Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:4226

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 27-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:4226, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 23-002040-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHAMS:2019:4226:DOC
nl

afdeling strafrechtparketnummer: 23-002040-18 datum uitspraak: 27 november 2019
TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 mei 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-138388-17 tegen
[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, adres: [adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2019.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld en dit is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is, voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen, aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 21 juli 2017 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door in voornoemde [benadeelde] haar borst te knijpen of bijten.Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot het beroep op noodweer tot een ander oordeel komt dan de politierechter.

Vrijspraak

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en daartoe onder meer aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt.

Het hof stelt voorop dat onder mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het begrip ‘mishandeling’ ligt dus de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. Een rechtvaardigingsgrond kan zijn gelegen in noodweer. Voor noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.

Op basis van het dossier, de beschikbare camerabeelden (waarop het gewraakte incident goeddeels is vastgelegd) en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, neemt het hof het volgende als vaststaand aan.

Op 21 juli 2017 heeft een woordenwisseling plaatsgevonden tussen de aangeefster [benadeelde] en de verdachte, waarbij de verdachte heeft geschreeuwd en gescholden naar de aangeefster. De aangeefster is vervolgens op de verdachte afgegaan met een hondenriem in haar hand, waarop een fysieke confrontatie tussen beiden is ontstaan, waarbij de verdachte op de grond is gevallen. Hierna is de aangeefster naast de verdachte neergeknield en heeft de hondenriem met kracht op zijn keel gezet. Daarna is zij op de verdachte zitten, terwijl zij de keel van de verdachte met de hondenriem bleef dichtknijpen en teksten riep als ‘Ik maak je af!’ en ‘Het is klaar met jou’. De verdachte lag op dat moment stil op de grond, mede omdat zijn schouder door de val uit de kom was geraakt. De toenmalige partner van de verdachte, [naam], was ook bij het incident aanwezig. Zij heeft geprobeerd [benadeelde] van de verdachte af te duwen. Daardoor zijn [naam] en [benadeelde] omgevallen en over de verdachte heen op de grond beland. De verdachte heeft naar eigen zeggen op dat moment in ‘iets zachts wat voor mijn gezicht kwam’ gebeten, maar hij weet niet precies waarin. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar niet heeft gebeten, maar hard in haar borst heeft knepen. Uiteindelijk heeft de verdachte zichzelf uit de greep van [benadeelde] weten te bevrijden.

Naar het oordeel van het hof leverde het hierboven omschreven handelen van [benadeelde] voor de verdachte een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf op, waartegen hij zich mocht verdedigen. Of de verdachte haar nu heeft gebeten of hard in de borst heeft geknepen, dit handelen is de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet te buiten gegaan. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat (i) het met een riem dichtdrukken van de keel van de verdachte door [benadeelde] en de uitlatingen waarmee dit vergezeld ging een buitengewoon beangstigend karakter hadden en (ii) de verdachte zich geruime tijd simpelweg niet van [benadeelde] heeft kunnen losmaken. Het verwijt dat de verdachte gemaakt kan worden van de aan het handgemeen voorafgaande scheldpartij reikt niet zover, dat dit aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg staat. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte met vrucht een beroep kan doen op de rechtvaardigingsgrond noodweer. Gelet op hetgeen voorop is gesteld kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de tenlastegelegde gedragingen als wederrechtelijk en daarmee als mishandelend kunnen worden gezien. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover inhoudelijk aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. J.J.I. de Jong en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. S. Pesch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2019.