Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:3965

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:3965, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 23-002505-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHAMS:2019:3965:DOC
nl

afdeling strafrechtparketnummer: 23-002505-19 datum uitspraak: 5 november 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2019 in de strafzaak onder de parketnummers 13-684054-19 en 18-141326-18 (TUL) tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,zonder vaste woon-of verblijfplaats hier te lande,thans gedetineerd in P.I. Overijssel, HvB Karelskamp, Almelo te Almelo.
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep met uitzondering van de bepaling dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd en met dien verstande dat het hof: het vonnis aanvult met een nadere overweging ten aanzien van het opleggen van de ISD maatregel.
Aanvullende motivering voor de oplegging van de ISD-maatregel en tussentijdse beoordeling van de maatregel

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht in plaats van een ISD-maatregel een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, subsidiair een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, meer subsidiair het voorarrest in mindering te brengen en uiterst subsidiair indien het hof toch tot een ISD-maatregel aan de verdachte zal opleggen een toetsing te bepalen op zes maanden na aanvang van de ISD-maatregel. De verdediging heeft daartoe onder meer betoogd dat oplegging van de ISD-maatregel disproportioneel is gezien de geringe ernst van het feit en het voorarrest al ruim zeven maanden duurt. Het opleggen van de ISD-maatregel is een ultimum remedium, hetgeen hier nog niet aan de orde is. De wetenschap dát er een ISD-maatregel boven zijn hoofd hangt, fungeert thans als een voldoende stok achter de deur voor de verdachte. Daarnaast is er, gelet op de weigerachtige houding van de verdachte, geen behandelverwachting, zodat de oplegging van de ISD neerkomt op een langdurige vrijheidsbeneming (“kale ISD”).

Met de rechtbank oordeelt het hof dat de verdachte aan alle voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel voldoet. In hetgeen door de raadsman in hoger beroep naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding af te zien van het opleggen van een ISD-maatregel. Het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel, zoals subsidiair door de raadsman bepleit, acht het hof geen reële optie, nu de verdachte tot op heden uiterst volhardend is in zijn weigering mee te werken met de reclassering en er dientengevolge onvoldoende waarborgen zijn dat de verdachte binnen een voorwaardelijk kader in samenwerking met de reclassering stappen zal zetten ter vermindering van zijn recidive.

Het hof is met de rechtbank tevens van oordeel dat een termijn van twee jaren het meest effectief zal zijn ter bescherming van de maatschappij en ter voorkoming van recidive en om te waarborgen dat de mogelijkheden die de maatregel biedt, optimaal worden benut. Hierbij past niet de aftrek van voorarrest, zoals door de raadsman bepleit. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

Wel acht het hof het wenselijk en noodzakelijk dat een vinger aan de pols wordt gehouden bij de tenuitvoerlegging van de maatregel. Het hof zal daarom bepalen dat het Openbaar Ministerie binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van dit arrest de rechtbank zal berichten over de noodzaak en wenselijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, zoals bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover het ziet op de bepaling dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 6 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. F.A. Hartsuiker en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 november 2019.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================
[…]