Uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2019:3961

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Amsterdam op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHAMS:2019:3961, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 23-003886-16


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHAMS:2019:3961:DOC
nl

afdeling strafrechtparketnummer: 23-003886-16 datum uitspraak: 5 november 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 oktober 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-170351-15 tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, adres: [adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

1. primairzij op of omstreeks 10 juli 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft zij, verdachte, met haar auto die [slachtoffer] al rijdende op haar scooter, de weg afgesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiairzij op of omstreeks 10 juli 2015 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door met haar auto die [slachtoffer] al rijdende op haar scooter de weg af te snijden, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam;
2.zij op of omstreeks 10 juli 2015 te Amsterdam, als bestuurster van een motorrijtuig (een personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de Floraweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander, te weten [slachtoffer], schade en/of letsel was toegebracht.
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen ten aanzien van de bewezenverklaring, de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast. Op 10 juli 2015 is tussen verdachte en aangeefster, op dat moment beiden verkeersdeelnemers, onenigheid ontstaan. Op het moment dat de scooter waar aangeefster op zat, voor een rood uitstralend stoplicht tot stilstand kwam en voorgesorteerd stond om links af te slaan, stond de door verdachte bestuurde auto stil achter de scooter. Op het moment dat het verkeerslicht op groen sprong trok aangeefster op en zette zij de bocht in naar links. De verdachte gaf eveneens gas en probeerde de scooter rechts in te halen. In de bocht heeft de door verdachte bestuurde auto aan de linkervoorzijde de scooter rechts geraakt, als gevolg waarvan aangeefster met haar scooter ten val kwam. Als gevolg van deze val is bij aangeefster contusie van de rechter elleboog geconstateerd en heeft de scooter krasschade aan de rechterzijde opgelopen.

De verdachte heeft ontkend dat het haar bedoeling is geweest de aangeefster te raken.

Het hof concludeert dat de verdachte een verkeersfout heeft begaan, maar kan niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte opzettelijk een manoeuvre naar links heeft gemaakt waarna de aangeefster ten val is gekomen. Het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster dan wel mishandeling van aangeefster kan dan ook niet bewezen worden en evenmin dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans op (zwaar lichamelijk) letsel heeft aanvaard. Nu het opzet niet – ook niet in voorwaardelijke zin – kan worden bewezen dient de verdachte van het aan haar onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.zij op 10 juli 2015 te Amsterdam, als bestuurster van een motorrijtuig (een personenauto) betrokken bij een verkeersongeval op de Floraweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar zij wist aan een ander, te weten [slachtoffer], schade en letsel was toegebracht.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 200 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van 150 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar waarvan 6 maanden voorwaardelijk, eveneens met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht in geval van een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, nadat zij een ongeval had veroorzaakt waarbij het slachtoffer letsel had opgelopen en schade was toegebracht aan de scooter, de plaats van het ongeval verlaten zonder de gelegenheid te bieden haar identiteit vast te stellen. Door aldus te handelen heeft de verdachte blijk gegeven van miskenning van haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer, een ergerlijk feit dat het hof de verdachte aanrekent.Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 8 oktober 2019 blijkt dat zij eerder meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld. Dit betroffen echter geen overtredingen van de Wegenverkeerswet, zodat het hof deze veroordelingen niet in strafverzwarende zin zal meewegen.Verder heeft het hof acht geslagen op het door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde verslag van [naam], verbonden aan de reclassering. Uit dit verslag blijkt dat het huidige reclasseringstoezicht loopt tot 8 november 2019 en dat de verdachte thans onder behandeling is bij het Jellinek Outreachend Team in verband met ernstige en complexe verslavings-en gedrag gerelateerde problematiek. De verdachte is verslaafd aan harddrugs en alcohol en er is sprake van een PTSS stoornis en agressieregulatie-problematiek. Er zijn recent eerste voorzichtige stappen gezet om het leven van de verdachte weer op de rit te krijgen. Dit gaat met vallen en opstaan. Het hof acht het van belang dat deze voorzichtig positieve ontwikkeling na afloop van het huidige reclasseringstoezicht wordt gekaderd en acht voortzetting van het reclasseringstoezicht om deze reden van groot belang, om welke reden het hof een deels voorwaardelijke straf zal opleggen.Nu het hof minder bewezen verklaard dan de politierechter heeft gedaan en door de advocaat-generaal gevorderd komt het hof niet tot een vrijheidsbenemende straf en komt het hof bovendien tot een aanmerkelijk lagere straf dan door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de omstandigheid, dat in deze zaak in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, nu de verdachte op 19 oktober 2016 het hoger beroep heeft ingesteld en het hof eerst op 5 november 2019 arrest wijst. De redelijke termijn is overschreden met ruim twaalf maanden. Een deel van deze overschrijding is te wijten aan het feit dat op verzoek van de verdediging een getuige, woonachtig in Turkije, moest worden gehoord, doch die omstandigheid kan niet de gehele overschrijding verklaren. Het hof ziet in de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding een strafvermindering toe te passen voor de duur van 4 uren op de taakstraf van 60 uren.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.824,28, bestaande uit € 4.824,28 terzake van materiele schade en € 4.000,00 terzake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.671,48, bestaande uit € 1.171,48 terzake van materiele schade en € 500,00 terzake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING


Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van , indien niet naar behoren verricht te vervangen door .

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot , indien niet naar behoren verricht te vervangen door , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij de reclassering en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.L. Leenaers en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 november 2019.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]

.