Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:4230

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 04-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:4230, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/00468


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 18/00468
19 november 2019

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X]

(gemachtigde: M. Collij)
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/5355 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst

ECLI:NL:GHAMS:2019:4230:DOC
nl

GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 18/00468
19 november 2019

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X]

(gemachtigde: M. Collij)
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 17/5355 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst

procesverloop

1

1.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 7 januari 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.566.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar ingediend. De inspecteur heeft bij uitspraak van 20 oktober 2017 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.351.
1.3.
Bij uitspraak van 5 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 augustus 2018, aangevuld bij brief van 15 september 2018. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben het Hof toestemming gegeven tot het achterwege laten van een onderzoek ter zitting. Hierna heeft het Hof het onderzoek gesloten.
2

2.1.
De rechtbank heeft onder meer de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. Eiseres geniet in 2015 een bedrag van € 17.566 aan inkomsten.

2. Eiseres bezit geen auto.

3. Op 14 april 2016 is de aangifte IB/PVV 2015 ingediend. In deze aangifte is een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.245 aangegeven, bestaande uit de inkomsten van € 17.566 en een persoonsgebonden aftrek (specifieke zorgkosten) van € 2.321. De specifieke zorgkosten bestaan uit uitgaven voor vervoer voor € 50, dieetkosten voor € 850, extra uitgaven voor kleding en beddengoed voor € 310 en genees- en heelkundige hulp voor € 32.

4. Met dagtekening 25 juni 2016 wordt door verweerder aan eiseres verzocht om informatie met betrekking tot de specifieke zorgkosten en is verzocht om een reactie te geven vóór 16 juli 2016. Hierbij wordt onder meer verzocht bij vervoerskosten een berekening van de opgevoerde kosten met de bijbehorende bewijsstukken zoals afsprakenkaarten aan te leveren. In de brief van 1 juli 2016 heeft verweerder de termijn voor indienen van informatie verlengd tot 23 juli 2016.

5. In de brief van 20 september 2016 verstrekt eiseres informatie en stuurt diverse bescheiden mee. Er zijn geen nadere bescheiden omtrent de vervoerskosten overgelegd.

6. Met dagtekening 14 november 2016 wordt een voornemen tot afwijking van de aangifte verzonden. Hierop wordt geen reactie ontvangen. Vervolgens wordt de aanslag vastgesteld, waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 17.566.

7. In de bezwaarfase stelt eiseres zich op het standpunt dat de vervoerskosten € 25 bedragen.

8. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder van het bedrag van specifieke zorgkosten, een bedrag van € 2.215 in aftrek toegelaten. De vervoerskosten zijn niet geaccepteerd. De dieetkosten (€ 850), extra uitgaven voor kleding en beddengoed (€ 310) alsmede de genees- en heelkundige hulp (€ 33) zijn wel in aftrek toegelaten.”

2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3

3.1.
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of belanghebbende aanspraak kan maken op aftrek van specifieke zorgkosten tot een bedrag van € 20, voor reiskosten in verband met medische behandelingen.
3.2.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
overwegingen

4

4.1.
De rechtbank heeft omtrent het geschil – voor zover in hoger beroep relevant – als volgt overwogen en beslist:
11. De bewijslast inzake het bestaan van uitgaven voor specifieke zorgkosten rust op eiseres. Daarbij dient eiseres aannemelijk te maken dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking zijn gekomen, aldus op haar hebben gedrukt conform het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan. De rechtbank zal aan de hand van de opgevoerde kostenpost beoordelen of eiseres aan haar bewijslast heeft voldaan.
12. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001, voor zover hier van belang, worden als specifieke zorgkosten aangemerkt uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor vervoer. Dit betreft vervoerskosten ten behoeve van een medische behandeling.
13. Eiseres stelt dat zij niet meer weet of zij één keer met het openbaar vervoer en één keer met de taxi naar het ziekenhuis is gegaan, of twee keer met de taxi of twee keer met het openbaar vervoer. Eiseres claimt – in beroep – een bedrag van € 20 wegens vervoerskosten. Verweerder stelt dat eiseres in 2015 driemaal een bezoek heeft gebracht aan de tandarts (enkele reis 2,3 km) en eenmaal een bezoek aan het ziekenhuis (enkele reis 3,1 km). Verweerder stelt dat eiseres recht heeft op de aftrek van de werkelijke kosten, maar dat zij van de werkelijke kosten geen bescheiden heeft overgelegd en niet aannemelijk heeft gemaakt welk bedrag aan vervoerskosten op haar hebben gedrukt.
14. De rechtbank overweegt – met verweerder – dat eiseres ter onderbouwing van de gestelde vervoerskosten niets heeft overgelegd zodat de rechtbank niet kan beoordelen of eiseres deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en op eiseres hebben gedrukt. Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt welk bedrag op haar heeft gedrukt. De vervoerskosten zijn derhalve terecht niet in aftrek toegelaten.
15. De verwijzing door eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2018 (nr. 17/2608, ECLI:NL:RBNHO:2018:303) brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In die zaak had verweerder, in het verweerschrift, ambtshalve geconstateerd dat de drempel voor de aftrek van specifieke zorgkosten te hoog was vastgesteld. De verlaging van de drempel leidde tot een verlaging van het verzamelinkomen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat recht bestond op een proceskostenvergoeding. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat in casu sprake is van een andere situatie zodat eiser geen beroep kan doen op de uitspraak van 19 januari 2018.
16. De omstandigheid dat verweerder ten aanzien van de heffing over het jaar 2016 wel € 20 aan vervoerskosten heeft aanvaard leidt evenmin tot een ander oordeel. Verweerder heeft aangevoerd dit om praktische en doelmatigheidsoverwegingen te hebben gedaan omdat in 2016 het bedrag van de vervoerskosten de enige correctie was.
17. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”
5. Beoordeling van het geschil

“10. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, juncto het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiseres drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5 van de Wet IB 2001). De specifieke zorgkosten zijn limitatief opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

5.1.
Evenals in beroep, stelt belanghebbende zich in hoger beroep op het standpunt dat, nu zij niet beschikt(e) over een auto, zij voor haar bezoeken die verband houden met ziekte of invaliditeit, enkel gebruik kon maken van het openbaar vervoer. Dat zij daarvan geen bewijsstukken heeft, brengt naar zij stelt niet mee dat zij niet aan haar bewijslast zou hebben voldaan. Belanghebbende wijst in dat kader op een brief van de inspecteur, met dagtekening 15 juni 2018, inzake de behandeling van de aangifte IB/PVV van een andere cliënt van belanghebbendes gemachtigde, waarin de inspecteur ter berekening van de hoogte van de vervoerskosten zelf gebruik maakt van de website 9292.nl. Belanghebbende stelt dat, nu de inspecteur deze website hanteert ter onderbouwing van de hoogte van de kosten, ook zij daarvan gebruik kan maken.
5.2.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Zij heeft geen enkel bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de in geding zijnde vervoerskosten door haar zijn gemaakt en op haar hebben gedrukt. De inspecteur betwist dat in de brief van 15 juni 2018 de genoemde website is aanvaard als bewijs dat sprake is van in aftrek komende reiskosten. De inspecteur heeft in die brief de genoemde website enkel gebruikt als een hulpmiddel om de hoogte van de maximaal voor aftrek in aanmerking komende reiskosten per openbaar vervoer vast te stellen indien “[m]ocht komen vast te staan dat aftrek van deze reiskosten mogelijk is (…)”. De inspecteur heeft daarmee geenszins het vertrouwen gewekt dat het gebruik van de website belanghebbende ontslaat van haar verplichting om aannemelijk te maken dat de reiskosten zijn gemaakt en dat deze op haar hebben gedrukt; dit nog daargelaten de omstandigheid dat deze brief niet aan belanghebbende is gericht.
5.3.
Evenals de rechtbank, stelt het Hof voorop dat belanghebbende dient te bewijzen dat zij specifieke zorgkosten heeft gemaakt en dat deze op haar hebben gedrukt. Het Hof acht het door de rechtbank in aanmerking genomen toetsingskader (rechtsoverwegingen 10, 11 en 12) juist en zal dat ook tot uitgangspunt nemen.
5.4.
In navolging van de rechtbank, oordeelt het Hof dat het wettelijk systeem uitsluitend een aftrek toekent voor kosten die op belanghebbende drukten in het desbetreffende belastingjaar; het Hof verenigt zich met de in rechtsoverwegingen 14 tot en met 16 opgenomen oordelen van de rechtbank. Met hetgeen door belanghebbende is aangevoerd heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij de thans in geding zijnde kosten heeft gemaakt en dat deze op haar hebben gedrukt. Haar stelling dat in gevallen als deze kan worden volstaan met een verwijzing naar de website 9292.nl, wordt verworpen; met enkel deze verwijzing voldoet belanghebbende niet aan de op haar rustende bewijslast.
Slotsom

5.5.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:a. de naam en het adres van de indiener;b. een dagtekening;c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;d. de gronden van het beroep in cassatie.
Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door H.E. Kostense, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan als griffier. De beslissing is op 19 november 2019 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
7. Beslissing