat moment was al een verhoor van [de getuige] door de rechter-commissaris gelast.

6.5.
Beoordelingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

6.6.
De overwegingen van het hof

6.6.1. [
Beklaagde 1] en [Beklaagde 2]

In het algemeen geldt dat in ieder werkproces fouten worden gemaakt. Niet alle fouten vallen zonder meer binnen het bereik van het strafrecht.

Ten aanzien van 1:Het door [Beklaagde 1] gebruikte woord ‘abusievelijk’ kan op verschillende manieren worden begrepen. De verklaring van [Beklaagde 1], dat zij ermee doelde op de omstandigheid dat het verhoor als gevolg van een misverstand met de teamleider niet was opgenomen, is er daar een van. Er zijn geen aanwijzingen dat van een andere uitleg moet worden uitgegaan. Het hof ziet er daarom geen strafbaar feit in.
Ten aanzien van 2:[Beklaagde 1] heeft een standaardpassage in het proces-verbaal aangekruist omdat zij dacht dat de advocaat namens [de getuige] sprak. Het zou beter geweest zijn als zij precies had samengevat wat er tussen haar en de advocaat was besproken. Het hof ziet echter niet dat een tenlastelegging op dit punt tot een veroordeling van een van beide brigadiers kan leiden.
Ten aanzien 3:Het is juist dat de sluitingsdatum en de plaats van ondertekening van het proces-verbaal verkeerd zijn opgenomen. Bij de ondertekening van het proces-verbaal in februari 2017 hebben [Beklaagde 1] en [Beklaagde 2] niet meer gecontroleerd of de datum en plaats klopten.
Dat is slordig, maar er zijn gelet op de gegeven uitleg over de gang van zaken onvoldoende aanwijzingen dat [Beklaagde 1] en [Beklaagde 2] dit opzettelijk zo hebben geverbaliseerd om klager te benadelen.

Daar komt bij dat het de bedoeling van de leidinggevende van beide brigadiers was een herstelproces-verbaal te maken in verband met enkele gesignaleerde onvolkomenheden. Omdat het verhoor van [Beklaagde 1] bij de rechter-commissaris op 5 oktober 2017 was gepland is daar van afgezien.

Dit alles in aanmerking genomen valt niet te verwachten dat de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit zal komen.

6.6.2. [
Beklaagde 3] en [Beklaagde 4]

Een proces-verbaal van een getuigenverhoor hoort een juiste weergave te bevatten van de verklaring van de getuige. Het hof heeft geen reden aan te nemen dat de weergave in het proces-verbaal van hetgeen [de getuige] tegenover beide verbalisanten heeft verklaard onjuist zou zijn. Dit is ook onweersproken.

Dat er in een strafzaak vragen (kunnen) worden gesteld bij de inhoudelijke juistheid van hetgeen een getuige heeft verklaard is niet ongebruikelijk. Op zichzelf is dat geen reden een verklaring niet aan het strafdossier toe te voegen. Dat levert als zodanig niet op het gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst. Dat zou anders kunnen zijn als vaststaat dat de inhoud van de verklaring in strijd met de waarheid is en die verklaring ter misleiding van een derde (in dit geval de rechter) toch wordt gebruikt. Dat was hier niet aan de orde: [Beklaagde 3] wilde de getuige immers nader laten horen. Dat gegeven alleen al maakt onaannemelijk dat het in het strafdossier voegen van de verklaring van [de getuige] tot doel had de rechter te misleiden.
Ook ten aanzien van de onjuistheden in het ‘kop en staart’-gedeelte van het proces-verbaal zijn er, mede gelet op hetgeen is overwogen ten aanzien van [Beklaagde 1] en [Beklaagde 2], geen aanwijzingen dat [Beklaagde 3] opzet had om de rechter te misleiden, ook niet in voorwaardelijke zin.

Toen [Beklaagde 4] in juni 2017 de behandeling van de strafzaak tegen klager van [Beklaagde 3] overnam, had de rechtbank naar aanleiding van klagers bezwaren al een getuigenverhoor van [de getuige] door de rechter-commissaris gelast. Bij die stand van zaken kan [Beklaagde 4] niet het verwijt gemaakt worden dat hij de verklaring niet terug trok of van een nadere toelichting voorzag; van misleiding van de rechter is geen sprake.
6.6.3.
Overige kritiekpunten

Het hof heeft hierboven klachten weergegeven en besproken die zijn onderbouwd. Voor zover klager bedoeld heeft ook ten aanzien van andere feiten beklag te doen, geldt dat deze te weinig gespecificeerd zijn, dan wel onvoldoende zijn onderbouwd om enige verdenking van het gepleegd zijn van een strafbaar feit te kunnen rechtvaardigen.
6.6.4.
De beoordeling door de feitenrechter

In het algemeen is de toetsing van de inhoudelijke aspecten van een (getuigen)verklaring bij uitstek de taak van de feitenrechter. In de strafzaak tegen klager heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, na uitgebreid onderzoek te hebben gedaan, bij arrest van 25 juli 2019 geoordeeld over de gang van zaken die (ook) het onderwerp van deze beklagprocedure is.

Dat hof heeft in de strafzaak onder meer het volgende overwogen: “Ook van een misleiding door het openbaar ministerie van de rechter in zijn controlerende taak of het ondernemen van pogingen daartoe, is het hof niets gebleken. Een situatie waarin door of namens het openbaar ministerie is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, is evenmin aan de orde. Datzelfde geldt voor de stelling dat rechters door toedoen van het openbaar ministerie verdachte op valse gronden hebben opgesloten.”
6.7.
Conclusie

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen is niet te verwachten dat de strafrechter aan wie de zaak tegen de beklaagden zou worden voorgelegd tot een veroordeling voor het plegen van strafbare feiten zal komen.

Het hof is dan ook van oordeel dat er goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ten aanzien van alle beklaagden ongegrond.

Het hof zal daarom als volgt beslissen.

beslissing

7

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 11 februari 2020 door mrs. N. van der Wijngaart, voorzitter, M.J.G.B. Heutink en P.C. Kortenhorst, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.