Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:801

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 11-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:801, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 23-004531-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHAMS:2019:801:DOC
nl

afdeling strafrechtparketnummer: 23-004531-16 datum uitspraak: 11 maart 2019
TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2016 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-997058-15 (A) en 13-997068-16 (B) tegen
[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,thans gedetineerd in [detentieadres]
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem in zaak A onder 1 primair en subsidiair, 2 primair en subsidiair en 5 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15, 16, 17 en 21 januari 2019 en 25 februari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;
1. subsidiair:[L.B.] en/of [A.Y.] en/of [Z.S.] en/of [J.W.] en/of een of meer anderen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer personen van het leven beroven (als omschreven in artikel 289 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten 2 primair:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;2 subsidiair:[L.B.] en/of [A.Y.] en/of [Z.S.] en/of [J.W.] en/of een of meer anderen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Maurik en/of Nieuwegein en/of Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten -diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen (als omschreven in artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of afpersing (als omschreven in artikel 317 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of een of meer vervoermiddelen, te weten
- 6 automatische geweren, merk/type Cz Vz58, kaliber 7.62x39mm, en/of - 9 automatische geweren, merk/type Zastava M70AB2, kaliber 7.62x39mm, en/of - 2 automatische geweren, merk/type Zastava M70B1, kaliber 7.62x39, en/of - 1 automatisch geweer, merk/type MPi/AK-74N, kaliber 5.45x39mm, en/of - 1 automatisch geweer, merk/type AIM/PM63, kaliber 7.62x39mm, en/of - 1 machinepistool, merk/type Agram 2000, kaliber 9mm nato, en/of - 2 machinepistolen, merk/type IMI Uzi, kaliber 9x19mm, en/of - 1 machinepistool, merk/type Ag Strojnica Ero, kaliber 9x19mm, en/of - 3 machinepistolen, merk/type Cz VZ61, kaliber 7.65 browning, en/of - 4 machinepistolen, merk/type R9-Arms, kaliber 9x19mm, en/of - 1 machinepistool, merk/type Cz Vz61, kaliber 7.65 browning, en/of - 2 machinepistolen, merk/type Cz Vz61, kaliber 7.65, en/of - 1 machinepistool, merk/type Imi Micro Uzi, kaliber 9mm para,
- 11 pistolen, merk/type Glock 17, kaliber 9x19mm, en/of - 3 pistolen, merk/type Glock 19, kaliber 9x19mm, en/of - 13 pistolen, merk/type Glock 21, kaliber .45 acp, en/of - 1 pistool, merk/type Glock 26, kaliber 9x19mm, en/of - 1 pistool, merk/type Cz 75d, kaliber 9x19mm, en/of - 2 pistolen, merk/type CZ 75, kaliber 9x19, en/of - 1 pistool, merk/type CZ 75P-01, kaliber 9x19mm, en/of - 1 pistool, merk/type Heckler & Koch Usp, kaliber 9x19mm, en/of - 1 pistool, merk/type Fn Browning, kaliber 9mm para, en/of - 1 pistool merk/type FN Browning Baby, kaliber 6,35, en/of - 4 pistolen, merk/type Dynamic Grand Powerk100, kaliber 9mm luger, en/of - 2 pistolen, merk/type Star Firestar, kaliber 9x19mm, en/of - 1 pistool, merk/type Astra A80 Para, kaliber 9mm, en/of - 1 pistool, merk/type Feg p9r, kaliber 9mm, en/of - 1 pistool, merk/type Norinco 1911 A1.45 Aut , kaliber .45, en/of - 1 revolver, merk/type Smith & Wesson Model 36, kaliber .38 special, en/of - 5 revolvers, merk/type Nagant M1895, kaliber 7.62mm Nagant, en/of - 1 revolver, merk/type Colt Python .357, kaliber .357, en/of - 1 revolver, merk/type Velodog 5.5 Mm, kaliber 5.5mm,
- 764 kogelpatronen, kaliber 7.62x39 mm
- 368 kogelpatronen, kaliber .45 Auto, en/of - 1233 kogelpatronen, kaliber 9mm luger, en/of - 50 kogelpatronen, kaliber .32 S&W L, en/of - 830 kogelpatronen, kaliber 7.65 br., en/of - 239 kogelpatronen, kaliber 9x19mm, en/of - 50 kogelpatronen, kaliber .40 S&W, en/of - 89 kogelpatronen, kaliber 5.56x45mm, en/of - 26 kogelpatronen, kaliber .38 Special, en/of - 348 kogelpatronen, kaliber .45 acp, en/of - 3 kogelpatronen, kaliber .357 Magnum, en/of - 43 kogelpatronen, kaliber 7.62 Nagant, en/of - 60 kogelpatronen, kaliber .45 acp/.45 Auto, en/of - 72 kogelpatronen, kaliber .380 ACP, en/of - 12 kogelpatronen, kaliber 9 mm Br. C., en/of - 2 kogelpatronen, kaliber .380 Auto, en/of - 12 kogelpatronen, kaliber 5.5mm,
- 12 geluidsdempers,
- 3 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 7.62x39mm, en/of - 7 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 7.65 Browning, en/of - 7 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber .45acp, en/of - 4 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber 9x19mm, en/of - 1 patroonmagazijn, merk Agram, kaliber 9x19mm, en/of - 1 patroonmagazijn, merk Cz, kaliber 7.62x39mm, en/of - 1 patroonmagazijn, merk onbekend, kaliber 5.54x39mm, en/of - 5 patroonmagazijnen, merk Glock, kaliber .45,
- 1 elektrische slagpijpje en
- 1 automatisch geweer, merk/type Orbis, MGV 176, kaliber .22lr, en/of - 1 machinepistool, merk/type Cobray Imgram M11, kaliber 9x17mm, en/of - 1 machinepistool, merk/type Agram 2000, kaliber 9mm nato, en/of
- 1 pistool, merk/type Kral Mini 6,35mm, kaliber 8mm knal, en/of - 1 pistool, merk/type Imi Jericho 941f, kaliber .41AE,
- 1 ( intacte) scherfhandgranaat, type M50 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of - 5 ( intacte) scherfhandgranaten, type M75 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of - 1 ( intacte) scherfhandgranaat, type M91 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting), en/of - 2 ( intacte) scherfhandgranaten, type M52 (met bijpassende P3-ontsteekinrichting),
- 274 kogelpatronen, kaliber .22Lr, en/of - 19 kogelpatronen, kaliber .357 Magnum, en/of - 48 kogelpatronen, kaliber 9x19 mm, en/of - 19 kogelpatronen, kaliber 9mm Luger, en/of - 25 kogelpatronen, kaliber 9x17mm, en/of - 2 kogelpatronen, kaliber 8mm,
- 4 geluiddempers,
- 3 patroonmagazijnen, merk Baretta, kaliber 9x19mm, en/of - 1 patroonmagazijnen, merk Sfinx, kaliber 9x19mm, en/of - 3 patroonmagazijnen, merk onbekend, kaliber 9x19mm, en/of - 2 patroonmagazijnen, aangetroffen (en behorend) bij het machinepistool, merk/type Cobray Imgram M11, kaliber 9x17 mm,
- een pistoolmitrailleur, merk CZ, type VZ61 Skorpion en/of twee magazijnhouders, zijnde (een) onderdeel/onderdelen en/of hulpstuk(ken) dat/die specifiek bestemd is/zijn voor (een) vuurwapen(s) van categorie II en/of III en van wezenlijke aard is/zijn, en/of - een pistool, merk Steyr, type S9 en/of een magazijnhouder, zijnde een onderdeel en/of hulpstuk dat specifiek bestemd is voor een vuurwapen van categorie II en/of III en van wezenlijke aard is, en/of - munitie van categorie II en/of III, te weten 50 kogelpatronen, kaliber 7.65 mm, en/of 25 kogelpatronen, kaliber 9x19 mm, voorhanden heeft gehad;
- opzetheling (als bedoeld in artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of - witwassen (als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht) en/of- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, en/of artikel 31, eerste lid, Wet wapens en munitie en/of - moord (als bedoeld in artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en/of- diefstal met geweld (als bedoeld in artikel 312 Wetboek van Strafrecht) en/of - afpersing (als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of - opzettelijke brandstichting en/of het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht) en/of - ter voorbereiding van moord en/of diefstal met geweld en/of afpersing en/of opzettelijke brandstichting en/of het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing, in elk geval een (of meer) misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, - een multiband / LTE / UMTS / GSM / GPS / DECT jammer, voorhanden heeft gehad.
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak A (parketnummer 13-997058-15):

italic

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft/hebben gehad, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Nieuwegein, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door daartoe een of meer door hem gehuurde opslagruimte(n) aan de Veldwade 20 te Nieuwegein en/of de voor deze opslagruimte(n) aan hem, verdachte, verstrekte toegangscode(s) ter beschikking te stellen;
ter voorbereiding van het misdrijf van afpersing (als omschreven in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) dan wel diefstal met geweld (als omschreven in artikel 312 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft/hebben gehad; tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Nieuwegein, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door daartoe een of meer door hem gehuurde opslagruimte(n) aan de Veldwade 20 te Nieuwegein en/of de voor deze opslagruimte(n) aan hem, verdachte, verstrekte toegangscode(s) ter beschikking te stellen;
(in (een kluis in) opslagruimte nr. 388 en/of (daarna) nr. 161:)

Een of meer wapens van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

en

munitie van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten

en

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie I van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten

(in (een kluis in) opslagruimte nr. 40:)

een of meer wapens van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten

en

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie I van de Wet wapens en munitie, te weten

en

een of meer wapens van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

voorhanden heeft gehad;

4:hij of omstreeks 15 juli 2015 te Nieuwegein, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten:

5:hij of omstreeks 15 juli 2015 te Nieuwegein, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2369 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

6:hij of omstreeks 15 juli 2015 te Nieuwegein, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 690 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7:hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2014 tot en met 15 juli 2015 te Nieuwegein en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [B.A.] en/of [M.B.] en/of [L.B.] en/of [A.M.] en/of [M.R.] en/of [Z.S.] en/of [J.W.] en/of [A.Y.] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (in elk geval / onder meer):

opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of ruimten en/of vervoermiddelen, bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, verwerven en/of vervaardigen en/of voorhanden hebben;
Zaak B (met parketnummer 13-997068-16 (gevoegd)):

In de door het hof op 15 januari 2019 toegelaten wijziging van de tenlastelegging is vermeld dat de in zaak A onder 6 en 7 genoemde feiten zijn gewijzigd, zoals aangegeven. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van een kennelijke misslag nu het wijzigingen van de tenlastelegging betreft van de in zaak A onder 3 en 7 genoemde feiten. Het hof zal de tenlastelegging dan ook aldus lezen. Voor zover in de tenlastelegging overigens taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

-

een gestolen auto (Audi S5) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten en/of

een gestolen auto (Audi RS6) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, met in die auto een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

-

een of meer (al dan niet (door)geladen) automatische vuurwapen(s) en/of

een of meer (al dan niet (door)geladen) handvuurwapen(s) en/of

een of meer handgrana(a)t(en) en/of

een of meer patroonhouder(s) en/of

een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s) en/of

een of meer kogelwerend(e) vest(en) en/of

een of meer bakenset(s) en/of

een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

een of meer handschoen(en) en/of

een of meer SD-kaartjes met filmbeelden van één of meer (heimelijk gefilmde) personen,

-

een gestolen auto (Audi S5) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten en/of

een gestolen auto (Audi RS6) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, met in die auto een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

-

een of meer (al dan niet (door)geladen) automatische vuurwapen(s) en/of

een of meer (al dan niet (door)geladen) handvuurwapen(s) en/of

een of meer handgrana(a)t(en) en/of

een of meer patroonhouder(s) en/of

een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s) en/of

een of meer kogelwerend(e) vest(en) en/of

een of meer bakenset(s) en/of

een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

een of meer handschoen(en) en/of

een of meer SD-kaartjes met filmbeelden van één of meer (heimelijk gefilmde) personen,

-

een gestolen auto (Audi S5) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten en/of

een gestolen auto (Audi RS6) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, met in die auto een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

-

een of meer (al dan niet (door)geladen) automatische vuurwapen(s) en/of

een of meer (al dan niet (door)geladen) handvuurwapen(s) en/of

een of meer handgrana(a)t(en) en/of

een of meer patroonhouder(s) en/of

een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s) en/of

een of meer kogelwerend(e) vest(en) en/of

een of meer bakenset(s) en/of

een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

een of meer handschoen(en) en/of

een of meer SD-kaartjes met filmbeelden van één of meer (heimelijk gefilmde) personen,

-

een gestolen auto (Audi S5) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten en/of

een gestolen auto (Audi RS6) voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, met in die auto een of meer petflessen, gevuld met benzine, althans een brandbare stof, en/of

-

een of meer (al dan niet (door)geladen) automatische vuurwapen(s) en/of

een of meer (al dan niet (door)geladen) handvuurwapen(s) en/of

een of meer handgrana(a)t(en) en/of

een of meer patroonhouder(s) en/of

een of meer slagpijpje(s) en/of ontsteker(s) en/of

een of meer kogelwerend(e) vest(en) en/of

een of meer bakenset(s) en/of

een of meer (gecrypte) telefoon(s) en/of

een of meer handschoen(en) en/of

een of meer SD-kaartjes met filmbeelden van één of meer (heimelijk gefilmde) personen,

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank Amsterdam.

Inleiding

Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam “26Koper”. In dit onderzoek is sprake van een aantal verdachten. Ten aanzien van vijf verdachten [Z.S.] , [L.B.] , [A.Y.] , [J.W.] en [verdachte] wordt gelijktijdig arrest gewezen. De verdachten worden hierna ter bevordering van de leesbaarheid ook aangeduid als [Z.S.] , [L.B.] , [A.Y.] , [J.W.] en [verdachte] .

Bijnamen en gebruikte e-mailadressen

[Z.S.] heeft als bijnaam: “Jackson “Jack”Verder is uit nader onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons gebleken dat meerdere verdachten met elkaar communiceerden via een berichtengroep. Uit nader onderzoek naar deze berichten blijkt dat [Z.S.] in deze berichtengroep communiceerde onder de naam [...] !”
[L.B.] heeft als bijnaam: “Largo”Uit nader onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons is gebleken dat meerdere verdachten met elkaar communiceerden via een berichtengroep. Verder is gebleken dat [L.B.] in deze groep berichten verstuurt met het e-mailadres [...] .
[A.Y.] maakt gebruikt van de bijnaam “Joepie”Verder is uit nader onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons gebleken dat meerdere verdachten met elkaar communiceerden via een berichtengroep. Uit nader onderzoek naar deze berichten blijkt dat [A.Y.] in deze berichtengroep communiceerde onder de naam “station” met emailadres: [...] .
[J.W.] heeft als bijnaam: “BOEK”Verder is uit nader onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoons gebleken dat meerdere verdachten met elkaar communiceerden via een berichtengroep. Uit nader onderzoek naar deze berichten blijkt dat [J.W.] in deze berichtengroep communiceerde onder de naam B-lurch.
[verdachte] heeft als bijnaam Devil(l).

Vrijspraak




Zoals gevorderd door de advocaat-generaal en bepleit door de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de voorbereidingshandelingen voor diefstal met geweld of afpersing, zoals tenlastegelegd onder 2 (primair en subsidiair). Uit de stukken in het dossier blijkt onvoldoende dat sprake was van op die misdrijven gerichte voorbereidingshandelingen.

Gevoerde verweren betreffende de verkrijging en waardering van onderdelen van het bewijs

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en feit 7

De verdediging heeft betwist dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de in de woning van [verdachte] aangetroffen “administratie” van de hand van [verdachte] is. In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat de dactyloscopische sporen die van [verdachte] op het (notitie)boekje met daarin de aantekeningen zijn aangetroffen, niet doorslaggevend zijn nu ook sporen van derden op dat boekje zijn aangetroffen. Daarnaast is de verdediging van mening dat de schrijfproef evenmin het doorslaggevende bewijs heeft opgeleverd. Het rapport van deskundige [naam] over het schriftonderzoek kan immers geen wetenschappelijke basis vormen voor de conclusie dat het handschrift in het aangetroffen boekje buiten redelijke twijfel het handschrift van [verdachte] bevat. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de gebruikte ratio niet berekend kan worden en de deskundige derhalve de ratio op basis van zijn ervaring subjectief heeft inschat. Verder wijst de raadsman erop dat de door de deskundige geconcludeerde veel waarschijnlijker-graad slechts een gemiddeld sterke waarschijnlijkheid weergeeft en dan in elk geval niet van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesproken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe het navolgende.Uit het rapport schrijfproef van 17 februari 2017 van [naam] , gerechtelijk deskundige voor schriftonderzoek blijkt dat wat betreft de stukken van overtuiging, aangeduid met een X gevolgd door een nummer, de resultaten van het betwiste handschrift in 5 groepen worden verdeeld. Groep 2 bestaat uit de navolgende stukken van overtuiging: X3, X6, X7, X8-X30 (van X24 alleen regel 7 en 8), X54, X55 en X56 en zijn van 1 producent afkomstig. X54 betreft de aantekeningen in een grijs notitieboek (het zogenoemde “Hemaboekje”). X55 betreft de aantekeningen in een notitieboek met ringband en een stukje gelinieerd papier dat zich (los) in het notitieboek bevindt en X56 betreft de aantekeningen op twee velletjes gelinieerd papier in een schrijfblok. Omdat ten aanzien van het referentiemateriaal van [verdachte] (schrijfproef) bijzonderheden werden geconstateerd die op verdraaiingsopzet duidden, is er vergelijkingsmateriaal opgevraagd dat buiten de context van de zaak is vervaardigd. Het vergelijkende schriftonderzoek, waarin het handschrift van groep 2 en het referentiemateriaal van [verdachte] zijn betrokken, heeft kwalitatief goede overeenkomsten opgeleverd, ondanks het feit dat het referentiemateriaal van [verdachte] aan beperkingen onderhevig is. Vrijwel alle voor het bepalen van het schrijverschap relevante kenmerken in het betwiste handschrift kunnen op overeenkomstige wijze in het referentiemateriaal van [verdachte] worden vastgesteld. Deze vaststellingen hebben de deskundige tot het oordeel geleid dat deze conclusie veel waarschijnlijker is wanneer de hypothese dat [verdachte] de producent is van het betwiste handschrift in groep 2 waar is dan wanneer iemand anders de producent is van deze schrijfproductie. Dat dit waarschijnlijkheidsoordeel met toepassing van het Bayesiaanse model bij handschriftvergelijking niet statistisch is onderbouwd, ligt besloten in de kwalitatieve aard van het onderzoek en maakt de conclusie en de betrouwbaarheid daarvan, niet anders. Daarbij merkt het hof op dat andere aanknopingspunten dat vraagtekens moeten worden geplaatst bij de kwaliteit van of de resultaten van het schriftvergelijkend-onderzoek niet door de raadsman zijn gesteld, noch overigens zijn gebleken.
Het door de deskundige gegeven waarschijnlijkheidsoordeel geeft – zoals de raadsman heeft gesteld – een gemiddeld sterke waarschijnlijkheid aan. Deze bevinding staat echter niet op zichzelf. In combinatie met het gegeven dat de aantekeningen zijn aangetroffen in de woning van [verdachte] en het feit dat op het Hemaboekje als ook op het notitieboek dactyloscopische sporen van [verdachte] zijn aangetroffen komt het hof tot de slotsom dat het [verdachte] is geweest die (de) aantekeningen in de boekjes/notitieblokjes heeft gemaakt.

De verdediging heeft betwist dat [verdachte] op de hoogte was van de aanwezigheid van de kluizen in box 161 en box 40 op het [adres] in Nieuwegein. Daarnaast is betoogd dat niet vaststaat dat [verdachte] toegang had tot de kluis in box 40. Niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de tubulair sleutel die in de woning van [verdachte] is aangetroffen bij het uitgeboorde slot in de kluis aangetroffen in box 40 past. De stelling van de “slotenexpert” [naam] dat het voor hem zeer aannemelijk is dat de tubulair sleutel behoort bij deze kluis kan niet worden beschouwd als een deskundigheidsoordeel nu [naam] geen deskundigheid op dit gebied toekomt. Het hof kan deze mededeling van [naam] dan ook niet als deskundigheidsoordeel in zijn beslissing betrekken. Aldus de raadsman.Het hof overweegt het navolgende.Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] sinds 31 december 2012 box 40 in de Opslagman heeft gehuurd en dat namens hem zijn [zus] vanaf 26 juni 2015 box 161 heeft gehuurd. [verdachte] was in het bezit van de code van de toegangsdeur van de Opslagman. Ook zijn in zijn woning de beide sleutels gevonden die toegang geven tot box 40 en box 161. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] de feitelijk huurder van de opslagboxen 40 en 161 was. WhatsApp berichten gewisseld tussen [verdachte] en zijn [zus] in de periode van 24 juni 2015 tot 1 juli 2015 en een aantekening in de administratie die kennelijk ziet op de huur van box 161 bevestigen dit. [verdachte] is met zijn zus op 24 juni 2015 in de Opslagman geweest. Ze lopen dan eerst naar het deel waar onder meer box 388 is gelegen en daarna naar de eerste verdieping waar box 161 is gevestigd. In box 40 is een kluis en in box 161 een stalen kast die kennelijk als kluis dienst deed aangetroffen. In box 40 betrof dit een tafelmodel kluis van het merk Weipin. In box 161 stond een stalen dossierkast. In de administratie van [verdachte] wordt op 27-02 (het hof begrijpt 27 februari 2015) aangetekend: “500 uit aan kastkluis”. In diezelfde administratie wordt op 13-05 (het hof begrijpt 13 mei 2015) aangetekend: “500 uit aan kluis”. De datum van de aanschaf van deze zogeheten kastkluis kan in verband worden gebracht met de startdatum van de huur van box 388 door [B.A.] , namelijk 20 februari 2015. Uit de bewijsmiddelen en op grond van hetgeen later in dit arrest nog wordt overwogen leidt het hof af dat dit ook is gebeurd ten behoeve van de verdachte. Hierna zal worden overwogen dat het hof ervanuit gaat dat op 5 juli 2015 deze kastkluis is verplaatst van box 388 naar box 161. Aan de in de woning van [verdachte] aangetroffen sleutelbos is de sleutel van het linker slot van de kluis in box 40 aangetroffen. [verdachte] heeft geen enkele vraag willen beantwoorden over de aangetroffen sleutels, de aantekeningen in de administratie en de (redenen van) de huur van de beide boxen in de Opslagman. Uit de voorgaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [verdachte] op de hoogte was van de aanwezigheid van de kluizen in box 40 en box 161.
Dat [verdachte] ook feitelijk toegang had tot de kluis in box 40 leidt het hof af uit hetgeen hiervoor is overwogen en in het bijzonder de omstandigheid dat aan de hiervoor genoemde sleutelbos, naast de sleutels die toegang gaven tot beide boxen ook de sleutel zat die paste op het linker slot van de kluis in box 40.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de verklaring van [naam] inhoudende dat het voor hem zeer aannemelijk is dat de aangetroffen tubulair sleutel behoort bij de kluis van het merk Weipin, een deskundigheidsoordeel betreft.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de in dit verband gevoerde verweren.

Ten aanzien van feit 4

De raadsman heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de doorzoeking in de woning van [verdachte] aan de [adres] te Nieuwegein, ondanks hetgeen daaromtrent in het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname is opgenomen, aan [verdachte] door de rechter-commissaris niet de cautie is gegeven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de cautie eerst is gegeven na het aantreffen van het vuurwapen in de slaapkamer en derhalve nadat hij aan een verhoor door de rechter-commissaris, inhoudende de vraag of er in de woning wapens aanwezig waren, was onderworpen. Hier is sprake van een onherstelbaar vormverzuim (het hof begrijpt: in de zin van artikel 359a Wetboek van strafvordering), te weten een aanzienlijke schending van het gebod van de cautie, waardoor de verdachte in een specifiek belang is geraakt (het verbod van zelf-incriminatie).
De advocaat-generaal heeft betoogd dat het verweer dient te worden verworpen, nu van de juistheid van het opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking dient te worden uitgegaan, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de doorzoeking door de rechter-commissaris de cautie is gegeven.Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht het hof geen aanknopingspunten aanwezig om te twijfelen aan de juistheid van het door verbalisant K001 opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, ook voor zover het betreft het gedeelte waaruit blijkt dat de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking aan [verdachte] de cautie heeft gegeven. Immers, in dit proces-verbaal staat vermeld dat de rechter-commissaris voorafgaand aan de doorzoeking “de cautie heeft gegeven aan de aanwezige [verdachte] ” en (het hof begrijpt vervolgens) “aan de aanwezige personen [verdachte] en [L.F.] werd gevraagd of er geld of waardevolle goederen, zoals sieraden, drugs, vuurwapens aanwezig waren” en (het hof begrijpt weer vervolgens) “ [verdachte] verklaarde dat er een vuurwapen in zijn slaapkamer lag”. Dat in het proces-verbaal van aanhouding dit niet wordt gerelateerd doet hieraan niet af. Het verweer van de raadsman faalt dus reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
overwegingen

Overwegingen over voorbereidingshandelingen (feit 1)






- ik ben voorzien van nieuw spul, topkwaliteit. Wordt een witte kerst dus. - voor 50 krijg je een halve van me extra.
Juridische overweging

Aan de verdachte is in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegd het medeplegen van voorbereiding van moord, respectievelijk diefstal met geweld dan wel afpersing.De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in zaak A onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen blijkt volgens hem voldoende wat de contouren zijn van de beoogde uitvoering van voorgenomen misdrijf. Namens de verdachte is betoogd dat de in de tenlastelegging genoemde gronddelicten onvoldoende bepaald zijn. Er is onvoldoende bewijs dat bij de verdachte de intentie bestond om één van deze misdrijven te plegen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft een debat plaatsgevonden over de eisen die moeten worden gesteld aan het bewijs van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Wat de advocaat-generaal en de raadsman in het bijzonder verdeeld houdt is de beantwoording van de vraag in welke mate van concreetheid en precisie de bewijsmiddelen zicht moeten bieden op het delict dat wordt voorbereid, ook wel het gronddelict genoemd.

Het hof overweegt als volgt.Voor beantwoording van de vraag of de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen zijn bewezen, moet komen vast te staan dat de in de tenlastelegging omschreven voorwerpen, stoffen, informatiedragers en vervoermiddelen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van de verdachte dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had. Voldoende is dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte strekten ter voorbereiding van dat misdrijf en dat zijn opzet op het begaan daarvan was gericht.​
In de bewijslevering zijn aldus een objectieve en een subjectieve component te onderscheiden. De objectieve component heeft betrekking op de bestemming van de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft. Deze kan blijken uit de aard van de voorwerpen zelf of uit het samenstel van voorwerpen, bezien in hun onderling verband. De te hanteren maatstaf daarbij is de uiterlijke verschijningsvorm. De subjectieve component heeft betrekking op de intentie van de verdachte. Het criminele karakter daarvan kan blijken uit verklaringen van hemzelf of van anderen of uit bewijsmiddelen die zijn drijfveren onthullen zoals opgenomen en afgeluisterde (tele)communicatie, met anderen gedeelde informatie, internetgedrag of verzonden berichten. Deze beide aspecten in de bewijslevering zijn te onderscheiden maar niet te scheiden. De interpretatie van objectieve gedragingen wordt ingevuld mede aan de hand van inzicht in intenties. De bedoelingen van de verdachte op hun beurt kunnen worden afgeleid uit gedrag. Daarbij past behoedzaamheid van de rechter. Hij dient te waken voor te vergaande invulling. Naarmate meer inzicht bestaat in de intenties van de verdachte wordt de beoordeling van de bestemming van gedragingen zoals het voorhanden hebben van voorwerpen, vergemakkelijkt. En omgekeerd kunnen de gedragingen van de verdachte of de voorwerpen waarover deze beschikt in hun onderling verband en samenhang een zodanige zeggingskracht hebben dat de intenties min of meer duidelijk naar voren komen. Dat geldt met name voor voorwerpen waaruit naar hun aard geen bijzondere bestemming kan worden afgeleid, zoals auto’s of gereedschap. Pas in hun onderlinge samenhang of in het grotere verband met voorwerpen die wel als zodanig in een criminele context kunnen worden geplaatst kunnen deze voorwerpen onder omstandigheden als voorbereidingsmiddel worden getypeerd.

Het centrale begrip in het voorgaande is het misdadige doel dat de verdachte voor ogen heeft. In de rechtspraak wordt de maatstaf gehanteerd dat dit misdadige doel met voldoende bepaaldheid moet blijken. Bewezen moet worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de bestemming (het beoogde gebruik) van de voorwerpen die hij voorhanden had. Daaronder is begrepen voorwaardelijk opzet, in die zin dat de verdachte de gevolgen van het beoogde gebruik op de koop toeneemt.

De hiervoor bedoelde intentie van de verdachte en de bestemming van de tenlastegelegde voorbereidingsmiddelen staan naar de mening van de verdediging in deze strafzaak in een problematische onderlinge verhouding. Aandacht is gevraagd voor de onbepaaldheid van de aard van de te plegen delicten, de beoogde slachtoffers en de voorgenomen momenten van uitvoering.

Als het hierom gaat biedt de wetsgeschiedenis enig houvast. Bij de initiële invoering van artikel 46 (oud) Sr in 1996 waren enkele aan de praktijk ontleende gevallen waarin personen zich dichtbij de pogingsfase van een delict bevonden de aanleiding om voorbereidingshandelingen strafbaar te stellen. Er diende een mogelijkheid te zijn om strafvorderlijk in te grijpen in situaties die een onaanvaardbaar risico voor de rechtsorde inhielden en om hierop vervolgens een strafrechtelijke reactie te geven. Het zou moeten gaan om gevallen waarin sprake was van een actueel ontoelaatbaar gevaar voor objectieve rechtsgoederen. Over de vereiste mate van concretisering doet de wetgever geen duidelijke uitspraken maar in de situaties die tot het wetsvoorstel hadden geleid was in elk geval de dreiging, ook in de zin van doelwit en uit de omstandigheden af te leiden werkwijze, tamelijk concreet. Dat kan op zichzelf beschouwd evenwel nog niet tot de slotsom leiden dat de wetgever gevallen waarin sprake is van meer generieke gevaarzetting buiten het bereik van artikel 46 (oud) Sr heeft willen houden.

De wet is enkele malen aangepast. Zo is in 2002 de delictsomschrijving aangepast in die zin dat het bij het gronddelict niet langer hoefde te gaan om een feit dat in vereniging zal worden gepleegd. In 2007 is vervolgens het zogeheten kennelijkheidsvereiste vervallen. De minister heeft in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wijziging heeft geleid betoogd dat met het schrappen van het woord “kennelijk” werd beoogd grotere duidelijkheid te verschaffen over de uitleg van artikel 46 Sr. Daarbij is benadrukt dat de kern van de strafbaarstelling van voorbereiding van ernstige misdrijven is gelegen in de subjectieve bestemming van voorwerpen en gedragingen (MvT bij het wetsvoorstel 30 164, pagina 49). In een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 17 maart 2005 heeft de minister hieraan toegevoegd dat hiermee werd aangesloten bij de jurisprudentie van de Hoge Raad:
De voorgestelde aanpassing houdt in dat het woord «kennelijk» in de strafbepaling wordt geschrapt. Daarmee beoog ik de reikwijdte van de strafbare voorbereiding te verduidelijken. Dat de voorwerpen waarmee ernstige misdrijven worden voorbereid «kennelijk» bestemd moeten zijn voor het plegen van het misdrijf kan tot verwarring leiden. De wettelijke omschrijving suggereert dat het karakter van het voorwerp doorslaggevend is. ( ..) Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt ( ..) af te leiden dat veeleer de bedoeling van de dader bepalend is voor de bestemming van de voorwerpen. De voorgestelde wijziging wil de wet daarmee in overeenstemming brengen (..)

De aanpassing vindt zijn grond in de wenselijkheid van verduidelijking. Ook nu behoeven, zo reageer ik op een volgende vraag van de heer Wolfsen, geen exacte gegevens vast te staan over het misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zijn gericht. Juist omdat het voorbereidingshandelingen betreft, is het doorgaans niet mogelijk om precies aan te duiden op welke wijze en wanneer het voorbereide misdrijf zou worden gepleegd (indien niet tijdig ingegrepen zou zijn). Wel moet duidelijk zijn om welk beoogd misdrijf het gaat. Overigens wijzigt het wetsvoorstel op dit punt niets aan artikel 46 Sr.

Het hof overweegt dat de keuze van de wetgever om, in aansluiting op de rechtspraak, het misdadige doel centraal te stellen in de bewijsvraag impliceert dat de verhouding tussen de intentie en het te plegen delict geen lineaire of directe hoeft te zijn. Er is een ondergrens die zich als volgt laat omschrijven. De intentionaliteit, opgevat als de criminele gerichtheid, moet vaststaan. Dat geldt ook voor het beoogde gebruik van de voorbereidingsmiddelen en voor de bedoelingen bij de verrichte voorbereidingshandelingen. Tot slot moet buiten redelijke twijfel zijn wat het karakter is van het gronddelict. Reeds vanwege het te hanteren strafmaximum dient duidelijk te zijn op welk misdrijf met een strafbedreiging van acht jaren gevangenisstraf of meer de voorbereiding betrekking heeft gehad. Noch uit de wet en de totstandkomingsgeschiedenis ervan noch uit de rechtspraak kan echter worden afgeleid dat een welomlijnd beeld van het te plegen gronddelict is vereist. Ook de rechtspraak van de Hoge Raad, die onder meer inhoudt dat de oppervlakkigheid of onvolkomenheid van de voorbereidingshandelingen en voorbereidingsmiddelen niet in de weg staat aan bewezenverklaring ervan, wijst in die richting. Het spreekt voor zich dat ook hieraan een zekere ondergrens is verbonden. Deze wordt geformuleerd door de minister in de nota naar aanleiding van het verslag: “(pagina 56)
De enkele intentie van de dader is niet voldoende voor strafbaarheid. Van een acuut, direct risico, dat onmiddellijk strafvorderlijk ingrijpen urgent heeft gemaakt, hoeft echter geen sprake te zijn. Van een gedetailleerd inzicht in het beoogde gebruik van de middelen evenmin.
Voorts biedt de delictsomschrijving van artikel 46 Sr ruimte voor strafbare betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen gericht op een delict dat door anderen dan degene die het voorbereidt, zal worden gepleegd. Dat blijkt ook uit de omstandigheid dat voorbereidingshandelingen tezamen en in vereniging kunnen worden gepleegd terwijl de intentie is dat het beoogde gronddelict door één dader zal worden gepleegd. Daarmee wordt de vereiste intensiteit van het door de rechter vast te stellen verband tussen voorbereiding en gronddelict verder gerelativeerd. Het gaat om beantwoording van de vraag of de verdachte een actueel en reëel risico op voltooiing van het beoogde delict in het leven heeft geroepen, waarbij hij de realisatie van dat gevolg op zijn minst op de koop toe heeft genomen.

Daar komt in het onderhavige geval bij dat aan de verdachte het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten laste is gelegd. Deze deelnemingsvorm vereist een bewuste en nauwe samenwerking, alsmede opzet van de verdachte op de door hemzelf verrichte gedragingen en op de samenwerking. Dat opzet hoeft evenwel niet bij elke deelnemer op gelijke wijze te zijn georiënteerd noch op dezelfde wijze te zijn gevormd. Dat houdt in dat, afhankelijk van de wijze waarop de bijdrage van de medepleger aan de voorbereidingshandelingen gestalte krijgt, de oriëntatie op het gronddelict kan variëren.

Tot slot komt in de sleutel van de waardering van het gepresenteerde bewijs betekenis toe aan de volgende omstandigheid. De verdachte heeft gedurende het opsporingsonderzoek en in beide fasen van de berechting grotendeels gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Op tal van vragen die betrekking hebben op uit de processtukken blijkende feiten en omstandigheden die belastend kunnen worden uitgelegd heeft hij geen antwoord gegeven. Daarmee verschuift het accent in de bewijswaardering in aanzienlijke mate van wat is gebleken over de subjectieve wil van de verdachte naar de context van de uiterlijke verschijningsvorm van het samenstel van voorbereidingsmiddelen ten aanzien waarvan gedragingen van de verdachte zijn gebleken. Deze gedragingen staan bovendien in een duidelijk verband met handelingen en gedragingen van andere verdachten in de zaak Koper. Het hof verwijst in dit verband naar de hierna volgende bewijsoverwegingen en de gebezigde bewijsmiddelen.Hoewel daaruit blijkt dat er nog wel eens werd gewisseld van oriëntatie kan een zekere doelgerichtheid bij de observaties (in persoon alsmede met gebruikmaking van een peilbaken) zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.
Het hof stelt vast dat de verdediging heeft betoogd dat de in de tenlastelegging vermelde voorbereidingsmiddelen, op zichzelf noch in hun samenhang, wijzen in de richting van een concreet aan te duiden misdrijf. Dat betekent echter niet dat de rechter, in het licht van het stilzwijgen van de verdachte, niet tot de slotsom zou kunnen komen dat een voldoende concreet omlijnd misdrijf is voorbereid. In die zin lopen in het betoog van de verdediging de waardering van de inhoudelijke kwaliteit van het gepresenteerde bewijs en de daaraan uiteindelijk voor de bewijsbeslissing te verbinden conclusies door elkaar. Anders gezegd, de bepaaldheid van elk van de voorbereidingsmiddelen op zichzelf bezien kan wellicht voor meer uitleg vatbaar zijn. Dat houdt echter nog steeds in dat die bepaaldheid, in het licht van wat overigens is gebleken over intenties en handelingen van de verdachte en van andere relevante betrokkenen, en gelet op alle middelen in onderling verband en samenhang beschouwd, daaraan toch in toereikende mate kan worden toegekend. Daarop zal hierna nader worden ingegaan.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Tegen de achtergrond van de hiervoor uiteengezette maatstaf stelt het hof vast dat de bewijsmiddelen het volgende inhouden.

De bewijsmiddelen hebben blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking op vijf personen, opererend in een criminele setting. Het gaat om [verdachte] , [J.W.] , [Z.S.] , [L.B.] en [A.Y.] . [J.W.] , [Z.S.] , [L.B.] en [A.Y.] stonden op diverse wijzen met elkaar in contact. Dit blijkt uit de voor het bewijs gebezigde OVC-gesprekken, gevoerd in de door [J.W.] , [Z.S.] , [L.B.] en [A.Y.] gebruikte auto’s en in de garagebox aan de [adres] in Maurik. Daarnaast onderhield een aantal van hen contact met gebruikmaking van telefoontoestellen van het merk BlackBerry voorzien van de applicatie PGP (hierna: PGP-toestellen) met het oog op, zo neemt het hof aan, het voorkomen van afluisteren door de justitiële autoriteiten. [verdachte] was opgenomen in de contactenlijst van de BlackBerry-toestellen van [L.B.] en [J.W.] . In de contactenlijst van een onder [J.W.] in beslag genomen BlackBerry stonden onder meer vermeld: Junior, Black, Schoonz. Deze personen stonden met dezelfde aanduiding in de administratie van [verdachte] . Verder blijkt uit de hierna te bespreken administratie van [verdachte] dat daarin aantekeningen zijn opgenomen over [J.W.] , die daarin is aangeduid als “Boek”. [L.B.] stond in contact met [J.W.] . Daarbij zijn in de maand juli 2015 via de versleutelde BlackBerry’s berichten gewisseld over tegen hen lopende politieonderzoeken waarvan [L.B.] kennelijk op de hoogte was en over de aanschaf van een zogeheten “sweepapparaat” en over een vuurwapen.
[J.W.] , [verdachte] , [Z.S.] , [L.B.] en [A.Y.] hebben samen een voorraad vuurwapens voorhanden gehad. Ten laste van [verdachte] zal het hof, zoals hierna nader zal worden gemotiveerd, het medeplegen van het bezit van ongeveer honderd vuurwapens bewezen verklaren. De wapenvoorraad bevond zich in twee opslagboxen bij de Opslagman in Nieuwegein. Een deel van deze vuurwapens betrof automatische aanvalsgeweren. Bij deze voorraad zijn tevens patronen aangetroffen, waarvan een deel zogeheten pantserdoorborende munitie betrof. Ook geluiddempers en laserrichtmiddelen maakten deel uit van de wapenvoorraad. Dit samenstel van voorwerpen kan, in het bijzonder gelet op de gangbare en meest voor de hand liggende toepassing van de accessoires, naar algemene ervaringsregels in verband worden gebracht met de uitvoering van levensdelicten.

De gemeenschappelijke betrokkenheid van [J.W.] , [Z.S.] , [L.B.] en [A.Y.] bij deze wapens blijkt uit onder meer de inhoud van de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de gebeurtenissen in de avond van 13 juni 2015. [A.Y.] en [L.B.] verplaatsen dan meerdere vuurwapens van Wijk bij Duurstede naar één van de opslagboxen bij de Opslagman in Nieuwegein. [Z.S.] en [J.W.] zijn daarover op dat moment in gesprek. De feitelijk huurder van de boxen was [verdachte] . Dit blijkt uit de in zijn woning aanwezige sleutels van beide boxen en van een van de sleutels van een kluis in één van die boxen en uit de verklaring van zijn [zus] van 12 augustus 2015.

Daarnaast hebben [L.B.] en [A.Y.] eenmaal met een vuurwapen geschoten in de late uren in een afgelegen gebied. [Z.S.] heeft dit drie maal gedaan. Dat het er hierbij om ging de bruikbaarheid van de wapens uit te proberen kan worden afgeleid uit heimelijk opgenomen en afgeluisterde gesprekken. Op 23 mei 2015 hebben [Z.S.] en [L.B.] in de Fiat Punto van eerstgenoemde tegen elkaar het volgende gezegd rondom het moment van schieten met een vuurwapen op een afgelegen locatie: ‘We moeten het ding testen’ en ‘we moeten de ijzers (het hof begrijpt vuurwapens) meenemen’. Op 28 mei 2015 wordt in de loop van de dag in dezelfde Punto nagepraat door [L.B.] en [Z.S.] over proefschieten door [A.Y.] en [Z.S.] in de voorafgegane nacht. Om 14:00 uur zegt [Z.S.] : ‘Er zat weer zo’n kanker misvormde bullit tussen’. [L.B.] antwoordt: ‘Die zijn faya (het hof begrijpt: “erg”) he?’

Voorts hebben [J.W.] , [Z.S.] , [L.B.] en [A.Y.] twee Audi’s, een RS6 en een S5, voorhanden gehad. Zij zijn in wisselende samenstelling aanwezig geweest bij de garageboxen waar deze auto’s waren gestald. Daarbij zijn werkzaamheden verricht die kennelijk waren gericht op het rijklaar maken, respectievelijk houden, van deze auto’s. Accu’s en jerrycans werden gebracht (kennelijk om de tanks van de auto’s met benzine te vullen) en meegenomen en de auto’s werden gestart. Eén van de auto’s is eenmaal tijdens de nachtelijke uren gebracht naar een garage waar enkele reparaties zijn uitgevoerd. Deze reparatie is, naar het hof aanneemt, geregistreerd in de administratie van [verdachte] . Aan de hand van door de betrokkenen gevoerde gesprekken, die heimelijk zijn opgenomen en afgeluisterd, alsmede op basis van het gebruik van handschoenen, kan worden geconcludeerd dat de auto’s vrij dienden te zijn en te blijven van tot de genoemde personen te herleiden sporen. Het betreft in beide gevallen een zeer snelle auto. Het kan als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat dit type auto’s nog wel eens wordt gebruikt bij het plegen van ernstige delicten. De aanwezigheid van twee flessen benzine in de Audi RS6 draagt bij aan de slotsom dat deze auto bestemd was voor gebruik bij de uitvoering van een misdrijf van serieuze betekenis. Anders dan het geval is bij de vuurwapens met toebehoren kan ten aanzien van deze auto’s in het algemeen niet de exclusieve, althans, in redelijkheid aan te nemen, overwegende, bestemming van moord worden aangenomen. In het licht van de hierna nog te bespreken inhoud van de overige bewijsmiddelen dient evenwel de slotsom te zijn dat de auto’s ook met deze intentie beschikbaar werden gehouden.

Op uiteenlopende wijzen zijn de gangen van personen gevolgd en in beeld gebracht. [L.B.] en [Z.S.] hebben, naar het hof aanneemt, op 12 juni 2015 het baken #0580 geactiveerd, dat op 13 juni 2015 om 00:01 uur actief wordt. Zij wilden, zo blijkt uit door hen gevoerde vertrouwelijke gesprekken, iemand “spotten”. Uit OVC-gesprekken, gevoerd op 13 juni 2015 tussen [Z.S.] en een onbekende blijkt eveneens dat één of meer personen, aangeduid aan de hand van merk en type auto waarin deze personen zouden rijden, in de gaten dienden te worden gehouden.

In de woning van [L.B.] zijn enkele peilbakens aangetroffen die eerder zijn geactiveerd en gebruikt. Ook zijn verpakkingen van gebruikte peilbakens bij hem gevonden. In de woning van [A.Y.] is een BlackBerry aangetroffen waarop foto’s stonden van een peilbaken. [A.Y.] heeft op 25 mei 2015 gesproken met [L.B.] over een bezoek aan de Spyshop in Nieuwegein. [L.B.] en [Z.S.] hebben, zo kan worden vastgesteld mede bezien in het licht van de daarop betrekking hebbende administratie van [verdachte] , samen op 26 mei 2015 twee peilbakens in de Spyshop gekocht. Ook [J.W.] kan, zoals later zal worden besproken, in verband worden gebracht met het gebruik van peilbakens.

In de woningen van de reeds onherroepelijk veroordeelde medeverdachte [S.] en van [L.B.] zijn gegevensdragers gevonden met daarop beelden van personen in een horecagelegenheid. Op deze opnames zijn tevens de stemmen te horen van respectievelijk [L.B.] , [Z.S.] en [A.Y.] . Zij hebben kennelijk de opnames gemaakt. De intentie om de betrokken personen op een adequate wijze in beeld te brengen blijkt uit hetgeen door hen wordt gezegd. De opnames hebben onder meer betrekking op de personen [1] , [2] en [3.] en [4.] . Van de opnames van [1] zijn vijf foto’s aangetroffen op de BlackBerry van [J.W.] die in beslag is genomen op 15 juli 2015 bij een doorzoeking van diens verblijfplaats in Beneden-Leeuwen.

In de woning van [verdachte] is een notitieboekje in beslag genomen. Dit kan worden aangemerkt als een financiële administratie over de periode 8 januari 2014 tot en met 14 juli 2015. Deze administratie is door [verdachte] bijgehouden. De administratie heeft onder meer betrekking op de aanschaf van wapens, aangeduid als “ijzers”. Daarbij is enkele malen de bijnaam van [J.W.] vermeld. Op diverse significante onderdelen blijkt deze administratie in direct verband te staan met door [Z.S.] , [L.B.] , [J.W.] en [A.Y.] verrichte handelingen. Zij worden in de administratie met hun bijnamen aangeduid. Zo blijkt onder meer dat de aanschaf van peilbakens (aangeduid als trackers) is vastgelegd. Daarnaast zijn uitgaven opgenomen voor spotters, de aanschaf van enkele telefoontoestellen met PGP-applicatie, camera’s en de huur van auto’s. Zij maakten, met uitzondering van [verdachte] , allen gebruik van huurauto’s. Ook de huur van de garageboxen in Maurik, waar de twee Audi’s stonden geparkeerd, is, zo maakt het hof op uit de inhoud van de administratie via en/of door [verdachte] betaald.

In verband met de beoordeling van de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen acht het hof de volgende, heimelijk opgenomen en afgeluisterde, vertrouwelijke gesprekken in het bijzonder van belang.

Op 17 juni 2015 hebben [J.W.] en [Z.S.] gesprekken gevoerd in de Renault Megane waarin zij die dag reden. [Z.S.] zegt onder meer tegen [J.W.] om 18:35 uur: ‘Hij komt om uh 6 uur 7 uur (…) je weet toch dat hij buiten komt bij osso, je weet toch is perfect. Helemaal als je zo een stille hebt is het klaar je weet toch’. [J.W.] reageert onder meer als volgt: “hij moet er wel aan”. [Z.S.] zegt even later: “laat gewoon verrotten hij is binnen no time is die split. Dat is echt geen probleem echt niet.” Het gesprek gaat voorts over personen die kennelijk gevolgd worden. [J.W.] : “eigenlijk moeten we gewoon weer op die kale. Die kale en die joego”. [Z.S.] : “hij gaat ons daarheen brengen, 100%; waarom in die hotels? Altijd bij elkaar”. [J.W.] : “het zijn van die hangmensen”. En [J.W.] even later: “die keer op de Kanaalstraat, dat was hem gewoon, en daar in België ook”. [Z.S.] : “dat moet hem zijn; gewoon heel undercover, je zit op iemand heel vaak, en dan zie je opeens die hoofd verschijnen”. En [J.W.] nogmaals: “moeten eerst uitvinden wat voor auto die vriend rijdt dan. Die kale of die andere twee. Hij rijdt zelf die Golf”.

Op 24 mei 2015 omstreeks 22:00 uur zegt [Z.S.] tegen [L.B.] “hun komen en doen dang dang kom pang … pfff split. Hup deze in de fik, hup ijzer doe je de volgende, pang split, laat je die shit daar. Wij moeten nog naar die waggie … even eerlijk, ik ben er niet vies van … is een keus die je maakt.” En: “het is vies, maar ja andere kant is het ook wel een kans”. Kort daarna zegt [Z.S.] tegen [L.B.] : “alles wat we gedaan hebben is om die fietsen gewoon ( ..) in orde te zetten. Klaar nu is eindelijk alles gefixt ( ..) die 2 vest die regelt Joepie”. En om 22:36 uur zegt [Z.S.] nog : “het gaat om ijzers, als ie tegen ons zegt ga die kant snel dingen klaar leggen, bam binnen tien minuten hebben we die dinges klaar.” [L.B.] : “Ja”.

Voorts slaat het hof acht op enkele feiten en omstandigheden, die kunnen worden ontleend aan de bewijsmiddelen, zoals blijkend uit de resultaten van opsporing met betrekking tot de moord op [5] . De verdediging heeft erop gewezen dat deze resultaten niet mogen worden gebruikt voor het bewijs omdat het hier gaat om een opsporingsonderzoek dat niet heeft geleid tot enige strafvervolging en omdat de bevindingen mogelijk slechts in gefragmenteerde vorm bij de processtukken zijn gevoegd. Het hof overweegt dat de bewijswaarde en bewijskracht van deze resultaten met terughoudendheid dienen te worden beoordeeld, maar enkele bevindingen, zoals hierna weergegeven, zijn niet zodanig dat de feitelijke juistheid ervan in twijfel dient te worden getrokken. Evenmin is hiervoor, anders dan betoogd door de raadsman, meer context nodig voordat het hof hiervan de mogelijke bijdrage aan de bewijsvoering kan wegen. Het hof acht het volgende van betekenis voor het bewijs.

Op 17 november 2014 zijn de, in de woning van [S.] aangetroffen, heimelijk opgenomen filmbeelden van [2] en [3.] , gemaakt. De stemmen van [L.B.] en [A.Y.] zijn hierop herkend. Uit de printgegevens van het baken met IMEI-nummer #3480 blijkt dat dit op 17 november 2014 tussen 21.10 uur en 22.59 uur actief was in de directe omgeving van het Carlton President hotel in Utrecht, waar [2] en [3.] zich dan bevinden. Dit zijn de tijdstippen waarop is gefilmd. Op 7 augustus 2014 is in de Delhistraat 3 te IJsselstein (woning van [naam] , ex-vrouw van [J.W.] , tevens de verblijfplaats van [J.W.] in de voorafgaande periode) een lege houder gevonden van de simkaart met telefoonnummer *8181; deze is geplaatst geweest in dit baken #3480 in mei 2014. Het baken was ook actief op 18 januari 2014 rond 18:26 uur bij een tankstation van Total in Amersfoort; op dat moment tankte [J.W.] daar, zoals blijkt uit camerabeelden. Het baken stond op die dag in verbinding met een Samsung Galaxy S3 met imei-nummer #2710, met daarin telefoonnummer *9545. Het andere baken waarmee de Samsung verbinding had was de #4410. Van die Samsung #2710 had [J.W.] op 19 januari 2014 bij een controle de verpakking in de door hem bestuurde Peugeot liggen. Op het moment van die controle was het baken #4410 in de directe omgeving van de locatie van die controle. Over dat baken #4410 is voorts vastgesteld dat dit in de periode 11-19 februari 2014 dezelfde routes heeft gevolgd als de telefoon met het telefoonnummer (*1713) van [5] . De #4410 communiceerde in die periode ook met het Samsung toestel met IMEI #2710. [5] is op 14 april 2014 doodgeschoten. Op 11 januari 2014 is gepoogd hem van het leven te beroven.
In dit perspectief bezien krijgen ook enkele aantekeningen in de administratie van [verdachte] reliëf. Dit zijn: “12-1 50d. uit Black” en “14-4 100d. uit aan Black” en “15-4 25d. uit aan Black.” Het hof begrijpt, in navolging van de politie, dat het hier steeds om duizendtallen gaat. Gelet op de plaatsen in het notitieboekje gaat het hier om data in het jaar 2014. Deze resultaten van het opsporingsonderzoek grijpen, mede tegen de achtergrond van het gebleken contact tussen [J.W.] en [verdachte] , zodanig in elkaar dat het hof ervan uitgaat dat de geregistreerde uitgaven aan Black, wie hij ook moge zijn, in een betekenisvol verband staan met de moord op [5] . In het midden kan blijven welke rol elk van de betrokkenen heeft gespeeld. Van betekenis voor het bewijs is dat sprake is geweest van een gedeelde betrokkenheid in de zin van activiteiten gericht op de dood van [5] . Daarbij is sprake geweest van een werkwijze, bestaand onder meer in de inzet van een peilbaken, die overeenkomt met de gang van zaken bij de handelingen van de betrokken verdachten in het onderzoek 26Koper. Opmerkelijk is voorts een uitgave op 1 december 2014 aan een “junior spotter” van 40d en aan een “hitter” van “100d” (naar het hof begrijpt honderdduizend, mede gelet op het bedrag, voor een schutter).

Van belang is bovendien dat [2] op 22 juni 2016 eveneens van het leven is beroofd. De verdachte en zijn medeverdachten waren toen al gedetineerd, maar dat doet niet af aan de duiding zoals die hiervoor aan de uit de bewijsmiddelen blijkende activiteiten van de verdachte en zijn medeverdachten is gegeven. Op dezelfde wijze komt betekenis toe aan het gegeven dat de eveneens geobserveerde [1] op 9 mei 2016 is vermoord. Bezien in het licht van het voorgaande kan niet worden volgehouden dat het hier om neutrale feiten gaat die geen aanvullende waarde hebben bij de beoordeling van de tenlastelegging.

De hiervoor besproken inhoud van de bewijsmiddelen kan worden gekenschetst als een onderling sterk verweven geheel van redengevende feiten en omstandighed