Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:800

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-03-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:800, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.243.082/01 NOT


Bron: Rechtspraak

beslissing ___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummers : 200.243.082/01 NOT en 200.243.136/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/330660/KL RK 17-208

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 12 maart 2019

inzake (200.243.082/01 NOT):

mr. [naam],notaris te [plaats],appellant,hierna ook: de notaris,gemachtigde: mr. T. Riyazi, advocaat te Den Haag,
tegen

[Stichting],gevestigd te [plaats],geïntimeerde,hierna ook: klaagster,gemachtigde: mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat te Den Haag,
en inzake (200.243.136/01 NOT):

[Stichting] ,gevestigd te [plaats] ,appellante,gemachtigde: mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat te Den Haag.
tegen

mr. [naam] ,notaris te [plaats] ,geïntimeerde,gemachtigde: mr. T. Riyazi, advocaat te Den Haag

ECLI:NL:GHAMS:2019:800:DOC
nl

beslissing ___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummers : 200.243.082/01 NOT en 200.243.136/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/330660/KL RK 17-208

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 12 maart 2019

inzake (200.243.082/01 NOT):

mr. [naam],notaris te [plaats],appellant,hierna ook: de notaris,gemachtigde: mr. T. Riyazi, advocaat te Den Haag,
tegen

[Stichting],gevestigd te [plaats],geïntimeerde,hierna ook: klaagster,gemachtigde: mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat te Den Haag,
en inzake (200.243.136/01 NOT):

[Stichting] ,gevestigd te [plaats] ,appellante,gemachtigde: mr. D.Th.J. van der Klei, advocaat te Den Haag.
tegen

mr. [naam] ,notaris te [plaats] ,geïntimeerde,gemachtigde: mr. T. Riyazi, advocaat te Den Haag
1

In de zaak met zaaknummer 200.243.082/01 NOT

1.1.
De notaris heeft op 24 juli 2018 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 26 juni 2018 (ECLI:NL:TNORARL:2018:25). De kamer heeft in de bestreden beslissing klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht voor zover de klacht betrekking heeft op de inhoud van de akte, de klacht met betrekking tot de onderzoeksplicht van de notaris gegrond verklaard en aan hem de maatregel van waarschuwing opgelegd.
1.2.
Klaagster heeft op 26 september 2018 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend. Op 11 oktober 2018 heeft klaagster nog een aanvullend verweerschrift - met bijlagen - overgelegd.
In de zaak met zaaknummer 200.243.136/01 NOT

1.3.
Klaagster heeft op 25 juli 2018 een beroepschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend tegen de hiervoor genoemde beslissing van de kamer.
1.4.
De notaris heeft op 9 oktober 2018 een verweerschrift bij het hof ingediend.
In beide zaken

1.5.
Klaagster heeft op 21 november 2018 aanvullende producties (18 tot en met 20) ingediend.
1.6.
De zaken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 6 december 2018. De notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, en de gemachtigde van klaagster, vertegenwoordigd door de heer [naam] , zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.
2

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3

3.1.
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klaagster heeft tegen de vaststelling van die feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee (voor zover relevant) bij de beoordeling rekening houden.
3.2.
Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
3.2.1.
Klaagster vertegenwoordigt de belangen van de leden van de familie [naam] die partij zijn bij de hierna in 3.2.2. nader te beschrijven 1981-akte (hierna te noemen: [de familie X] ).
3.2.2.
Bij notariële akte van 27 oktober 1981 (hierna: de 1981-akte), verleden voor mr. [naam] , destijds notaris te [plaats] , is door [de familie X] circa 46 hectare bouw- en weiland met opstallen gelegen aan en nabij [plaats] in eigendom overgedragen aan de [naam] te [plaats] (hierna: [de BV] ) voor een bedrag van NLG 1.022.770,- . In deze akte is, voor zover hier van belang, bepaald (alle onderstrepingen door het hof):
“Gemelde overeenkomst van verkoop en koop is voorts aangegaan onder de navolgende bepalingen en bedingen:

A. Door koper zal bij de daartoe geëigende instanties een ontzandingsvergunning ten behoeve van zand- en grintwinning worden aangevraagd. Na het definitief verkrijgen van deze vergunning zal de koopprijs voor elke vierkante meter grond, die komt te liggen binnen de lijn van het ontzandingsplan opgenomen in de door Gedeputeerde Staten van [plaats] te verlenen ontzandingsvergunning worden verhoogd met twee gulden (..).
(..)

Koper is verplicht deze ontzandingsvergunning zo spoedig mogelijk bij de daartoe geëigende instanties aan te vragen, doch uiterlijk vóór vier juni negentienhonderd twee en tachtig . Koper is verplicht al het mogelijke te verrichten hetgeen nuttig of noodzakelijk is om genoemde ontzandingsvergunning te verkrijgen.
B. Gemelde overeenkomst van verkoop en koop geschiedt onder de ontbindende voorwaarde dat koper niet binnen zeven jaar na heden gemelde ontzandingsvergunning definitief verkrijgt, met dien verstande, dat deze ontbindende voorwaarde slechts zal gelden voor die percelen waarvoor verkoper of één of meer hunner deze ontbindende voorwaarde in vervulling wenst te laten gaan en dat deze ontbindende voorwaarde in vervulling gaat op het hierna omschreven tijdstip.
Verkoper dient binnen één jaar nadat definitief bekend is dat geen ontzandingsvergunning wordt verleend, of binnen één jaar nadat gemelde termijn van zeven jaar is verstreken en in die tijd geen ontzandingsvergunning is verleend, aan koper mede te delen voor welk(e) perceel (percelen) hij de ontbindende voorwaarde in vervulling wenst te laten gaan. (..)
Indien verkoper niet binnen de gestelde termijn van één jaar bij aangetekend schrijven aan koper zijn keuze heeft kenbaar gemaakt heeft verkoper na verloop van deze termijn niet meer het recht deze overeenkomst geheel of deels te ontbinden.

(..)

C. Zodra aan koper genoemde ontzandingsvergunning wordt verleend heeft verkoper het recht om de kleispecie welke zich bevindt in het bij deze verkochte afzonderlijk aan derde(n) te verkopen, en daarvan de koopsom te ontvangen.

(..)

H. Ingeval de in sub A bedoelde ontzanding- en ontgrinding naar het oordeel van koper geheel is voltooid, is koper verplicht het bij deze verkochte wederom in eigendom aan de verkoper over te dragen voor een symbolisch bedrag van een gulden.”
3.2.3.
Bij brief van 28 oktober 1988 heeft jhr. mr. dr. [naam] (hierna: [Z] ) aan [de BV] , voor zover hier van belang, bericht:
“Ter afdoening van het onder B bepaalde (..) van de tussen U en de erven [naam] op 27 oktober 1981 gesloten overeenkomst moge ik U verzoeken – nu de in genoemde bepaling vervatte termijn van zeven jaren is verstreken – mij te willen mededelen of aan Uw B.V. door Gedeputeerde Staten van [plaats] al dan niet een ontgrondingsvergunning is verleend voor de door U gekochte gronden, dan wel thans (nog) géén beslissing door voornoemd college op Uw desbetreffend verzoek is genomen.

(..)

Het ligt in mijn bedoeling de van U verkregen inlichtingen door te geven aan mijn mede-gerechtigden in de boedel, en, indien zich gegadigden voor her-aankoop bij mij melden, zulks aan U door te geven. Verder zullen mijn bemoeiingen niet gaan; eventuele gegadigden tot her-aankoop zullen zelf te zijner tijd een en ander met U dienen af te handelen.”

3.2.4.
Bij brief van 4 november 1988 heeft [de BV] aan [Z] – onder meer – medegedeeld:
“Door de provincie [plaats] is nog niet beschikt over onze aanvraag (..). Gezien de totale ontwikkeling van die plannen voor binnendijkse industriezandwinning en de daarbij behorende overgangsperiode zijn de kansen voor een gunstige beschikking op ’t moment bepaald niet hoog. (..)”

Verder is in die brief de hoogte van de heraankoopsom voor de gronden vermeld.
3.2.5.
Op 8 december 2014 zijn de gronden die [de BV] in 1981 van [de familie X] heeft gekocht bij akte van toedeling kavelruil (hierna: de akte kavelruil), verleden voor de notaris, toebedeeld aan [naam] (hierna: [bedrijf Y] ). De door [bedrijf Y] verschuldigde toegift van € 2.395.181,- is rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de notaris, voldaan.
3.2.6.
Op 15 januari 2015 is de aanvraag van [bedrijf Y] voor een ontzandings/ontgrondings- vergunning toegewezen.
3.2.7.
In 2017 heeft [de familie X] in een civiele procedure tegen [de BV] de actio Pauliana ingeroepen vanwege de akte kavelruil en het samenstel van rechtshandelingen waarvan die akte deel uitmaakt.
4

De klacht van klaagster bestaat – in de kern – uit de volgende twee onderdelen.

i. De notaris had, gelet op de inhoud van de akte kavelruil, zijn ministerie moeten weigeren. Van ruil was immers geen sprake; er werd geen goed voor een goed geruild. Daarnaast had de wijze van betalen tussen [de BV] en [bedrijf Y] voor de notaris aanleiding moeten zijn om zich terughoudend op te stellen. Doordat het geldverkeer – in tegenstelling tot de overige deeltransacties van de kavelruil – rechtstreeks tussen [de BV] en [bedrijf Y] liep, heeft de notaris niet kunnen vaststellen of er een deugdelijke tegenprestatie is verricht. Tot slot is de overeengekomen toegift geen reële prijs voor de gronden, hetgeen de notaris wist, althans behoorde te weten.
ii. De notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of er belemmeringen waren voor de beoogde kavelruil. Niet is gebleken dat de notaris [de BV] gevraagd heeft om toestemming, zoals bedoeld in het Novitaris-arrest (ECLI:NL:HR:2015:831), teneinde navraag te mogen doen bij [de familie X] , de betrokken crediteuren (gelet op de bepaling onder H. in de 1981-akte). Blijkens die bepaling had [de BV] de verplichting om de gronden na afloop van de ontgronding weer aan [de familie X] over te dragen. Evenmin is gebleken dat de notaris [de BV] heeft gevraagd een akte te doen inschrijven in het Kadaster tot vaststelling van vervulling, afstanddoening of het uitgewerkt zijn van een ontbindende voorwaarde. De notaris is ten onrechte afgegaan op het antwoord van [de BV] , inhoudende – kort samengevat – dat er geen bijzondere voorwaarden uit de 1981-akte (meer) van toepassing waren.

5

5.1.
De notaris heeft ten aanzien van klachtonderdeel i. aangevoerd dat [de familie X] geen partij is bij de akte kavelruil, maar slechts crediteur, zodat klaagster niet als belanghebbende in de zin van artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) kan worden aangemerkt met betrekking tot dit klachtonderdeel.
5.2.
Ten aanzien van klachtonderdeel ii. heeft de notaris aangevoerd dat hij wel degelijk voldoende heeft onderzocht en (ook) bevestigd heeft gekregen dat er geen belemmeringen waren voor de beoogde kavelruil. Ter voorbereiding van die kavelruil heeft de notaris de 1981-akte onderzocht en expliciet navraag gedaan bij [de BV] of er nog bijzondere voorwaarden uit die akte van toepassing waren, meer in het bijzonder aan [de BV] de vragen gesteld of i) aan de ontbindende voorwaarde zoals bedoeld onder de bepaling onder B. in de 1981-akte was voldaan en ii) of aan de bepaling onder H. nog rechten konden worden ontleend. [de BV] heeft deze vragen toen ontkennend beantwoord en in dat kader de brieven (zoals hierboven vermeld onder 3.2.3. en 3.2.4.) aan de notaris overgelegd. Daarnaast heeft de notaris het Kadaster gecontroleerd en daaruit bleek niet dat de ontbindende voorwaarde in vervulling was gegaan. De notaris was daardoor voldoende overtuigd van het feit dat er geen ontzanding had plaatsgevonden, dat [de familie X] geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid gronden terug in eigendom te verkrijgen en dat – nu ontzanding destijds in geheel niet had plaatsgevonden – de terugleverplicht uit de bepaling onder H. in de 1981-akte was komen te vervallen. De notaris was in 2014 niet op de hoogte van de aanvraag van [bedrijf Y] voor een ontgrondingsvergunning.
overwegingen

6

Klachtonderdeel i.

6.1.
Met de kamer is het hof van oordeel dat klaagster met betrekking tot dit klachtonderdeel niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 99 lid 1 Wna en derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in klachtonderdeel i. Het hof neemt de gronden van de kamer daartoe over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die een andere beslissing rechtvaardigen.
Klachtonderdeel ii.

6.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Bij beslissing van 23 januari 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:166) heeft het hof de tot dan toe gehanteerde tuchtrechtelijke maatstaf in gevallen als in die zaak (en ook in deze zaak) aangepast en in overeenstemming gebracht met de civielrechtelijke maatstaf zoals die door de Hoge Raad is geformuleerd in het hiervoor vermelde Novitaris-arrest. Deze maatstaf luidt als volgt:
Artikel 21 van de Wet op het notarisambt (Wna) verplicht de notaris de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten. Hij dient zijn dienst evenwel te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem wordt verlangd leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft (art. 21 Wna). Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient de notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan (Kamerstukken II 2009-2010, 32240, nr. 3, p. 20).

De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in art. 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten. Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen.

De belangen van derden zijn onder meer betrokken bij de verlangde ambtsverrichting indien deze betrekking heeft op de levering van een goed of de vestiging van een beperkt recht daarop (hierna: de levering of bezwaring), terwijl ook een derde ter zake van dat goed rechten kan doen gelden. In zodanig geval behoort de notaris zich terughoudend op te stellen (vgl. Kamerstukken II 1993-1994, 23706, nr. 3. p. 26).

Indien de notaris aanleiding heeft te vermoeden dat sprake is van rechten van derden ter zake van het goed waarop de gevraagde dienstverlening betrekking heeft, dient hij daarover met partijen te overleggen en zo nodig nader onderzoek te doen, teneinde zich een oordeel te vormen over de vraag of het recht van de derde een beletsel behoort te vormen voor de beoogde levering of bezwaring. Van een zodanig beletsel is sprake indien de beoogd verkrijger geen rechtmatig belang heeft bij de levering of bezwaring, hetgeen het geval is indien het recht van de derde door een wettelijke regel als het sterkere recht wordt aangewezen, of indien de beoogd verkrijger onrechtmatig jegens de derde zou handelen door levering of bezwaring te verlangen. Voor dat laatste is niet voldoende dat de vervreemder met de levering of bezwaring wanprestatie pleegt jegens een derde.

Bij het voorgaande is van belang dat het de notaris, gelet op de in art. 22 Wna neergelegde geheimhoudingsplicht, niet is toegestaan zich tot de betrokken derde te richten, behoudens voor zover partijen hem daarvoor toestemming verlenen. Hij dient zijn onderzoek dan ook te verrichten op basis van informatie die hem door partijen wordt verschaft of hem anderszins ter beschikking staat. Gelet hierop en omdat de notaris niet over het instrumentarium beschikt voor een diepgaand feitenonderzoek, kan hij zich slechts een globaal oordeel vormen over de vraag of het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering of bezwaring.

Indien de voor de notaris kenbare feiten het oordeel rechtvaardigen dat het recht van de derde een beletsel vormt voor de beoogde levering of bezwaring, dan wel aanleiding vormen tot gerede twijfel daarover, dan dient hij – tenzij de betrokken derde verklaart geen bezwaar te hebben tegen de levering of bezwaring – zijn ministerie te weigeren.

6.3.
Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de notaris bij het voorbereiden van de akte kavelruil heeft geconstateerd dat in de 1981-akte een ontbindingsmogelijkheid bestond voor [de familie X] en dat hij bij [de BV] navraag heeft gedaan naar die ontbindingsmogelijkheid. Voorts heeft de notaris, zo heeft hij in hoger beroep onweersproken gesteld, bij [de BV] navraag gedaan naar de bepaling onder H. in de 1981-akte. Nadat hij van [de BV] de hierboven onder 3.2.3. en 3.2.4. vermelde brieven had ontvangen, hij van [de BV] te horen had gekregen dat de bepaling onder H. geen werking meer had omdat de vergunning immers niet was verleend en hem ook uit het Kadaster niet was gebleken dat de ontbindende voorwaarde was ingeroepen, heeft de notaris gemeend dat hij de akte kavelruil kon passeren, hetgeen hij ook heeft gedaan.
6.4.
Met de kamer is het hof van oordeel dat deze handelwijze van de notaris onzorgvuldig is en tuchtrechtelijk verwijtbaar. De van hem verlangde kavelruil heeft betrekking op de levering van registergoederen terwijl ook een derde, te weten [de familie X] , ter zake van die registergoederen rechten kan doen gelden. Dat is kenbaar uit de 1981-akte, in het bijzonder de bepaling onder H., die [de familie X] een recht op levering geeft dat, indien het nog van kracht is, sterker zou kunnen zijn dan het recht op levering van [bedrijf Y] krachtens de kavelruil. De notaris heeft in dit geval dan ook terecht aanleiding gezien nader onderzoek te doen. Hij heeft navraag gedaan bij [de BV] en - wederom terecht - geconstateerd dat de ontbindende voorwaarde die in onderdeel B. is opgenomen niet in vervulling is gegaan. Uit zijn onderzoek is immers gebleken dat binnen zeven jaar na het verlijden van de 1981-akte aan [de BV] weliswaar geen ontzandingsvergunning is verleend, maar [de familie X] vervolgens niet binnen één jaar na het verstrijken van die termijn van zeven jaar aan [de BV] heeft meegedeeld dat en voor welke percelen zij de ontbindende voorwaarde in vervulling wil laten gaan, zodat die ontbindende voorwaarde is vervallen. De notaris heeft ook aan [de BV] gevraagd of [de familie X] aan de bepaling onder H. nog rechten kon ontlenen en uit het ontkennende antwoord daarop van [de BV] de conclusie getrokken dat [de familie X] dat niet (meer) kon, omdat de vergunning was geweigerd en op de ontbindende voorwaarde geen aanspraak was gemaakt. De tekst van de bepaling onder H. roept de vraag op of de notaris daarnaar niet meer onderzoek had moeten doen dan hij heeft gedaan. Uit de tekst van bepaling H. vloeit immers niet ondubbelzinnig en zonder meer voort dat als de ontzandingsvergunning niet binnen zeven jaar na het verlijden van de 1981-akte is verleend daardoor ook de verplichting van [de BV] is vervallen om de registergoederen na voltooiing van ontzanding en ontgrinding terug te leveren aan [de familie X] . De bewoordingen van de bepaling onder H. laten heel wel de mogelijkheid open dat na het verstrijken van de termijn van zeven jaar en na afwijzing van de ontzandingsvergunning later alsnog een vergunning wordt verkregen en de ontzanding en ontgrinding worden voltooid. De notaris had zeker nu hij niet de bedoelingen kende van de context van de bepalingen onder A., B. en H. bij zijn onderzoek niet alleen de informatie moeten betrekken die hij van [de BV] had gekregen. Dat de bepaling onder H. in weerwil van wat [de BV] de notaris had meegedeeld ook de uitleg openliet dat [de familie X] nog wel een recht op (terug)levering had, had voor de notaris aanleiding moeten zijn voor gerede twijfel over de juistheid van de mededeling van [de BV] . Hij had het ertoe moeten leiden dat [de familie X] alsnog zou hebben verklaard (of kunnen verklaren, door in de gelegenheid te zijn gesteld zich daarover uit te laten) geen bezwaar te hebben tegen de levering door [de BV] aan [bedrijf Y] en zolang deze verklaring niet voorhanden was zijn dienstverlening moeten opschorten. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Conclusie en maatregel

6.5.
Naar het oordeel van het hof noopt het gegronde klachtonderdeel ii. tot het opleggen van een maatregel. Het hof acht, evenals de kamer, de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden.
6.6.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de beslissing van de kamer zal worden bevestigd.
6.7.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.
Griffierecht en kostenveroordeling

6.8.
Per 1 januari 2018 is de Wet op het notarisambt gewijzigd (Wet doorberekening kosten toezicht en tuchtrecht juridische beroepen). In verband met deze wijziging van de Wna heeft dit hof per 1 januari 2018 de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld, die geldt voor beroepschriften die vanaf die datum bij het hof worden ingediend. De beroepschriften in beide zaaknummers zijn ingediend na 1 januari 2018, derhalve na de wijziging van de Wna.
6.9.
Nu het hof klachtonderdeel ii. gegrond verklaart, stelt het hof vast dat de notaris op grond van de artikelen 99 lid 5 jo. 107 lid 3 Wna het door klaagster betaalde griffierecht in hoger beroep aan klaagster dient te vergoeden.
6.10.
Nu het hof de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 jo. 107 lid 3 Wna jo. de richtlijn veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:- € 1.050,- kosten van klaagster;- € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.
6.11.
De notaris dient de kosten van klaagster in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klaagster te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klaagster aan de notaris opgegeven rekeningnummer.
6.12.
De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 jo. 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.
6.13.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.
beslissing

7

- bevestigt de bestreden beslissing;
- veroordeelt de notaris tot betaling aan klaagster van haar kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50,- aan griffierecht en € 1.050,- aan kosten klaagster, derhalve in totaal € 1.100,-, binnen vier weken na heden;
- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris meegedeeld.
Het hof:

Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H.T. van der Meer en J.L.G.M. Mertens en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2019 door de rolraadsheer.